Koude rillingen bij Judith Herzbergs Über Leben

‘Doodgriezelig, de wereld’

Beschaamde lachsalvo’s klinken in het Staatstheater van Neurenberg, waar de trilogie-kroniek van Judith Herzberg over een joodse familie opnieuw wordt gespeeld. ‘Er war völlig unschuldig.’

Medium img 4802

Het kleine zaaltje van Theaterproductiehuis Zeelandia aan de bijna onvindbare Hoogstraat in Middelburg kan ten hoogste een veertigkoppig publiek herbergen. Er staat op de niet al te ruime speelvloer een driezijdige houten bank waarboven ovale dozen zijn opgehangen, witte kistjes met een glazen deksel en daarbinnen een bleekgrijzige corsage. Achterin staat een monumentale sculptuur die stevig is bemost. De vormgeving van Katleen Vinck is zeer aanwezig, zoals geuren dat kunnen zijn wanneer de nabijheid van de dood zich opdringt.

Gespeeld wordt hier een bijna dertig jaar jonge toneeltekst van Judith Herzberg, En/Of uit 1985, destijds geschreven voor Toneelgroep Baal, regisseur Leonard Frank en vier spelers. De dertig scènes tussen een man, zijn vrouw, zijn minnares (misschien de jongere zus van de echtgenote) en een zwijgende jongen behandelen een driehoeksrelatie in opdringerig vrolijke pasteltinten. Er lijkt een soort onuitgesproken afspraak te bestaan dat men hier niet jaloers is. Dus ook niet trouw of ontrouw, wel altijd lief en zorgzaam. En soms een tikje ruw in de omgang, als het zo uitkomt.

Het drietal herinnert zich wel degelijk de gelukkige feiten (uitstapjes, liefdesbrieven) en de verdrietige voorvallen (ongeluk, plotse dood), maar de vreugde over het geluk en het verdriet om het ongeluk blijft achterwege. De personages lijken zich het bestaan van dergelijke concrete emoties niet meer te kunnen herinneren. De zwijgende zoon pleegde op zijn dertiende zelfmoord. Hij hangt nog rond in de kamer van zijn moeder. Maar, zo schrijft Judith Herzberg in de regieaanwijzingen, ‘op een gezellige manier, zoals iedereen wenst dat overleden geliefden er tóch bij konden zijn’.

Het joch heet Augustus. In de Zeeuwse voorstelling (regie: Ilmer Rozendaal) is hij niet in persoon aanwezig. Hij lijkt af en toe fysiek bezit te nemen van een van de drie wel aanwezige figuren, in een stuip of in een kramp, of in een huilbui of in een onhandig dansje op een wonderlijk ver muziekje. Een soort spook is de dode Augustus hier, dat af en toe een lampje aan doet. Hij kan ook toveren. Opeens is er dan bijvoorbeeld wijn. Of een lekker hapje als iemand trek heeft. Een van de vrouwen valt voordurend, krijgt ook nare ongelukken en belandt steeds verder in enorme gipsen omhulsels. Als ze ligt te rusten en de haar bezoekende man en zijn vriendin hebben enorme zin om te neuken, dan wordt de gewonde vrouw eenvoudigweg uit haar bed gestoten om ruimte te maken voor een vrijpartij.

Afgelopen zondag, tijdens een openbaar interview ter gelegenheid van de heruitgave van haar toneeltekst Kras, verklaarde Judith Herzberg het verzinnen van dergelijke absurditeiten een aangename bijvangst te vinden van het schrijven van toneel, waarin het creëren van ogenschijnlijk onmogelijke situaties en onoplosbare problemen voor toneelspelers voor de auteur de grootste voorpret oplevert.

De orthodox joods levende Pien met haar kinderrijke eenoudergezin is als de dood dat een van haar kinderen iets overkomt. Ze spreekt daarover met de godmother van de familie, Ada, in het tweede deel van Herzbergs familie-epos, Rijgdraad. Er ontspint zich de volgende dialoog.

Ada: Dat merken ze toch ook! Die angst. Die angst dat ze iets overkomt geef je juist door met al dat ‘veilige’. stilte Dat heb ik zelf ook helemaal verkeerd gedaan.

Pien: Met wie?

Ada: Met iedereen. Met mezelf. Angstig vastklampen.

Pien: Dat vind ik helemaal niet gek. Het is toch allemaal doodgriezelig. De wereld.

