Vincent van Gogh: de legende

Doodgelopen in een korenveld

125 jaar geleden overleed Vincent van Gogh. Hoezeer het ware leven van de kunstenaar afweek van de mythevorming, zal voor immer de vraag blijven. Hetzelfde geldt de oorzaak van zijn dood.

Medium 5935788952911872

In 1972 had de Amerikaanse zanger Don McLean een aanzienlijke hit, twee weken nummer 1 in Engeland, met Starry Starry Night, een gevoelige meditatie over het leven en het lot van Vincent van Gogh. McLean schilderde daarin Van Goghs liefde voor kleuren (‘Flaming flowers that brightly blaze/ Swirling clouds in violet haze’) maar vooral zijn ongeluk, in het bijzonder het onvermogen zijn diepe gevoelens van liefde over te brengen op de mensen: ‘They would not listen, they did not know how.’ Zelfmoord is dan ook onvermijdelijk: ‘And when no hope was left inside/ On that starry, starry night/ You took your life as lovers often do.’ Je zou hetzelfde kunnen zingen over Kurt Cobain, David Foster Wallace, Virginia Woolf, Robin Williams of Sergei Jesenin – onbegrepen genieën, tomeloos afstormend op de dood.

De zelfmoord is bij McLean de enig denkbare reactie op een krankzinnige wereld, een daad van liefde, een daad van martelaarschap: ‘… you tried to set them free’. Meer dan bij welke kunstenaar ook zijn bij Van Gogh werk, leven, ziekte, miskenning, armoede en dood onverbrekelijk aan elkaar geklonken. In tentoonstellingen en boeken wordt steevast het schilderij Korenveld met kraaien getoond als zijn laatste schilderij, en dus als een suicide note in verf, de uitdrukking van wanhoop en verdriet: een doodlopend weggetje, een sombere onweerslucht, kraaien – in gedachten hoort u het schot. Het wás niet het laatste schilderij, dat was De tuin van Daubigny, een doek zonder kraaien, met een zonnige bloementuin onder een lichtgroene lucht, ‘un banc et 3 chaises, une figure noire à chapeau jaune et sur l’avant plan un chat noir. Ciel vert pâle.’ Zo beschrijft Van Gogh zijn schets, op 23 juli 1890, in een brief waarin hij vraagt om nieuwe verf, zodat hij verder kan. Het is zijn laatste brief aan broer Theo, en het is níet een afscheidsbrief.

Ik hoef u nauwelijks te vertellen dat Van Goghs ziekte en dood tot meters literatuur hebben geleid, meestal geschreven door gepensioneerde artsen. Het staat wel vast – u kunt het in de brieven nalezen – dat Van Gogh niet bepaald gezond leefde. Hij rookte vrijwel permanent, tot op zijn doodsbed toe, hij at slecht, hij vastte soms, hij dronk veel en dan vooral onbetrouwbare goedjes als absint, hij ging vaak naar de hoeren en zal daar best het een en ander hebben opgedaan. Als hij werkte beulde hij zich ongenadig af; als Theo hem schildermateriaal stuurde was hij daar doorgaans in de helft van de tijd al doorheen, en dan vroeg hij vol ongeduld om meer.

Het staat ook wel vast dat de familie Van Gogh een geschiedenis van mogelijk erfelijke nerveuze aandoeningen kende. Zijn ooms Cent en Hein leden eraan, zijn zuster Wil en ook broer Theo. Vincent zou, volgens een kort parcours langs die gepensioneerde artsen online, hebben geleden aan epilepsie, manisch depressieve psychose, zonnesteek, acute intermittent porphyria, loodvergiftiging (hij scheen aan zijn kwasten te zuigen), de ziekte van Ménière, syfilis, thujonvergiftiging (door overmatig absintgebruik), digitalisvergiftiging, hypergraphia en (zeker niet te onderschatten) religieuze wanen. Hij was bij tijd en wijle ook, voeg ik eraan toe, een drammerige, driftige, egocentrische, manipulatieve hufter, die de neiging had met het meubilair te smijten als hij zijn zin niet kreeg.

