popmuziek: Mark Lanegan & Duke Garwood

Dood op de loer

Als je de albumlijst van de voormalige Seattle-grunger Mark Lanegan als soloartiest bekijkt, lijkt hij het met zeven stuks in 22 jaar vrij rustig aan te doen. Tussen zijn laatste twee cd’s zat zelfs een gat van acht jaar.

Schijn bedriegt: in die periode alleen al werkte de melancholieke brombeer aan minstens net zoveel samenwerkingsprojecten als die hele discografie onder zijn eigen naam. In 2013 is hij alleen al te horen op platen van Moby, Christine Owman en (nauwelijks opvallend op de achtergrond) Queens of The Stone Age. Tot nu toe maakt hij de meeste indruk met het sobere en melodieus soms bijna stilstaande Black Pudding.

Wat je van Lanegan kunt verwachten is bekend: een gebronsde stem van somberheid die je uit duizenden herkent. Vanuit een donker binnenste haalt hij zijn woorden naar boven en lijkt ze via een raspende keel in zijn mond tot gruis te vermalen om ze vervolgens bijna gelaten, maar nog hoorbaar geladen hun weg naar de luisteraar te laten vinden. De ene keer is dat met de blues, de andere keer country of stevige rock. Wát hij gaat doen is nauwelijks verrassend, met wie wel. Op Black Pudding is zijn sparringpartner de Britse multi-instrumentalist Duke Garwood. Zijn achtergrond ligt meer bij de experimentele richting van artiesten als Captain Beefheart en Tom Waits-gitarist Marc Ribot. De combinatie met Lanegan levert een atypisch, maar uitgebalanceerd album op dat lastig valt te typeren.

Veel nummers van Black Pudding zijn akoestisch. Dat geeft nog meer verstilling aan de nummers, die al spaarzaam zijn opgebouwd, met steeds één (gitaar) of enkele instrumenten (piano, bas, klarinet). Het lijkt alsof Garwood tien muzikale variaties geeft die bij Lanegans stem passen. Op een instrumentale opener en afsluiter na staan zijn vertolkingen van getormenteerde personages centraal. Zo is hij een getraumatiseerde oorlogsveteraan in War Memorial (‘Don’t make me look in the mirror’). Of een diepgelovige die een zwart religieus visioen heeft (Pentecostal) en een drugsverslaafde die zijn Mescalito toezingt als een muze. Muzikaal varieert het van vrij minimale soundscapes als Sphinx tot de trage, droge en uitgebeende funk van Cold Molly, dat het meest lijkt op een ‘gewoon’ liedje.

De hoes laat een wit gehaakt kleedjespatroon dat niet zou misstaan op de koffietafel waar je na een begrafenis tegenaan loopt. Op Black Pudding zelf ligt de dood ook steeds op de loer. Soms is er zelfs letterlijk het verlangen naar (‘Just slide the needle in, until it doesn’t hurt’), maar ook daaraan wordt hier niet tegemoet gekomen: ‘If death ride a white horse, then I ain’t seen him yet’. Wat door toon en sfeer uiteindelijk het meest blijft hangen is de misleidende schijn van berusting. Onderhuids sluimert het noodlot.

Mark Lanegan Duke Garwood, Black Pudding, label: Cooperative/V2