Ada: De wéreld nog wel. Weet je, als ik hier zo voor het raam zit, heb ik een schitterend zicht op mijn geheugen.

Pien: Op je geheugen? Bedoel je je herinneringen?

Ada: Nee, ik bedoel wat ik zég.

Pien: Dan kan ik je niet volgen.

Ada: Nee. Jammer.

Een paar minuten later is Ada dood. Iets met een hartklep. Niks trauma of iets heftigs als late echo van de kampen. ‘Gewoon’ een natuurlijke doodsoorzaak. Op het diepe achtertoneel van het Staatstheater Nürnberg, waar de trilogie Leedvermaak – Rijgdraad – Simon (hier Leas Hochzeit – Heftgarn – Simon) op één lange toneelavond onlangs in première ging, zwerft vlak na Ada’s dood de onderduikmoeder Riet en ze zingt een prachtig lied (Jiddisch? Balkan?). Kaddisj voor Ada. Het is een van de talloze voorbeelden van de zorgvuldig opgebouwde sfeer in deze enscenering van Hausherr Klaus Kusenberg, vormgever Günter Hellweg en de bedenker van de muziek, Bettina Ostermeier. Er wordt gebruik gemaakt van dezelfde bewerking die drie jaar geleden is gemaakt voor het Deutsches Theater in Berlijn. Verzameltitel: Über Leben. Maar al te grove bekortingen zijn hier hersteld. De vormgeving is strakker. De manier van vertellen minder rommelig. De personenregie voor deze lange, volle avond is sterk. Van het 26 toneelspelers tellende ensemble zijn zeventien vaste krachten ingezet om deze marathon (vier uur toneel, twee pauzes) hier tot minimaal de komende zomer op het repertoire te houden.

Het is na Berlijn (2011) de tweede keer dat er in het Duitse taalgebied een serieuze poging wordt gedaan om deze Amsterdams-joodse familie-sage op het toneel te brengen, iets wat in Nederland überhaupt nog nooit is geprobeerd. Van die twee Duitse ensceneringen is dit beslist de betere regie. Leedvermaak (ook hier zonder de oorspronkelijke muziek en de ‘koor’-teksten en zonder de geheimzinnige joodse zwerver annex dibboek Daniël) is hier in Neurenberg beduidend minder houtenklazerig geregisseerd dan op het grote, met sloophout volgebouwde draaitoneel van het Berlijnse Deutsches Theater (regie: Stephan Kimmig). Slim en effectief zijn hier de scènes van het bruiloftsfeest door en langs elkaar gesneden. Sterk zijn meteen in dit openingsdeel de van oorsprong Turkse, frêle Renan Demirkan in de rol van Ada en de fladderige actrice Nicola Lembach als een sterke Lea.

Man: Maar begrijp je het? Want dat is wat ik wil. Vrouw 1: Als jij het wilt, begrijp ik het. Maar of ik het begrijp?

Wat hier in Neurenberg hetzelfde is als in Berlijn drie jaar terug: de gretigheid waarmee de toneelspelers de teksten van Judith Herzberg inademen en uitwasemen. Het is goed speelmateriaal. Cruciaal testmoment ook hier de eerste grote scène van Riet. Riet is de onderduikmoeder van Lea. Ze staat in het grote verhaal van deze joodse familie voor de buitenstaander, de nuchtere poldermoed van anonieme Nederlanders die na de oorlog vooral geen lintje wilden wegens betoonde heldenmoed. Riet is een mondvol argeloze vertellingen, verhalen die af en toe op het randje van onschuldig antisemitisme balanceren. Op het bruiloftsfeest van haar onderduikkind herinnert Riet zich plotseling een Franse film met een man van wie ze denken dat hij jood is.

Riet: ‘Is-ie niet, maar dat kan hij niet bewijzen. Op het laatst pakken ze ’m toch en dan verdwijnt hij, dan wordt hij samen met al die joden tóch op transport gesteld. En hij wás helemaal geen jood, hij was totaal onschuldig.’ De Kriegsmutter wordt hier gespeeld door Elke Wollmann, de tengerste Riet die ik ooit zag, en ze plaatst de sleutelzin (‘Aber der Mann war überhaupt kein Jude, er war völlig unschuldig’) met ongeëvenaarde scherpte. En ze oogst meteen dat lichtelijk beschaamde lachsalvo, door een Berlijnse criticus drie jaar terug omschreven als ‘de lach met de koude rilling, die je vaak hoort bij de teksten van de Hongaars-joodse schrijver George Tabori’. Simon maakt de scène rond met ‘Riet hat ein Herz aus Gold.’ In de eerste pauze beginnen Neurenbergse dames met frivole kleurspoelingen bij Judith Herzberg te informeren naar het autobiografische karakter van de scénes. De auteur ondergaat het spervuur van de bekende vragen met een lichte huiver en nogal (op)gelaten.

