Essay Mediarevoluties als democratisch ideaal

Doodlopende vuurtjes

Moderne media als Facebook en Twitter spelen een rol in het politieke proces in landen die niet of nauwelijks democratisch zijn. Maar dat zegt minder dan het lijkt. Een plein vol mensen maakt nog geen politiek systeem.

OP WOENSDAG 15 DECEMBER 2010 - om enkele minuten over vijf ’s middags publiceerde de 26-jarige Tunesische groenteman Mohamed Bouazizi een met name voor zijn moeder bestemd bericht op Facebook. Daarin vertelde hij dat hij op reis ging en niet meer terugkwam, dat verwijten zinloos waren, dat de schuld niet bij hem lag maar bij ‘deze tijd van verraad’, dat hij niet huilde want vastbesloten was en, tot slot, dat hij hoopte dat 'degene die de reis leidde’ in staat was te vergeten.
Het bericht was de uitkomst van een escalatie waarin waarheid en legende moeilijk van elkaar te onderscheiden zijn.
Hoe dan ook, vast staat dat Bouazizi woonde en werkte in een kleine stad in Midden-Tunesië en zijn moeder, oom en jongere broers en zusters in leven hield met de verkoop van fruit en groente. Maar in december 2010 ging het fout - niet voor het eerst, wel voor het laatst. Bouazizi had namelijk regelmatig ruzie met de lokale politie over zijn vergunning. Zo ook op de tiende van die decembermaand. Voor de zoveelste keer werd hij door de politie aangepakt, maar deze keer was voor zijn gevoel de maat vol. Bouazizi begaf zich naar het hoogste gezag ter plaatse, kreeg nul op het rekest, dreigde zichzelf in brand te steken, kreeg nog steeds geen reactie en voerde zijn bedreiging vervolgens uit - na op Facebook afscheid te hebben genomen.
Bouazizi stierf niet meteen maar raakte in een coma die meer dan twee weken duurde. In die periode groeide er een hype rond zijn persoon. Die ging zo ver dat zelfs de Tunesische president zich verplicht voelde de man in het ziekenhuis op te zoeken. Het was een van zijn laatste politieke daden. Op 4 januari 2011 stierf Bouazizi. Zijn begrafenis werd door duizenden mensen bijgewoond en leidde in heel Tunesië tot protest. Dat liep zo hoog op dat president Ben Ali het land ontvluchtte. Hiermee kwam geen eind aan het protest, integendeel. De gebeurtenissen in Tunesië brachten de kettingreactie tot stand die bekendstaat als de Arabische lente. In deze 'lente’ vielen dictators, braken burgeroorlogen uit, klonk zowel democratisch als fundamentalistisch geluid, ontstond chaos maar werd ook opgeruimd en opnieuw begonnen.
Met dit alles onderscheidt de Arabische lente zich nauwelijks van andere opstanden uit heden en verleden. Dat doet zij echter wel, aldus een in het afgelopen jaar veelgehoord verhaal, doordat moderne media als blogs, Google, Facebook, Twitter en YouTube bij de ontwikkelingen een doorslaggevende rol speelden. 'We use Facebook to schedule the protests, Twitter to coordinate, and YouTube to tell the world’, twitterde een van de Egyptische opstandelingen in februari 2011. 'Facebook against every unjust…’ (de rest is niet te lezen) stond op een spandoek dat door een Egyptische rebel omhoog werd gehouden. Een ander droeg een bord met daarop slechts de logo’s van Google, Twitter en Facebook. Op hetzelfde moment groeide Wael Ghonim, werknemer van Google, uit tot een van de helden van de Egyptische opstand - onder de titel Revolution 2.0 publiceert hij deze week zijn herinneringen. En dit zijn nog maar een paar voorbeelden uit niet meer dan één land.