Om met het einde te beginnen: Vincent van Gogh, sujet Hollandais, stierf in de vroege morgen van 29 juli 1890 in het dorp Auvers-sur-Oise aan de gevolgen van een schotwond. Twee dagen eerder, zondag 27 juli, was hij van een dag schilderen in de omgeving teruggekeerd in de Auberge Ravoux, waar hij een kamer had, maar zonder zijn ezel, zijn schilderkist en zijn doek. Ravoux, de herbergier, hoorde gekreun en ging kijken. Van Gogh lag krimpend van pijn in bed en zei: ‘Je me suis blessé.’ Twee artsen onderzochten de wond. Zij constateerden dat een klein kaliber kogel onder de ribben was binnengedrongen en in de borstkas was blijven steken. Theo van Gogh werd in allerijl uit Parijs opgeroepen. Hij trof zijn broer in bed, rokend, tamelijk monter, maar de situatie verergerde snel.

Op 30 juli werd Vincent in Auvers begraven. Niet op de oude begraafplaats bij de dorpskerk, want de lokale abbé maakte bezwaren: Van Gogh was immers protestant, en dan waren er de geruchten over zelfmoord – geruchten, want van meet af aan waren er vragen over de ware toedracht. De twee artsen vertelden de politie dat het fatale schot was afgevuurd uit een vreemde hoek en ‘van te ver weg’. Het wapen werd nooit gevonden, evenmin als Van Goghs schilderkist en ezel. Enzovoort – het hele geval is opgerakeld door Steven Naifeh en Gregory White Smith in hun baksteendikke biografie uit 2011. De mogelijkheid van een andere toedracht dan zelfmoord voeren zij op in een appendix, niet in de hoofdtekst; daar houden ze het op een zelf toegebrachte verwonding, misschien niet per se met de wil tot doden, maar uiteindelijk fataal. Twee specialisten van het Van Gogh Museum wezen er in The Burlington Magazine op dat Van Gogh in juli wel degelijk zeer depressief was, fysiek zwak, en dat de verhouding met Theo – die net vader was geworden van een huilbaby én voor zichzelf wilde beginnen – onder grote druk stond.

Van Gogh was bij tijd en wijle ook een driftige, manipulatieve hufter die de neiging had met het meubilair te smijten

Soit: het punt is niet of het nou zelfmoord was, dan wel een halfslachtige poging, of juist een ongelukschot van twee opgeschoten dorpsjongens; het punt is dat de zelfmoord van meet af aan een van de hoekstenen is van de legende-Vincent. Het was zelfmoord, maar het kon ook niet iets anders dan zelfmoord zijn – ware dat zo, dan zou de hele carrière heel anders geduid moeten worden, heel anders dan een opstapeling van leed dat geen andere uitweg had anders dan een doodlopende weg in een korenveld.

Hoe anders? Je kunt het misschien ook zo zien: Van Gogh anno 1890 was een man die pas laat had gekozen voor een kunstenaarscarrière, die in 1885 met De aardappeleters een eerste proef had afgelegd, die zich in de vier jaar daarna in hoog tempo had ontwikkeld van een goede amateur zonder formele scholing tot een gedreven student, die in Parijs het spoor een beetje bijster was geraakt (te veel collega’s, te veel opvattingen, te veel drank) maar in het isolement van Arles voor het eerst een duidelijk eigen artistieke competentie bereikte. Die gestage ontwikkeling werd verstoord door een ernstige ziekte, maar vanaf begin 1890 was er sprake van herstel, en ook van enige publieke erkenning. Kortom: voor een kunstenaar die pas een jaar of acht serieus bezig was, lag Van Gogh redelijk op schema.

Er waren allerlei goede aanzetjes. Van Gogh had zich in 1888 aangesloten bij de Société des Artistes Indépendants en zijn werk in hun jaarlijkse tentoonstellingen getoond. In februari en maart 1890 werd zijn werk geëxposeerd in Brussel, door de groep Les Vingt (zes stuks, waaronder twee schilderijen met zonnebloemen), en daar kocht de schilderes Anna Boch een doek, De rode wijngaard, voor vierhonderd franc. Tussen 20 maart en 27 april hingen er tien schilderijen bij de Indépendants in Parijs; volgens Theo van Gogh werd zijn werk daar gezien door schilders als Monet en Signac.

