Wie betaalt de prijs?

Doodgetreiterd door de staat

De zelfmoorden in de Italiaanse middenklasse zijn een niet mis te verstaan protest tegen de zeis van de regering-Monti. Maar niemand lijkt het te willen horen in het land van de ongelijke monniken en kappen. Nu even niet.

Vrijdag 13 april: de sinds een paar maanden ontslagen bedrijfsleider van een marmerfabriek in het Toscaanse Lucca werpt zich onder een goederentrein bij Florence. Hij is 42, getrouwd en heeft een dochter van dertien. Dezelfde dag verhangt een 28-jarige Siciliaanse kweker zich in de kas van het familielandbouwbedrijf in Donnalucata en wordt gevonden door zijn vader. Hij laat een vrouw en twee kinderen achter. In Padua verhangt de eigenaar van een restaurant zich. Hij stuurt nog een paar laatste sms’en aan zijn schuldeisers en aan zijn al maanden niet meer uitbetaalde personeel: ‘Jullie hebben me vermoord met jullie gedram, nu krijgen jullie niets meer, Addio, en zie zelf maar hoe je je redt.’ Op een plein in Vicenza schiet de eigenaar van een schoonheidsinstituut zich door de borst na een gesprek met zijn belastingconsulent. Maar hij telt niet mee, want wordt op het nippertje in het ziekenhuis gered.

En dat was vrijdag de dertiende.

Op 12 april verhangt de 53-jarige eigenaar van een landbouwbedrijf in de buurt van Treviso zich. Op 9 april vergast de 27-jarige eigenaar van een houtverwerkingsbedrijf bij Arezzo zich in zijn eigen auto, in de bossen waar hij zijn hout kapte. Op 5 april verhangt een 52-jarige aannemer uit Savona zich in een appartement in het historisch centrum dat hij op dat moment aan het restaureren is.

Mario Frasacco, de eigenaar van het bedrijf in aluminiumconstructies cpa, is al weer bijna vergeten. Op woensdagmiddag 4 april schiet hij zich door de borst in het kantoortje van zijn bedrijf aan de oostkant van Rome. Niemand had iets aan hem gemerkt. Mario Frasacco (59) was volgens de onlangs ontslagen werknemers van de in zwaar weer verkerende cpa een dijk van een vent. Een keiharde werker, die met zijn aluminium raam-, deur-, rolluik- en tuinconstructies de afgelopen twintig jaar zijn gezin en acht werknemers had weten te onderhouden. Gek met zijn drie kinderen en de twee kleinkinderen, een tweeling van zeventien maanden. Mario’s oudste dochter en moeder van de tweeling Giorgia (33) komt twee avonden later naar het televisieprogramma L’Ultima Parola. Vechtend tegen het brok in haar keel komt ze op voor haar vader: ‘Ik zit hier omdat je bij iedere zelfmoord steeds weer hoort: “Och, misschien was hij depressief. Misschien had hij gokschulden. Misschien was hij aan de drank.” Nou, ik kan u verzekeren dat mijn vader helemaal niet depressief was! Mijn vader is vermoord door de staat, zo simpel is het.’

Sinds begin 2012 hebben minstens 23 Italiaanse kleine ondernemers zich van kant gemaakt. Vanaf 2009 is het aantal economische zelfmoorden toegenomen met veertig procent. Precieze getallen zijn moeilijk te krijgen, vanwege het feit dat Italiaanse families uit schaamte de zelfmoord van hun naaste liefst verzwijgen (met medeplichtigheid van de huisarts en de pastoor), en ook omdat men van hogerhand niet erg happig is om een landelijke optelsom te maken. Het is per slot geen reclame voor de door Europa en het internationale bankwezen zo bejubelde regering-Monti. Soms sijpelt een berichtje door: ‘Sinds begin crisis vijftig zelfmoorden van kleine ondernemers in Veneto.’ Begin crisis vanaf wanneer? En waarom alleen de regio Veneto? De burgemeester van Verona Flavio Tosi zei onlangs: ‘Vijftig is veel te weinig. Ik heb ook geen exacte getallen, maar volgens mijn informatie gaat het alleen al in onze regio Veneto helaas om minstens het dubbele.’

