Ger Groot

Dooden

Eénmaal heb ik het lied van De achttien dooden gedeclameerd. Het was hal verwege de jaren zestig en voordrachtskunst was op de middelbare school nog een vast lesonderdeel. Met zijn 56 regels piekte het gedicht ruimschoots boven de voorgeschreven minimumlengte uit. Daarom meende ik te mogen volstaan met de eerste twee en de laatste strofen, rücksichtslos ongevoelig voor het evenwicht van het geheel en de verontwaardiging van mijn leraar Nederlands.

Hij had gelijk. In deze monoloog hangt iedere strofe van de andere af. Hun afwisseling gaat gelijk op met de gemoedsstemming van de veroordeelde die een nacht lang op zijn executie wacht. De terugblik op de taak die is opgenomen maar niet volbracht mondt uit in de vloek over de Duitse inval. In de hoop op piëteit voor de andere veroordeelden, «mijn makkers in den nood», slaat de toon al om naar het berustende gebed in de laatste strofe.

En zo moeilijk uit het hoofd te leren was De achttien dooden nu ook weer niet. Het was in zekere zin op eenvoud toegeschreven. Glashelder moest het zijn voor ieder die het las en met zijn pathos van noblesse gemakkelijk in de mond liggen voor clandestiene declamatie. «De man die dit schrijft, wil geen mooie taal maken, maar zijn laatste, tragische woord tot zijn volk uitspreken», stond ter toelichting boven het gedicht in de bundel Carillon («Een declamatorium voor ons voortgezet onderwijs en voor privé gebruik») waaruit ik het genomen had. «Eerlijke verontwaardiging en hartstocht klinkt in elke regel door. Laat dat uitkomen!»

Ik heb het laten uitkomen en had dat in mijn klassenvoordracht nog beter kunnen doen als ik het gedicht niet had beknot. Zo sneuvelden een paar van Camperts meest briesende zinnen: «De rattenvanger van Berlijn/ pijpt nu zijn melodie», en, kort daarvoor: «voordat, die aanspraak maakt op eer/ en zulk germaansch gerief,/ een land dwong onder zijn beheer». Zij compenseren de zwakke verzen die het lied ook heeft, maar die niet kunnen verhelen dat Campert zich hier toonde op het toppunt van zijn kunnen.

Of op het toppunt van gewiekstheid? Sinds zijn biograaf Hans Renders Cam perts opportunisme aan het licht bracht, hangt er de schaduw van bedrog over het gedicht en veranderde De achttien dooden onwillekeurig in vaardige gelegenheidspoëzie. En toen vorige week bleek dat de dichter bleef sjoemelen tot in zijn eigen gevangenschap toe werd zijn eigen dood onwillekeurig een bespotting van die van de achttien «makkers bovendien».

Campert is niet de eerste Nederlandse dichter wiens poëzie ontmaskerd wordt. Achterbergs minnecyclus Zestien moest het eerder al ontgelden. Geen liefdesvuur lag daaraan ten grondslag, maar een ordinaire verkrachtingspoging annex moord. Plotseling ging de cyclus over een andere hartstocht, niet meer idyllisch maar diabolisch en beangstigender dan we ooit hadden vermoed.

Campers déconfiture is ontluisterender, ironisch genoeg omdat ze wel een wan- maar geen misdaad onthult. Zelfs in het kwaad ontbreekt het hem aan de grootheid waartoe zijn verzetsstatus hem had verplicht en waaraan hij zo indrukwekkend woorden gaf. In zijn morele grensverkeer werd hij grijzig, zoals het gros van de bevolking dat tijdens de bezetting was. Niet zwart of wit, maar al te menselijk, werd hij als vaderlandse verzetsdichter een total loss, die zijn belangrijkste schepping mee de ondergang in trok.

Maar na ruim een halve eeuw verschiet ook de Tweede Wereldoorlog van kleur. Vanachter het heldendom komt het alledaags geschipper te voorschijn waarmee Nederland zich door de bezetting ritselde. Ook het lied van Campert wordt er anders door, sterker dan de zwakheid van zijn eigen maker. In het slotgebed klinkt plots een andere biecht door dan die van de mislukte verzetsheld. Een veel miserabeler fiasco maakt de stem die spreekt niet alleen menselijker maar zelfs tragischer. Een Campert zonder fierheid schrijft: «En zoo ik heb gefaald,/ gelijk een elk wel falen kan,/ schenk mij dan Uw genâ.»