In andere Arabische landen zouden dezelfde media in meer of mindere mate een vergelijkbare rol spelen of gespeeld hebben. Maar ook hiermee is nog niet alles gezegd, want de successen in de Arabische wereld inspireerden velen elders in de wereld - onder meer Chinezen, Birmezen, Iraniërs, Cubanen -, met als gevolg dat de regeringen van die landen vreesden voor het sneeuwbaleffect en het internettoezicht verscherpten. Ondertussen verschenen in de westerse wereld steeds meer berichten over de rol van (sociale) media in het democratiseringsproces. De centrale gedachte achter deze berichten was dat krachtige media en democratie in elkaars verlengde lagen, oftewel dat het zonder moderne media in de Arabische wereld zo ver niet gekomen zou zijn.
Deze gedachte werd gestaafd met een waaier aan feiten en een overdosis aan statistieken - deze laatste veelal afkomstig van de (westerse) bedrijven die aan de knoppen van diezelfde sociale media zaten. Zo werd in Tunesië tussen eind november 2010 en half januari 2011 een snelle stijging van het aantal Facebook-gebruikers waargenomen. Vooral op en vanaf 5 januari, de dag na de dood van Bouazizi, was de toename opmerkelijk. Hetzelfde kan gezegd worden van Tunesische blogs die zich voor revolutie inzetten, Nawaat bijvoorbeeld. Terwijl het in oktober 2010 nog maar een handvol volgers had (welhaast zeker uitsluitend mensen van buiten Tunesië), nam dat aantal vanaf half december razendsnel toe, naar vijfduizend op 14 januari, achtduizend op 26 januari en tienduizend begin februari. Pas half april stabiliseerde de groei.
'Het waren niet de digitale media die Moebarak verdreven’, schreef Philip N. Howard op 16 februari 2011 op een blog van Reuters. Nog geen half jaar eerder had hij het boek The Digital Origins of Dictatorship and Democracy gepubliceerd, met als ondertitel Information Technology and Political Islam. Nu zag hij zijn analyse bevestigd. 'Maar’, zo vervolgde hij, 'zij [die sociale media] zorgden er wel voor dat hartenkreten voor vrijheid als een lopend vuurtje door Noord-Afrika en het Midden-Oosten gingen.’
Anderen waren minder voorzichtig en verkondigden kortweg dat de sociale media de Arabische wereld ondersteboven keerden. Zo The New York Times. Al op 13 februari 2011 kopte deze dat de Arabische geschiedenis een keerpunt kende vanwege een Tunesisch-Egyptische digitale verbinding, Facebook in dit geval. Kortom, politieke strijd zou niet langer een kwestie zijn van wapens, letterlijke kracht dus. Figuurlijke kracht - media, communicatie, beïnvloeding, in het bijzonder via moderne of sociale media - zou eveneens en zelfs van meer betekenis zijn. Het was de opmaat van een enorme reeks artikelen, boeken en boekjes, congressen en debatten die vanaf het voorjaar van 2011 verschenen en/of aangekondigd werden. De teneur ervan was telkens dezelfde: mede dankzij de (moderne) media verandert de wereld; onvermijdelijk gaat hij richting democratie.

DE GEDACHTE DAT MEDIA een cruciale rol spelen bij maatschappelijke verandering dateert niet van vandaag of gisteren. Wel zou je kunnen zeggen dat we in de afgelopen jaren met - in deze volgorde - het internet, de sociale media en een aantal spraakmakende gebeurtenissen met als sluitstuk de Arabische lente een nieuwe fase zijn ingegaan. De wortels ervan gaan echter op z'n minst een half millennium terug. In dat verband wordt altijd weer het boek genoemd dat Elizabeth Eisenstein in 1979 publiceerde: The Printing Press As an Agent of Change - niet verwonderlijk dat het sinds kort meer populariteit geniet dan ooit. Hierin beweerde de Amerikaanse historica dat de boekdrukkunst een cruciale rol speelde in 'the shaping of the modern mind’, in het bijzonder de Renaissance, de Reformatie en de opkomst van het wetenschappelijk denken.