En dan was er Emile Bernard, trouwe vriend, die toen Van Gogh nog in het gesticht in Saint-Rémy zat, brieven liet lezen aan de criticus Albert Aurier, redacteur van Le moderniste, en hem aanmoedigde over zijn werk te schrijven. In januari 1890 gebeurde dat ook, in de Mercure de France, een blad dat in culturele kringen veel werd gelezen. Het was een enthousiast stuk: Les Isolés: Vincent van Gogh. Aurier: ‘Wat zijn werk als geheel karakteriseert is het exces, aan kracht, aan nervositeit, aan het geweld van zijn expressie. (…) Ondanks de soms verwarrende vreemdheid van zijn werk is het voor een onbevooroordeelde kijker met kennis van zaken moeilijk te ontkennen dat deze kunst een naïeve waarheidszin bezit, en een begeesterde visie. In de continue zoektocht naar de essentiële betekenis van elk ding laten duizenden belangrijke details geen twijfel bestaan over zijn diepe en bijna kinderlijke oprechtheid, zijn grote liefde voor de natuur en voor de waarheid – zijn eigen, persoonlijke waarheid.’

De liefde voor ‘de werkelijkheid van de dingen’ was volgens Aurier maar de helft van de verklaring. Van Gogh zag de werkelijkheid – de stof, het materiaal – altijd als drager van een Idee, en in die zin was hij ook een symbolist, schrijft Aurier: ‘Hoe zouden wij anders De zaaier kunnen verklaren, zonder dat te zien als een idée fixe dat door zijn geest spookt over de noodzakelijke komst van een man, een messias, een zaaier van waarheid, die de ellendige kunst van onze tijd nieuw leven zal geven, en misschien zelfs onze imbeciele industriële samenleving?’ Dat alles is volgens mij spot on; Van Gogh zelf was er in elk geval blij mee. Op 6 juli 1890 ontmoette hij zijn pleitbezorger in Parijs, en dezelfde avond ging hij terug naar Auvers, met verse verf in zijn kist. Om er drie weken later een einde aan te maken. Tiens.

Misschien ligt de bron van de wanhoopslegende wel bij dezelfde Emile Bernard. Een paar dagen na de begrafenis schreef hij aan Aurier: ‘Jij bent zijn criticus, dus vergeet hem niet, probeer een paar woorden te schrijven om iedereen te vertellen dat zijn begrafenis een waardige finale was, de bekroning van zijn grote geest en zijn grote talent.’ Naifeh en Smith zeggen het zo: ‘Met Bernards dramatische verhaal over een kunstenaar die tot zelfmoord werd gedreven was iets in de Van Gogh-legende gezaaid wat niet met logica of gebrek aan bewijs viel te ontwortelen.’

Het was zelfmoord, maar het kon ook niets anders zijn – ware dat zo, dan zou de hele carrière anders geduid moeten worden

Het had ook heel anders kunnen lopen, natuurlijk. Na de begrafenis keerde Theo terug naar Parijs, naar zijn vrouw Jo en de krijsende baby. Hij maakte een inventarisatie van alle schilderijen, tekeningen en brieven. Hij schonk een aantal schilderijen aan Dr. Gachet in Auvers en aan andere bezoekers aan de begrafenis. Van de familie toonde niemand interesse. Honderden schilderijen verdwenen zo ‘onder het bed’. Vijf maanden later stierf Theo. Jo van Gogh-Bonger verhuisde met de baby, Vincent Willem, naar Bussum en begon een pension. Haar broer, Andries, raadde haar aan om de hele Van Gogh-collectie van de hand te doen. >

Jo nam echter de taak van haar man over en spande zich tot haar dood in 1925 in voor de verbreiding van Vincents kunst en, vooral, van zijn brieven. Ze zette zich in 1891 aan de redactie daarvan, en in 1914 verscheen het eerste deel. Ze maakte geen haast, ze introduceerde het werk geleidelijk aan in de tentoonstellingszalen en op de markt. Ze vond een medestander in Richard Roland Holst, die de eerste solotentoonstelling in Amsterdam organiseerde, van december 1892 tot februari 1893. In 1893 waren Van Gogh-schilderijen onderdeel van een tentoonstelling van ‘modernisten’ die door Scandinavië en Berlijn reisde, en zo waren er meer. In 1901 organiseerde Galerie Bernheim-Jeune in Parijs een overzicht, en het jaar daarop toonde de Berlijnse handelaar Paul Cassirer een solo in Berlijn. Cassirer en Jo van Gogh-Bonger zouden samen een tijd lang de markt bepalen. De receptie van het werk sloeg al gauw om van agressieve veroordeling tot waardering, en de prijzen stegen navenant. Anna Boch had een jaar na Vincents dood nog een tweede schilderij gekocht, De vlakte van La Crau met een boomgaard van perzikbomen, voor 350 francs. In 1906 verkocht ze beide doeken aan Bernheim-Jeune voor tienduizend francs.