Het decor van de Neurenbergse enscenering van Über Leben – een massieve woonruimte met erkers, trappen, platforms en een reusachtig achterhuis – speelt een bijzondere rol in het tweede deel van de trilogie, Rijgdraad, waar de ‘derde generatie’ zich voorzichtig begint aan te dienen en waarin overspel, bedrog en halve leugens zich opdringen. De dode Ada blijft hier spoken in hetzelfde simpele kostschooljurkje dat ze in het eerste deel draagt. Het verleent de dialogen tussen Lea en haar dode moeder een bijzonder melancholische charme.

Zonder meer het best geslaagd hier is het derde deel, Simon, waarin het vraagstuk van euthanasie vrij expliciet aan de orde komt. Simon ‘verdwijnt’ na zijn coma op een gegeven moment van het toneel. De gesprekken over en met hem worden gevoerd aan een leeggeruimd bed. De prachtige bijna-slotscène aan het sterfbed van Simon, zich afspelend tussen Lea en loodgieter Kluiters (in Berlijn in haar geheel geschrapt) is hier weer in ere hersteld. Het is een fraai voorbeeld van de eenvoud van Judith Herzbergs sterke toneelpoëzie.

De diverse protagonisten in Über Leben mompelen zichzelf en elkaar regelmatig mopperig toe: ‘Dat is ook wat moois.’ Grappig genoeg is dat in Neurenberg consequent vertaald in ‘auch was schönes’, wat letterlijk wel klopt maar volgens mij geen staande uitdrukking is in het Duits. Zo danst deze grote familiekroniek ook zachtjes rond in het niemandsland tussen de talen. In Zeeland walsen de antagonisten uit de kleine familiekroniek En/Of een beetje triest rondom de onverbiddelijke patstelling van het hartverscheurende relatieconflict. Immers, de vriendin vindt alles best. Maar de echtgenote wil graag benoembare trouw en geluk binnen de relatie. Daar is een soort wilskracht voor nodig. En die wilskracht heeft de man – een geboren en getogen opportunist – nooit gehad of al lang niet meer binnen handbereik.

Man: Ik zeg: ik wil dat je het goed begrijpt.

Vrouw 1: Jij wilt dat ik het goed begrijp.

Man: Ja, dat zeg ik.

Vrouw 1: Wat dan schat?

Man: Dat je goed begrijpt wat ik bedoel, dat wil ik.

Vrouw 1: Dat ik goed begrijp wat jij bedoelt, dat wil je.

Man: Nee, ik wil, ach je begrijpt wel wat ik bedoel.

Vrouw 1: Omdat jij het wilt, lieveling.

Man: Maar begrijp je het? Want dat is wat ik wil.

Vrouw 1: Als jij het wilt, begrijp ik het. Maar of ik het begrijp? Ik weet het niet. Ik vind het moeilijk om m’n hoofd erbij te houden. Waarbij ook weer?

Zo holt de conversatie tussen Julia van de Graaff, Sjaan Duinhoven en Daan van Dijsseldonk in rondjes die tekstueel door Herzberg zo aan elkaar zijn geschakeld en gerangschikt dat de toeschouwer/luisteraar steeds net denkt de vinger te kunnen leggen op waar het in de kern over gaat, als het toch weer net iets anders blijkt te liggen. Zowel in Über Leben als in En/Of mislukt iedere vorm van duiding van meet af aan. Dat maakt deze retorische stukken zo aantrekkelijk om te spelen. En om naar te kijken.


En/Of van Judith Herzberg, t/m 23 maart in Middelburg, t/m 12 april op tournee, Theater Zeelandia.

Über Leben t/m 25 juli, Staatstheater Nürnberg.

Beeld: Het ensemble van Staatstheater Nürnberg in Über Leben (Marion Bührle/Staatstheater Nürnberg).