Op politiek gebied duurde het wat langer tot dezelfde 'mediatechnologie’ veranderingen met zich meebracht, maar op z'n laatst in de achttiende eeuw was het toch zo ver. In beide grote politieke omwentelingen van die eeuw, de Franse Revolutie en de Amerikaanse onafhankelijkheidsstrijd, speelde het gedrukte woord een doorslaggevende rol. Hoe die rol tot stand kwam en hoe groot hij was, is tot op de dag van vandaag onderwerp van debat - veelal gevoerd in het verlengde van het boek dat Jürgen Habermas in 1962 schreef over het ontstaan van een moderne publieke sfeer. Maar het feit op zich wordt zelden betwijfeld: op z'n laatst sinds het eind van de achttiende eeuw zijn de media (lees voorlopig: het gedrukte woord) een macht om rekening mee te houden. Vandaar dat de kwalificatie 'vierde macht’ uit diezelfde periode dateert.
Toch duurde het nog zo'n anderhalve eeuw, tot de jaren zestig van de twintigste eeuw, dat het alom doordrong dat media daadwerkelijk politieke potentie bezaten. De reden hiervan is een dubbele. Om te beginnen is er de enorme populariteit, niet in de laatste plaats veroorzaakt door de opkomst van radio en, belangrijker, televisie. Opeens waren de media overal, op elk moment, in elke huiskamer, voortdurend. Bovendien waren ze voor iedereen begrijpelijk. Je hoefde er niet eens meer voor te (kunnen) lezen: kijken en luisteren volstond.
Het is onmiskenbaar dat deze alomtegenwoordigheid in veel gevallen de bestaande verhoudingen bevestigde - vandaar het toenmalige debat over de zogenoemde bewustzijnsindustrie. Maar hiermee is toch slechts een deel van het verhaal verteld. Want er was tegelijkertijd een gezagsondermijnende kant aan de massamedia en die was gevolg van het feit - reden twee van hun macht - dat de populariteit ervan gelijk viel met een welhaast alomtegenwoordige maatschappelijke doorbraak, veelal aangegeven met kreten als democratisering, emancipatie, individualisering en secularisering. Tal van schotten werden hierdoor geslecht en de samenleving werd, althans in het Westen, in toenemende mate horizontaal. Gevolg hiervan was dat het machthebbers steeds moeilijker viel ongestoord hun wil door te zetten. Ze werden uitgedaagd, ondervraagd, op de hielen gezeten. De verreweg belangrijkste speler in dit politieke duw- en trekspel waren de media.
Vandaar, aldus het nogal eens overdreven maar tegelijkertijd niet geheel onjuiste verhaal, dat de Verenigde Staten de Vietnamoorlog niet ter plekke maar thuis (van de televisiecamera’s) verloren en dat het de pers was die Nixon ten val bracht. In Nederland gebeurde op kleine schaal hetzelfde. De Volkskrant, Vrij Nederland, De Groene Amsterdammer en een televisierubriek als Achter het nieuws bleken keer op keer in staat het de politiek behoorlijk lastig te maken. Kortom, terwijl de voormannen van zuil, politiek en bedrijfsleven tot diep in de jaren zestig min of meer ongestoord hun gang konden gaan, moesten zij vanaf dat moment steeds meer rekening houden met de publieke stem, in negen van de tien gevallen verwoord door de media.
In de laatste tien, vijftien jaar van de twintigste eeuw nam de maatschappelijke betekenis van de media nog verder toe. Veelal wordt die groei beschreven met verwijzing naar enerzijds de betekenis van de samizdat-literatuur voor de val van het communisme, en anderzijds het zogenoemde CNN-effect oftewel het feit dat een televisiestation een cruciale speler werd in de internationale politiek. Net als bij de analyse van de gebeurtenissen rond Vietnam en Watergate is ook in deze veel overdrijving in het spel, maar onjuist zijn de constateringen zeker niet: als de media al niet eerder uitgegroeid waren tot een zoveelste macht in het maatschappelijk spel, dan gebeurde dat eind twintigste eeuw wel.