Het was nog onder de regering-Berlusconi dat het monster ‘Equitalia’ is uitgevonden. Dit is het incassobureau van de Italiaanse fiscus, dat van geen enkele communicatie, administratieve fout of persoonlijk verhaal wil weten. Als je een brief van Equitalia krijgt, ben je verloren. Het is betalen binnen zoveel dagen, of je schuld gaat binnen korte tijd zo duizelingwekkend omhoog dat er geen beginnen aan meer is. Zo schijnt Mario Frasacco – van het aluminiumbedrijfje in Rome – een paar maanden geleden een brief van Equitalia te hebben gehad waarin hij werd gesommeerd om per ommegaande vijftigduizend euro voor de afvalverwerking van zijn bedrijf te betalen. Dat geld had hij niet en pogingen om in contact te treden met Equitalia mislukten – precies zoals de bedoeling is – en dus had Mario Frasacco enkele maanden later al een schuld van tweehonderdduizend euro. ‘Dat had hij nog verteld’, aldus barvrouw Danila, bij wie Mario iedere ochtend om zeven uur zijn cappuccino en zijn cornetto kwam nuttigen. Ze is woedend: ‘Equitalia heeft de zoveelste dode op zijn geweten, schrijf dat gerust!’

Op 28 maart ging een Fiat Punto in vlammen op voor het kantoor van Equitalia in Bologna. Met daarin de eigenaar van een ambachtelijk bouwbedrijfje, Giuseppe Campaniello (58), die geen andere manier meer wist om in contact te treden met het incassobureau van de staat. ‘Laat alsjeblieft in ieder geval mijn vrouw met rust’, stond op het briefje dat in zijn zak werd gevonden door de Roemeense jongen die Campaniello brandend uit de auto had getrokken. Tevergeefs, want de man stierf negen dagen later in het ziekenhuis.

De doden worden de regering-Monti in de schoenen geschoven. Althans door diegenen die politiek garen hopen te spinnen bij een situatie waar ze zelf aan hebben bijgedragen. Monti is premier sinds november 2011, en erfde een staatsschuld van tweeduizend miljard euro. Hij moest daar onmiddellijk iets aan doen van Europa, en kwam voorspelbaar uit bij de gebruikelijke groep: zij die niet kunnen duiken. Gepensioneerden, ambtenaren, kleine ondernemers, mensen die zichtbaar zijn op de radar omdat hun doen en laten via het legale betaalcircuit loopt. Belastingen worden almaar verhoogd op kleine pensioentjes, op bedrijfjes, op benzine, op (tweede) huizen, op gas, licht, vuilnis en water. Om de heilige euronormen te halen, wordt bovendien vals gespeeld. De Italiaanse staat heeft een openstaande schuld van zeventig miljard euro bij de kleine ondernemers, familiebedrijfjes en zelfstandigen die de ruggengraat van Italië zijn. Voor die schuld komt Equitalia niet in het geweer.

‘Ik lever aan maar één staatsbedrijf, de ama, de stadsreiniging van Rome’, zegt Erino Colombi, voorzitter van de Bond van Ambachtslieden in Rome. Hij drijft in het dagelijks leven een groothandel in autobanden. ‘Als het meezit, krijg ik na twee, drie jaar betaald. Daar ga je als ondernemer aan kapot.’ De Italiaanse staat als wanbetaler is berucht. ‘Het Italiaanse familie­bedrijf sterft niet aan schulden, maar aan krediet’, zegt Colombi. ‘Krediet bij de staat, die leeft op onze kosten.’

95 procent van de Italiaanse ondernemingen is een familiebedrijf met minder dan tien werknemers. Het gaat in totaal om zes miljoen bedrijfjes. Dat zijn bijna allemaal familievaders die, meestal in het spoor van hun eigen vader, grootvader en ga zo maar door, de traditie hebben voortgezet. Hun belangrijkste taak in het leven is ervoor zorgen dat de kinderen een zekere toekomst in het bedrijf hebben. Als je die mensen kapotmaakt, maak je Italië kapot. Het gaat veel verder dan financiële problemen. Je raakt die mensen in het hart van hun bestaan, hun waardigheid, hun trots. Ze gaan de kinderen niet belasten met hun problemen, want een echte man lost die zelf op. Hij schiet zich liever door het hoofd dan te gaan klagen.

Opvallend aan de stille zelfmoordgolf die nu pas schoorvoetend tot de Italiaanse voorpagina’s begint door te dringen is dat het steeds om voorbeeldige leden van de Italiaanse maatschappij gaat. Hardwerkende familievaders, noeste doordouwers met eigen bedrijfjes, creatieve vertegenwoordigers van het ‘made in Italy’ dat nog altijd een internationale garantie voor kwaliteit is. Kerkgangers en belastingafdragers, solide vertegenwoordigers van de middenklasse zoals iedere regering ze graag heeft. De vlag der natie, letterlijk doodgetreiterd door een labyrint aan regels in een land waar zovelen ze nog aan hun laars kunnen lappen.

