Doodgewoon

Rian Verhoeven, Een zomerdag in 1942. Uitgeverij Piramide, 96 blz., f29,90
In de nacht van 14 op 15 juli 1942 vertrokken van het Amsterdamse Centraal Station twee treinen met bijna duizend joden. Via Westerbork kwam het transport twee dagen later in Auschwitz aan. De deportaties uit Nederland waren begonnen. In Ondergang zal Presser later schrijven: ‘Stonden zij dan alleen? Hielp niemand, niemand? Daar waren de niet-joodse Nederlanders. Daar was iets van een Nederlandse overheid in Den Haag en een in London. Daar was tenslotte de hele wereld.’

Ook Rian Verhoeven vroeg zich af wat de gewone Amsterdammers deden toen hun stadgenoten werden afgevoerd. Verhoeven is werkzaam bij de Anne Frankstichting. Drie jaar geleden stelde ze met Ruud van der Rol een informatieve, overvloedig geillustreerde uitgave samen over de achtergronden van het dagboek van Anne Frank. Vanaf het moment dat ze in Abel Herzbergs Kroniek der jodenvervolging een passage las over de op het Olympiaplein bijeengedrevenen, die vanaf het sportveld de tennisballen en de Engelse tennistermen heen en weer hoorden vliegen, heeft ze zich toegelegd op een zo precies mogelijke reconstructie van een doorsnee oorlogsdag.
In Een zomerdag in 1942 beschrijft ze de veertiende juli van vijf uur ’s ochtends tot het vertrek van de tweede trein richting Drenthe om half drie ’s nachts. Daarbij baseert ze zich onder andere op de 88 Amsterdamse oorlogsdagboeken uit het bezit van het Riod. Mensen doen moeite om aan eten te komen en speculeren over de op handen zijnde bevrijding. Ze gaan met vakantie naar een pension op de Veluwe of een huisje in Friesland. Het traditionele Zandvoort viel af, omdat het strand door de bezetter was afgesloten. Max Euwe schaakt een toernooi, Ank van der Moer speelt Pygmalion en in Roxy en Alhambra draait Quax de brokken- piloot van Heinz Ruhmann. De entreeprijs voor Artis bedraagt 77 cent voor een volwassene en 52 cent voor een kind, en op de Albert Cuyp vergaapt men zich aan een bloemkooltje van vijfeneenhalve gulden. Het beeld van het dagelijks bestaan wordt ingevuld met details als de theeblaren drogen voor hergebruik, de beddesprei uithalen om sokken te breien en de boter afdekken met een ‘vochtig vingerdoekje’. De auteur rangschikt haar gegevens in hoofdstukken rondom ochtend, middag, avond en nacht. Daardoorheen probeert ze individuele verhalen te ver tellen over de dramatis personae in haar grote verhaal, dat uitmondt in de vernietiging van drie kwart der Nederlandse joden. Ze voert joodse ouders op die hun kind laten onderduiken en een meisje dat weigert zich te melden en haar lotgenoten aanzet hetzelfde te doen. Daartegenover tekent ze een middelbaar echtpaar dat het risico van een onderduikster niet aandurft.
Deze quasi-fictionele onderdelen steken duidelijk af tegen het documentaire karakter van het boekje. Ze zijn stijfjes opgeschreven, maar de schrijfster benut wel de gelegenheid om verschillende standpunten te laten zien. Zelf kiest ze geen uitgesproken positie, maar ze zet de ontwijkende antwoorden bij de vraag om een onderduikadres en het gezagsgetrouwe optreden van Nederlandse politieagenten naast de studenten die kinderen op het platteland wisten onder te brengen. Het materiaal en de feiten zijn niet nieuw, maar de dicht bij het leven van gewone mensen staande ordening plaatst ze in een voor jonge mensen helder licht. Het is jammer dat de schoolse uitgave die toegankelijkheid in de weg staat.