Dood vogeltje

In dit huis horen we de zee, zeker nu de wind noordwest en hard is. Rekken we ons flink dan kunnen we hem zelfs, vanuit een raampje boven, zien. Een klein stuk, maar voldoende wild en schuimig om blij te zijn dat de lokroep van het water ons altijd weer trekt - maar nooit een meter verder dan tot de rand die strand heet. Bij ver gebulder lees ik in de Volkskrant over al die Kniertjes op het Griekse Kalymnos die in het zwart hun mannen naar de boten brachten. Van tweeduizend vissers kwamen er vaak zo'n drie-, vierhonderd niet terug. Althans, volgens ene Jorgos. Zelfs als ik bedenk dat daar niet tegen voort te planten valt, besef ik het ontzag dat aan die cijfers ten grondslag ligt voor Poseidon, die geeft maar ook neemt.

Ook dit dorp is bekabeld, maar uitgerekend Nederland 1, waarop we om 8 uur het Journaal plegen te zien, vertoont fratsen: belazerd beeld en geen geluid. We zijn zo moe van onze verhuizing dat we apathisch naar Bosnische beelden blijven staren. Om plots Jules de Corte te zien verschijnen. Jubileumconcert? Dit heeft geen zin. We zappen weg. Voor ons gevoel een eeuwigheid later keren we terug en nog steeds is daar de zanger. Nu loopt hij langs het strand. Dood dus.
De gedachten gaan terug naar 1957, eindexamenklas, toen ik m'n ouders zo gek kreeg dat ze van hun niks een koffergrammofoon kochten. Een echte Garrard. Vioolconcerten van Mozart de eerste aanschaf. Tot overmaat van ramp sloeg hij in een langzaam deel wat groeven over, verschijnsel dat de leveranciers van hard- en software niet konden verklaren. Zo min als ze er financiele consequenties aan wensten te verbinden. Ontspannen luisteren was er niet bij: de overgeslagen tonen produceerden een pijnlijke grimas op het gezicht van mijn vader waarin alle scepsis over uitgaven aan luxe goederen lag opgesloten. En hij hield toch echt van Mozart. Maar op m'n jongenskamer draaide ik, zonder sprong of kras, Brassens, Mouloudji en, jawel, De Corte. ‘Ik zou wel eens willen weten.’ Later geneerde ik me daarvoor. Nu niet meer. Wat zweverige tekst, melancholieke melodie - ideaal voor een eeuwige puber. Haast niet meer voor te stellen dat de bard op zijn manier de mufheid en verstikking doorbrak waarvan het lichte lied in die jaren de belichaming was.
Vroege vogels opent met een gedicht van De Corte waarin de vogel metafoor voor vrijheid is, gesteld tegenover het bit dat het karrepaard in het gareel houdt. Als blind kind zal hij nog meer onder de paters geleden hebben dan 'gewone’ Roomse jochies. Dan laat Ivo de Wijs Gied Jaspers postuum aan het woord over zijn liefde voor de natuur. Deze ochtend staat kennelijk in het teken van de dood. De dood waarvoor Jaspers niet bang was 'omdat de natuur de dood niet openbaart’. De redenering begrijp ik niet maar het gevoel moet voor de stervende een zegen zijn.
En inderdaad, een enorme natuur om ons heen waarin 'eten of gegeten worden’ geldt. En zelden een zichtbare dood. Behalve in de moderne natuurfilm. Dan zie ik naast ons tijdelijk onderkomen een dood vogeltje.