Doodeng

De beste soundtrack van de afgelopen jaren is waarschijnlijk die van Drive (2011), de doorbraakfilm van Nicolas Winding Refn. De elektronische muziek, geworteld in de jaren tachtig, gaf een enorme extra hoeveelheid glans aan de grimmigheid van nachtelijk Los Angeles, de ongrijpbaarheid van de naamloze hoofdpersoon en het gebrek aan inleiding en duiding van het expliciete geweld.

John Carpenter heeft een album gemaakt dat geregeld doet denken aan de bijdragen van Chromatics en Electric Youth aan de soundtrack van Drive. De John Carpenter, ja. De regisseur van een van de beste pulpfilms uit de jaren tachtig, Escape from New York, met een glansrol voor Kurt Russell als Snake Plissken. En van de horrorklassieker Halloween. Voor Halloween schreef Carpenter zelf de muziek, al schreef hij het in de aftiteling toe aan The Bowling Green Philharmonic Orchestra – een verwijzing naar Bowling Green in Kentucky, waar hij opgroeide.

Carpenter heeft nu een album gemaakt, voor het eerst met muziek die niet bij films hoort. Althans, niet officieel, want eigenlijk heeft hij hetzelfde gedaan wat het Nederlandse duo Arling Cameron vijftien jaar geleden met veel succes deed: de muziek schrijven bij niet bestaande films. Spannend, opzwepend, en zo duidelijk geënt op de jaren tachtig dat het soms op een charmante manier ook ronduit gedateerd klinkt, al had het ruim acht minuten durende Obsidian ook op het laatste studioalbum van Pink Floyd kunnen staan. En dat dragende begin van Fallen, ja: het klinkt ergens naar Vangelis en jaren-tachtigicoon Jan Hammer (verantwoordelijk voor de muziek van Miami Vice), maar het is ook spannend en klinkt meteen naar rauwdouwers op de vlucht in de nacht, in decors van vervallen steden. Op andere momenten lijkt hij nog verder terug te gaan in de tijd, richting de jaren zeventig, en laat hij zich hoorbaar inspireren door de muziek die toen in het zuiden van Europa bij vooral makers van horrorfilms populair was. Dat is het mooie van dit album: luister met gesloten ogen en je kunt niet anders dan een parade van postapocalyptische, spannende en horrorfilms voorbij zien trekken, films die stuk voor stuk geregisseerd hadden kunnen zijn door John Carpenter.

In die zin blijkt hij muzikaal net zo stijlvast als filmisch: hij voelt zich thuis in het grensgebied tussen de betere pulp, de onderhuidse spanning en het verval. Het grote verschil met ouder werk dat wél direct gerelateerd was aan een film is de grotere mate van diversiteit. Wanneer je nu de soundtrack van bijvoorbeeld The Fog (een van zijn engste films, uit 1980, met Jamie Lee Curtis) terugluistert, hoor je een verzameling nummers die duidelijk zijn geschreven om de luisteraar de stuipen op het lijf te jagen. De onderhuidse spanning van zijn Lost Themes is aanmerkelijk spaarzamer, en subtieler. Van een nieuwe film zal het overigens niet meer komen; Carpenter kan de lange, vermoeiende draaidagen die horen bij een film maken niet meer aan, heeft hij in interviews verklaard. Het moet heel raar lopen wil niet een deel van de nummers op Lost Themes de komende jaren in het werk van andere regisseurs opduiken.


John Carpenter, Lost Themes