Ter illustratie: Italië (zestig miljoen inwoners) heeft 945 parlementariërs à twintigduizend euro per maand plus een vorstelijke berg aan secundaire arbeidsvoorwaarden die door de belastingbetaler moeten worden opgehoest. Los daarvan krijgen de politieke partijen gezamenlijk rond de 180 miljoen belastinggeld per twee jaar, waar ze geen verantwoording voor hoeven af te leggen. Rimborso elettorale (onkostenvergoeding voor de verkiezingen) heet het vaag. Met het parlement alleen ben je er nog niet. Italië is administratief opgedeeld in twintig regio’s en 107 provincies, uiteraard ieder met hun eigen bestuur. Het opheffen van de overbodige provinciale besturen is een item dat al sinds 1970 speelt, toen de regio’s werden geboren. Monti zou dit meteen gaan aanpakken, had hij gezegd. Maar het is weer van de agenda verdwenen.

De belastingontduiking in Italië wordt geschat op 130 miljard euro per jaar. Zwitserland heeft inmiddels bij hoofde van president Eveline Widmer-Schlumpf laten weten dat de Zwitserse banken geen geld uit Italië meer zullen aannemen ‘van onduidelijke herkomst en/of duidelijke belastingontduiking’. Het werd zelfs Zwitserland te gortig, de niet-aflatende stroom Italianen die dagelijks leren koffertjes vol bankbiljetten over de grens tussen Como en Lugano proberen te loodsen.

De corruptie (enveloppen met geld of andere attenties van het bedrijfsleven aan de politiek) kost de Italiaanse staat zo’n zestig miljard per jaar. Niet de beste en de goedkoopste krijgt de klus, maar degene met de beste connecties en de rijkste. Uiteraard worden de enveloppen uiteindelijk driedubbel doorberekend in de staatsopdracht als hij eenmaal is binnengesleept, al weer voor rekening van de belastingbetaler. De zwarte economie wordt berekend op rond de driehonderd miljard per jaar. En dan is er nog de maffia BV, goed voor een jaarlijkse zwarte omzet van rond de 180 miljard (laatste officiële schatting 2008). Het enige wat zeker is, is dat de omzet van de meest succesvolle bv van Italië ieder jaar stijgt.

Al met al is dus sprake van zo’n 670 miljard zwarte euro’s per jaar die door de regering-Monti aan het daglicht gebracht zouden moeten worden. Als hij daarin zou slagen, zou over ruim drie jaar de hele staatsschuld zijn weggewerkt. Moeilijk. Ja zeker. Veel moeilijker dan het opleggen van een boete van 497 miljoen euro aan Microsoft wegens misbruik van zijn monopoliepositie. Dat was Monti’s stoerste daad, als eurocommissaris van Mededinging in 2004, vlak voordat Neeli Kroes hem opvolgde. Maar dat was vanachter zijn veilige bureau in Brussel.

Italië is niet veilig. Niet voor wie probeert orde op zaken te stellen, en niet voor wie de dagelijkse strijd om het bestaan moet voeren. Italië is wel nog altijd veilig voor wie zich boven de wet stelt. Monti begint knarsend vast te lopen en de Italiaanse politieke partijen snappen nog steeds niet dat het vijf óver twaalf is. Ieder voorstel tot inperking van de omvang en het salaris van de politieke klasse stuit op hevige verontwaardiging van hen om wie het gaat. Iemand had voorgesteld om de vermaledijde rimborso elettorale die er weer aan zit te komen in mei dit jaar eens te storten in een fonds voor de kleine ondernemingen. Hevige verontwaardiging.

Morrelen aan de belangen van de grote belastingontduikers, de enveloppenuitdelers en laat staan de maffia is ook niet eenvoudig. Ze hebben allemaal hun vertegenwoordigers in het parlement. En Monti is afhankelijk van het parlement om zijn maatregelen erdoor te krijgen. Zolang het gaat om versoepeld ontslagrecht, verhoogde pensioenleeftijd en liberalisering van de arbeidsmarkt zul je hen hooguit wat horen mopperen. Maar kom niet aan de werkelijke belangen, want dan vliegen de stekkers die eruit getrokken gaan worden en de ‘onacceptabele overschrijding van zijn mandaat’ de interim-premier Monti om de oren. Wie de prijs betaalt, is de middenklasse. Wel belangrijk als kiezers­reservoir, maar niet belangrijk genoeg om andere keuzes te maken.