En precies op dat moment begon de wereldwijde communicatierevolutie waar wij op dit moment middenin zitten en waarin alle tendensen uit voorgaande tijden door nieuwe technologieën worden versterkt. Zo beschikt bijna iedereen opeens over de middelen om openbaar te gaan. Kostbare drukpersen, dure camera’s, hoge zendmasten en andere ingewikkeldheden zijn niet meer nodig. De publieke sfeer die zich in de loop van tweehonderd jaar al sterk had uitgebreid, is als bij toverslag van iedereen. De grens tussen media en publiek vervaagt. Een blog, filmpje, Twitter- of sms-bericht van een willekeurig persoon kan binnen enkele dagen de wereld veroveren.
De gevolgen van deze communicatierevolutie zijn al een jaar of tien zichtbaar. Zo haalde presidentskandidaat John McCain in het jaar 2000 via internet binnen 24 uur vijfhonderdduizend dollar op. Bijna tegelijkertijd bouwden de Amerikaanse Republikeinen in slechts iets meer tijd een online database van zo'n zevenhonderdduizend namen. In de jaren die volgden werden in de Verenigde Staten en elders via internet tal van andere en vaak nog spectaculairdere successen behaald. Het hoogtepunt werd bereikt in 2008 toen tijdens de campagne voor Barack Obama Politics 2.0 een gevleugelde term werd. Al is net als bij dat CNN-effect de betekenis van deze uitdrukking vaag, de suggestie ervan is des te duidelijker. Om het te zeggen met de titel van het boek van een van de meest spraakmakende figuren uit Obama’s (nieuwe)media-team, Rahaf Harfoush: Yes We Did. Ze bedoelt: het waren de sociale media die een Obama-brand bouwden.
Maar de invloed van internet en moderne media beperkte zich niet tot verkiezingen en campagnes. Ook structureel werd het politieke spel erdoor beïnvloed. Internet verkleint immers de afstand tussen politici en burgers, vereenvoudigt de politieke participatie evenals de politieke organisatie, verbetert de informatie en maakt directe raadpleging mogelijk. Met enige Franse slagen zou je kunnen beweren dat het ons terugbrengt bij een situatie zoals die ook in het oude Athene, de bakermat van de democratie, heeft bestaan, met dien verstande dat de getallen en verhoudingen het duizendvoudige van de toenmalige zijn: 'iedereen’ kan deelnemen.

EEN VAN DE EERSTEN buiten de westerse wereld die dit ervoer was de Filipijnse president Joseph Estrada. Hij verloor in 2001 zijn macht aan een zogenoemde smart mob, een razendsnel, via nieuwe media ontstaan netwerk zonder hiërarchie maar met grote politieke kracht. Hetzelfde maar dan omgekeerd gebeurde het jaar daarop in Zuid-Korea waar Roh Moo-hyun dankzij sms en internet op verrassende wijze de verkiezingen won. Enkele jaren later speelden de moderne media een rol tijdens de Oranje Revolutie in Oekraïne, zo ook in 2005 tijdens de Cederrevolutie in Libanon, in hetzelfde jaar in Koeweit en twee jaar later, in mei 2007, in Venezuela. In het laatste geval werden ze ingezet bij het verzet van studenten tegen de sluiting van Radio Caracas TV.
Spoedig hierop trokken de gebeurtenissen in Myanmar (Birma) de aandacht en kreeg het internet gedurende korte tijd zelfs de faam de meest scherpe dictaturen omver te kunnen werpen. In de jaren die volgden, met als hoogtepunt de zogenoemde Twitter-revoluties in Moldavië en Iran in 2009, werd deze faam nogmaals versterkt, tot als klap op de vuurpijl in 2011 zelfs de als oerconservatief beschouwde Arabische wereld mede dankzij de moderne media een revolutie leek te ondergaan.

ONDERTUSSEN liggen de revolutionaire omwentelingen in Tunesië en Egypte een jaar achter ons en weten zelfs de meest verstokte optimisten wat de sceptici al die tijd al wisten: dat het gejubel over zogenoemde mediarevoluties veel zegt over de politieke idealen van een deel van de niet-westerse bevolking, veel ook over westerse beeldvorming, maar veel minder over de maatschappelijke werkelijkheid in de samenlevingen waarop dat gejubel betrekking heeft. Dit was in het verleden al herhaaldelijk gebleken maar, zoals gebruikelijk, vergeten.
