Dood, lust en paarden

John Hawkes, Old Horse: De opwindende memoires van een paard. Vertaling Gerard Verbart, uitgeverij Arena, 318 blz. f39,90.
VAN DE AAN de vluchtige lezer gerichte ‘voorzichtige waarschuwing’ voorin zijn twaalfde roman Sweet William (1993) moet u zich maar niets aantrekken. Lees en rijd almaar voort en ‘hervind uzelf in de tegenspoed van dit paardeleven’.

John Hawkes houdt van onbehaaglijke verrassingen. Elk nieuw boek van deze eigenzinnige Amerikaanse schrijver blijkt een prettige provocatie te zijn. Hawkes doorbreekt graag verwachtingspatronen. En zijn laatste roman, uitstekend vertaald door Gerard Verbart (de vierde Hawkes-vertaling in vijftien jaar), heeft zeer terecht de ondertitel ‘De opwindende memoires van een paard’ meegekregen. Hawkes schreef zijn roman consequent vanuit het perspectief van de mensenhatende hengst Sweet William. Dat dier, een waakzame luisteraar, kijkt terug op een leven vol lust en geweld, waarin de mens keer op keer zijn vrijheid wenste te beteugelen, met alle gevolgen van dien. Achteraf beschouwd is het voor de hand liggend dat John Hawkes, die ik tot de belangrijkste Amerikaanse schrijvers reken, dit perspectief heeft gekozen.
In The Passion Artist (1979) laat Hawkes zijn hoofdpersoon Konrad Vost - een man hopeloos ingeklemd tussen zijn hoerige dochter, zijn dode vrouw en zijn gevangenisstraf uitzittende grootmoeder - in de stal van het paard Anna Kossowksi slapen. Daar, in het donker op de mest, wordt hij, een passieve seksbelever met gewelddadige trekjes, verleid door twee uit de gevangenis ontsnapte vrouwen.
The Lime Twig (1961) - een roman over een gestolen paard en de vervalsing van de Engelse Golden Bowl-paardenrennen - bevat een beeldende beschrijving van een paard dat ’s nachts in galg en tuig uit een schuit wordt getild. Robert Coover, vriend van Hawkes en schrijver van de Rosenberg-Watergate-roman The Public Burning (1977), ziet dat zilverachtige paard dat met zijn benen naar de lucht trapt als een verleidelijk symbool van de dood. Dat beeld keert terug in Whistlejacket (1988), een roman waarin dood, lust en paarden de hoofdrol spelen, met een middengedeelte dat is gereserveerd voor een schitterende hommage aan de Engelse paardenschilder George Stubbs, een soort fictieve deelbiografie. Het nageslacht van het welhaast mythische paard Whistlejacket ontpopt zich als een verzameling levensgevaarlijke edele dieren. In een prachtig fragment beschrijft Hawkes een op hol geslagen paard dat met zijn berijder via een reuzesprong op het dak van een huis terechtkomt en er weer af springt.
WHISTLEJACKET blijkt nu een voorstudie te zijn van Old Horse, een roman als een anatomische les, met als docent de bezeten paardenschilder George Stubbs. John Hawkes knipoogt naar het genre van de fabel en zeker naar Lev Nikolajevitsj Tolstoj, die zo'n eeuw geleden het verhaal 'Linnenmeter’ schreef. De Russische formalist Viktor Sjklovski, die veel oog had voor verhaaltechnische aspecten, ontleedt dat verhaal in een studie die niet toevallig De paardesprong (1929) heet. Tolstoj gebruikte voortdurend de methode van de 'vervreemding’: de veldslagen in Oorlog en vrede worden als 'vreemd’ gepresenteerd, evenals de salons en de schouwburg, de stad, de rechtbank en het huwelijk (in Kreutzersonate). In het verhaal 'Linnenmeter’ laat hij het verhaal vertellen door een paard. Dat bijzondere perspectief heeft grote gevolgen voor de woordkeus. Zo mijmert het paard twee bladzijden lang over het bezittelijk voornaamwoord 'mijn’. Veel mensen willen dingen hun dingen noemen, daarin verschillen mens en dier. Tolstojs paard: 'Ik ben ervan overtuigd dat juist daarin het wezenlijke onderscheid tussen mensen en ons is gelegen. En daarom kunnen wij gerust zeggen dat wij hoger op de trap der levende wezens staan dan mensen; de activiteiten van mensen worden door woorden geleid en niet door daden zoals bij ons!’
Aan het slot van 'Linnenmeter’ is het paard geslacht. Op de laatste bladzijden van Hawkes’ roman Old Horse verzet de oude hengst Sweet William, omgedoopt tot Petrarca, zich op de valreep tegen het dodelijke spuitje van de veearts. Hij, de mensenhater, blijft een humane behandeling eisen.
De memoires van hengst William/Petrarca beginnen vlak voor het einde, als zijn Iers-Amerikaanse 'Meester’ de stokoude volbloed koopt en hem wegvoert van een rampzalige plek onder de blote hemel, 'de laatste vernedering van mijn lange leven’, naar een warme stal en zijn laatste liefde Clover. Dan springt het paard meteen over naar zijn eerste dagen op aarde. 'Mijn eerste dagen waren de droevigste die paard en mens ooit hebben meegemaakt. Mijn geboorte was mijn dood.’ Hengst William is een bijzonder paard. Achteloos citeert hij bijna letterlijk de beginzin van Samuel Becketts A Piece of Monologue: 'Geboorte werd hem zijn dood.’ 'Pijn’ wordt zijn lievelingswoord.