Met het uitlenen van de werken en de uitgave van de brieven wilde Jo van Gogh-Bonger vooral inzicht geven in Van Goghs kunstenaarschap en minder in de donkere kantjes van zijn persoonlijke leven. Eenmaal gepubliceerd werden de brieven inderdaad gewaardeerd om de directe stijl, de openhartige manier waarop de schilder over zijn worsteling en ambities had geschreven, zijn intelligente artistieke analyses, maar toch ook om het treurige verloop van zijn ziekte en geestelijke gezondheid. Tussen 1919 en 1924 verschenen ten minste de vier eerste biografieën; de brieven werden herdrukt in 1924 en 1928, uitgegeven in Duitse, Engelse en Japanse vertalingen. Daarmee droegen ze tegen wil en dank bij aan de ontwikkeling van de legende.

De Britse criticus Roger Fry beschreef Van Gogh in 1924 al als een heilige, slachtoffer van zijn verwoestende spirituele intensiteit, en hij zag de werken als ‘an expression in paint for the desperate violence of his spiritual hunger’. De Nederlandse kunsthistoricus G. Knuttel positioneerde Van Gogh als het spirituele hoogtepunt van de lange ontwikkeling van de schilderkunst in de Nederlanden, een nieuwe Van Eyck. Hij noemt hem ‘een geroepene’ en een ‘Johannes in de woestijn’: ‘Het getuigen, het heilbrengen door zichzelf te geven, het brengen van het hoogste offer, tallooze malen, hetzij in werkelijkheid, hetzij symbolisch, is zijn eigenlijke levensfunctie.’ Aan het begin van de jaren dertig werd door kenners al met zorg geschreven over de cultus die zo rond Van Gogh aan het ontstaan was. A.M. Hammacher, de latere directeur van het Kröller-Müller Museum, publiceerde in 1931 Lusten en onlusten in den cultus van Vincent van Gogh; de zuivere, religieuze betekenis van het werk werd ondergesneeuwd door de romantische legende.

Maar er was geen houden meer aan. Op basis van de uitgave van de brieven schreef Irving Stone de geromantiseerde biografie Lust for Life (1934). Door Stone zou de mythe van de ongelukkige kunstenaar die bij zijn leven wreed miskend werd, die maar één schilderij verkocht, en die tot waanzin, verminking en zelfmoord werd gedreven, definitief wortel schieten. Het boek werd aanvankelijk door zeventien uitgevers afgewezen. De marketeers van uitgeverij Doubleday zeiden: ‘No way. Een boek over een onbekende Nederlandse schilder is volstrekt onverkoopbaar.’ Zij hadden het mis. Het boek is nog altijd in druk; opmerkelijk genoeg verscheen het zonder illustraties: de popularisering van Van Gogh geschiedde dus in eerste instantie door zijn levensverhaal, niet door zijn werken.

Don McLean zou later zeggen dat hij het liedje aan de keukentafel schreef ‘nadat hij een boek over Van Gogh had gelezen’, en dus niet na het zien van Van Goghs schilderijen. Ik gok dat dat boek Lust for Life was, maar misschien bedoelde hij eigenlijk wel de film die er in 1956 naar werd gemaakt, met tweehonderd kleurenfoto’s van de schilderijen en Kirk Douglas als Van Gogh. Hij zette een Van Gogh neer als een bijna Amerikaans type, met een laaiende intensiteit, kinderlijk, eerlijk, fysiek agressief, en met een gedrevenheid die sommigen verklaren uit de toenmalige populariteit van het abstracte expressionisme. Jackson Pollock had kort daarvoor op de cover van Life gestaan, als de grootste nieuwe schilder van Amerika. In Lust for Life zien wij Van Gogh op dezelfde manier smijtend met de materie, worstelend met de verf. En was Pollock niet ook een ruziemaker, een geesteszieke alcoholist, een zelfmoordenaar? Of was het toch een ongeluk?


Beeld I: Vincent van Gogh, De tuin van Daubigny, 1890. Olieverf op doek, 51 cm x 51.2 cm (Van Gogh Museum, Amsterdam / Vincent van Gogh Stichting)

Beeld II: Vincent van Gogh, 23 juli 1980. Brief aan Theo van Gogh met schets van De tuin van Daubigny. Pen in inkt op papier, 17 cm x 21,7 cm x 0,7 mm (Van Gogh Museum, Amsterdam / Vincent van Gogh Stichting)