Een goed voorbeeld is de actie van een aantal in de Verenigde Staten wonende Chinese studenten naar aanleiding van de slachting op het Plein van de Hemelse Vrede, juni 1989. Zij stuurden faxberichten naar universiteiten, regeringsgebouwen, ziekenhuizen en bedrijven in heel de wereld, ook naar China zelf, en deden daarmee de gedachte ontstaan dat de Chinese overheid vanwege moderne media meer moeite had met de oppositie dan ooit. Vandaar dat Time destijds van 'Fax against Fictions’ sprak en het Franse tijdschrift Actuel zelfs een speciaal nummer uitbracht met daarin duizenden Chinese faxnummers en de oproep deze te bestoken met ooggetuigenverslagen. Deze fax-blitz werd door zo'n vijftien tijdschriften uit Europa, Latijns-Amerika en de Verenigde Staten overgenomen.
'Dankzij directe telefoonlijnen werd het mogelijk de Grote Leugen van de staatstelevisie te vervangen door de waarheid van de fax’, schreven enkele in de Verenigde Staten wonende Chinezen in een verslag. Tallozen hebben hen sindsdien nagesproken, met als gevolg dat het Chinese faxgebruik in 1989 onder meer tijdens de Twitter-opstanden in Moldavië en Iran in 2009 opnieuw ter sprake kwam en de Amerikaanse columnist Andrew Leonard ertoe verleidde de fax kortweg 'China’s Twitter’ te noemen.
Het is aantoonbaar overdreven, om niet te zeggen onjuist. Cijfers, hoe aanvechtbaar wellicht ook, laten daarover geen misverstand bestaan. In 1970 beschikten drie op de duizend Chinezen over een telefoon, in 1985 waren dat er zes, in 1989 tien. In eerstgenoemd jaar stonden er in heel China nog maar zeventig faxapparaten, in 1985 waren dat er 1266, in 1989 2600. Volgens dezelfde bron waaruit deze cijfers afkomstig zijn, het Chinees statistisch jaarboek, werden er in laatstgenoemd jaar iets meer dan 241.000 faxen verstuurd. In 1985 was dat de helft daarvan. Het is natuurlijk mogelijk dat deze cijfers niet kloppen. Ze zijn officieel, wellicht gemanipuleerd en hebben vanzelfsprekend alleen betrekking op hetgeen de onderzoekers konden weten - van illegale faxapparaten hadden zij per definitie geen weet en indien wel, dan zullen ze die niet in de statistiek verwerkt hebben. Tegelijkertijd is het onwaarschijnlijk dat er in China een groot aantal illegaal werkende faxen stond. Zo'n apparaat aanschaffen ging niet zomaar. De verkoop was, zoals die van zo goed als alles in het toenmalige China, gereguleerd. Een faxapparaat was, zeker voor de Chinese portemonnee, duur. Verder was een apparaat alleen niet genoeg: er was ook een telefoonlijn nodig. En tot slot kon die lijn gecontroleerd worden. Vier redenen dus waarom het faxgebruik in het China van 1989 welhaast zeker zeer laag was.
Waarom dan toch dat verhaal over de belangrijke rol van het apparaat tijdens de Tiananmen-opstand? Hoewel een sluitend antwoord op deze vraag bij gebrek aan informatie niet te geven is, is het wel mogelijk te zeggen van wie de bestaande informatie afkomstig is. Het zal niet verbazen: westerse bronnen. Zij waren de eerste die berichtten over de rol van de fax in de Chinese opstand en, belangrijker nog, zij zijn het die de berichten sindsdien herhaald hebben. 'Het is een mooi verhaal’, zegt een man die destijds als correspondent van United Press International in China werkte, nadien actief werd in de Chinese ondergrondjournalistiek en het land om die reden in 2000 halsoverkop moest verlaten, Scott Savitt - ik sprak hem enkele maanden geleden via Skype. Volgens hem is de zogenaamde faxrevolutie zelfs nog minder waar dan de sceptici beweren. Er was volgens hem eerder sprake van bemoeienis van de CIA en andere buitenlandse belanghebbenden dan van werkelijke faxactiviteit door Chinese opstandelingen zelf. Dit neemt niet weg dat er her en der wel faxberichten doordrongen, zo bevestigt ook Savitt, ze werden opgehangen door westerse journalisten en enkele anderen. Maar zowel het aantal als de invloed ervan wordt schromelijk overschat. 'De fax toonde wellicht wat in de toekomst mogelijk leek, niet wat anno 1989 haalbaar was.’