Moeder Molly-Long-Legs, een statige fokmerrie, krijgt een paar weken na zijn geboorte een koliek, maar de veearts dient het spuitje niet vakkundig toe. Sweet William is er getuige van dat zijn al begraven moeder na een plensbui uit de drabbige aarde oprijst en voor de allerlaatste keer over de ranch loopt. Haar jammerlijk sterven roept zijn mensenhaat op. Hij verliest zijn onschuld en wordt gemeen, 'pitgemeen’. Wacht u voor het paard!
Sweet William is gevoelig voor beschaafde omgangsvormen, geuren en taal. Geur, oerinstinct en erotiek gaan hand en hand. 'Mijn hele wezen balde zich samen in mijn opengesperde neusgaten. (…) Kaneel. Peper. Suiker. Bloed. Hoe langer ik het rook, des te sterker de geur werd en des te dwingender, des te verleidelijker bovendien. Al mijn zintuigen waren gespitst op deze verlokking. Ik moest aan het doordringende aroma van dit levende kruid gehoorzamen.’ William ruikt een jonge merrie, waarna geen hek te hoog voor hem is.
PRACHTIG beschrijft Hawkes de Werdegang van jonge hengst tot succesvol renpaard. Zijn verteller is een 'hippische estheticus’ die het liefst jonge vrouwen en meisjes als jockey heeft. Hoewel William zich blijft verzetten tegen de listen en lagen van de mens en zich niet wil laten temmen en africhten, laat hij zich tenslotte toch korthouden en tolereert hij de sjabrak. Hij is goud waard als dekhengst en renpaard, maar zijn instincten laten zich niet beteugelen. Na een seksuele uitspatting wordt er dan ook korte metten gemaakt met de onhandelbare onruststoker. De enige remedie: platspuiten en castreren. 'Tussen mijn achterbenen hing geen toekomst maar een leegte.’ De kleine vos uit de oertijd is in hem gestorven. En nog is zijn wilskracht niet gebroken. Een man die zijn stal bevuilt, trapt hij bijna dood.
Daarna zet de ondergang goed in. Sweet William, die het genoegen van zijn valsheid heeft gesmaakt, wordt afgedankt en bijna afgemaakt. Maar hij slaat een laatste keer toe, tegen paardendoodmakers die verzekeringsgeld willen opstrijken. Hij vlucht naar de stad, een afdaling naar een onderwereld, naar een manege rond vervuilde grond, waar omheen opgeschoten knapen rondlopen met stenen in hun handen.
Paarden vertrouwen op de natuur en niet op van paarden ontdane steden. De stad was het 'eerste teken van een menselijke samenlevingsvorm waarin het paard ontbreekt. Was de stad daarmee niet per definitie een ontkenning van de waardevolle fundamenten waarop het paardeleven berustte?’
Capitulatie voor de zinloosheid of verlossing? Na weer een uitval en een wilde achtervolging door de stad wordt Sweet William andermaal gepakt en op een zijspoor gerangeerd.
VERVOLGENS maakt het verhaal een 'paardesprong’ vooruit in de tijd. In het tweede deel van Old Horse, 'Petrarca. Mijn oude dag’, is William tweeentwintig jaar oud en overgedaan aan 'Meester’, een fijngevoelige, esthetische man die zonder dat hij er verstand van heeft meteen ziet dat Sweet William een volbloed is. Hij doopt hem om tot Petrarca. Dat is goed gezien, want toen Sweet William jaren eerder op de renbaan vlak voor het moment supreme uit zijn laatste verovering Kate werd gerukt, dichtte hij al over die coitus interruptus: 'O wrede breuk! Vernederend vertoon van onvervulde lusten!’
Meester omschrijft de veertiende-eeuwse Italiaanse renaissancedichter en Laura-vereerder Petrarca in een prachtige opsomming: 'spitsvondigheden, vindingrijkheid, disputaties en scholastische nauwkeurigheid. Allegorische vergelijkingen, personificaties, zelfbeschuldiging, minnewoorden, hartekreten, zelfverwijten, eigen lof, berouw en afscheid van de liefde - dat is hem ten voeten uit (…), die dichter met zijn allesoverheersende verlangen en liefdesverdriet, zijn frustratie en de overtuiging dat de vrouw van zijn leven een bovennatuurlijk wezen was en gedoemd tot een vroegtijdige dood.’
Petrarca het paard hoort ondertussen de prachtigste paardenverhalen aan die Meester en Ralph, de twee Amerikaanse Ieren in zijn omgeving, uitwisselen. Verhalen die stuk voor stuk ontsporen, uit de koers gaan. Verhalen waarin mens en paard in elkaar opgaan. Verhalen waarin - zoals altijd bij John Hawkes - erotiek en geweld vervloeien. Verhalen over onweerstaanbare aantrekkingskracht, over een glimp van schoonheid (Laura!) die de verteller telkens opnieuw zou willen opvangen. Verhalen met een motto dat Meester verwoordt: 'Er is geen man die een vrouw kan respecteren, of ze nu jong of oud is, als hij geen respect heeft voor zijn paard…’
John Hawkes heeft met Old Horse een virtuoze roman geschreven over teugelloosheid, instinctmatig gedrag, gewelddadigheid en liefde, liefde voor het meeslepende, op hol geslagen verhaal dat zo beheerst mogelijk wordt verteld.