Doodgelachen

Kees Fens
Op weg naar het schavot
cpnb, boekenweekessay, € 2,50

Na lezing van zijn boekenweekessay zou je Kees Fens bijna gelijk geven: humor is een manier om het lot de baas te blijven. En dan vooral het zwaarste lot, dat ons allen wacht. Humor bewijst onze superioriteit in het aangezicht van de dood, al is die superioriteit tijdelijk en wordt de majesteit van de dood er niet door aangetast.
Je vraagt je wel af hoe de dood, op zijn beurt, staande kon blijven in het aangezicht van sommige bijtende ontvangstwoorden. Zoals die van de Cambridge-apostel, dienstweigeraar en homoseksuele avonturier Giles Lytton Strachey, die een welbesteed leven, waarin hij bijna alles ten minste eenmaal had gedaan of meegemaakt, afsloot met de verzuchting: ‘Als dit sterven is, stelt het ook niet veel voor.’

Fens’ blikvernauwing is hem vergeven. Hij is de jongste niet meer en zijn essay is een sierlijk rondedansje met schrijvers, dichters, critici en essayisten die bijna allemaal dood zijn maar nog steeds zijn literaire en imaginaire universum bevolken: Simon Carmiggelt, Wim Kan, de gebroeders Van het Reve. De ironie waarmee zij hun mislukte ambities, hun aftakelende lijven en de naderende dood tegemoet traden, is in zijn ogen de hoogste en meest verfijnde vorm van humor. Maar het echte universum is vele maten groter. En in dat echte universum lachen mensen om de meest uiteenlopende redenen die altijd terug te voeren zijn tot het besef van de futiliteit van elk menselijk streven. De dood moet genoegen nemen met de tweede plaats, achter de futiliteit. Daarom slaan Amerikaanse cartoons van Daffy Duck en Roadrunner wereldwijd aan: de inventiviteit waarmee de figuurtjes hun onvermijdelijke falen willen bezweren en het tegelijkertijd zelf over zich afroepen, appelleert aan alle culturen.

Door te suggereren dat humor een bij uitstek Britse uitvinding is, doet Fens bovendien de rest van de mensheid te kort. Alle volken lachen, al is het maar om die meelijwekkende westerse antropologen die trachten uit te vinden waarom zij lachen. De meesters van het understatement zijn niet de Britten, maar de Chinezen, en wel omdat ze sinds mensenheugenis een peilloze verachting hebben voor domheid. Hun unieke bijdrage aan de folklore is de verwensing: ‘Mogen al Uw wensen uitkomen.’ Dat is superieure spot, niet gericht aan de dood die aan ons lichaam knaagt, maar aan de domheid die het van binnen verteert.

Ja, zelfs Duitsers lachen – Humor ist, wenn man trotzdem lacht. Wie kan Alexander Döblin, Kurt Tucholsky of Walter Kempowski lezen zonder zich af en toe tierisch te verkneukelen? Welk gehoor kan Peter Sloterdijk langer dan vijf minuten aanhoren zonder te brullen van secundaire en tertiaire pret? Ook sterven kunnen we aan deze kant van het Kanaal in stijl. Denk aan de geniale pseudo-bekering van Niccolò Machiavelli op zijn sterfbed. De Florentijn had zoals bekend weinig op met de godsdienst en helemaal niets met de georganiseerde vorm daarvan. Een priester, in allerijl bij zijn doodsbed geroepen, bezwoer hem dat het nog niet te laat was om zich te bekeren tot de ware God: ‘Zweer de duivel af, Niccolò. Zweer de Satan af!’ Waarop Machiavelli met een laatste krachtsinspanning sprak: ‘Eerwaarde, dit is niet het moment om vijanden te maken.’