Een vergelijkbare relativering geldt de rol van blogs en andere moderne media in het Birma van 2007. Ook daarover werd destijds uitvoerig bericht. Zo meldde de Volkskrant op 26 september van genoemd jaar dat de Birmese overheid het vanwege de moderne media veel moeilijker had dan bij eerdere volksopstanden. 'Chatsessies en weblogs ondermijnen onvrije regimes’, kopte NRC Handelsblad en citeerde een woordvoerder van Reporters sans Frontières. 'Dat de foto’s, video’s en ooggetuigenverslagen desondanks binnensijpelen op de talloze weblogs, komt doordat de repressie in Birma alles behalve waterdicht is, en bloggers het regime telkens een stapje voor zijn.’ Talloze artikelen van vergelijkbare strekking in de media van zo goed als heel de wereld leidden tot de veronderstelling dat er in Birma dankzij het internet in het algemeen en de bloggers in het bijzonder een doorbraak op stapel stond.
Bij nader inzien moeten ook hierbij grote vraagtekens worden gezet. Eén jaar voordat de opstanden uitbraken beschikten hoogstens vijf op de duizend Birmezen over een internetaansluiting. Zo'n aansluiting was bovendien slecht, duur en gemakkelijk te controleren. Gevolg hiervan was dat internet vooral iets was van de rijken en de aanhangers van het regime. Neemt niet weg dat er met betrekking tot informatie inderdaad een groot verschil bestaat tussen de Birmese opstanden van 1988 en die van 2007. Destijds waren zo goed als alle gegevens afkomstig van westerse diplomaten en de regeringszender Radio Rangoon. In 2007 speelden deze bronnen nauwelijks nog een rol en was bijna alle informatie afkomstig van Birmese organisaties van expats, zoals de in Oslo zetelende Democratic Voice of Burma, The Irrawaddy uit Thailand en het in India gevestigde nieuwsagentschap Mizzima. Maar deze informatie circuleerde vooral buiten Birma, niet in het land zelf, en zegt dus veel over westerse beeldvorming en weinig over de Birmese werkelijkheid.
Iets dergelijks kan gezegd worden naar aanleiding van de gebeurtenissen in Moldavië in 2009. Deze keer trapte zelfs de man erin die het afgelopen jaar alom van zich deed spreken met een buitengewoon sceptisch boek over de betekenis van moderne media voor maatschappelijke verandering, de Wit-Rus Evgeny Morozov. Op de dag dat in Moldavië ten gevolge van schijnbaar gemanipuleerde verkiezingsuitslagen felle protesten uitbraken, 7 april 2009, publiceerde hij op zijn blog bij het tijdschrift Foreign Policy een enthousiast artikel over de rol van Twitter in het politiek proces. 'Als je me een week geleden had gevraagd of er in een technologisch laag ontwikkeld land als Moldavië zoiets als een door Twitter veroorzaakte revolutie mogelijk was, had ik waarschijnlijk nee geantwoord’, schreef hij. 'Op dit moment ben ik daar niet meer zo zeker van.’ Het was een mening die op datzelfde moment door zoveel media en op zoveel fora verkondigd werd dat op slag een nieuw woord was geboren: Twitter-revolutie.
Het begrip kreeg zo mogelijk nog meer betekenis toen Twitter enkele maanden later bij protesten in Iran opnieuw een rol speelde en om voor de hand liggende redenen - Iran is groot, vele Iraniërs leven elders, het land wordt door het Westen als een bedreiging gezien - voor nog veel meer ophef zorgde. Het leidde er onder meer toe dat er op Google als bij toverslag naarstig gezocht werd naar de combinatie Twitter en Revolution.
Morozov echter trok zich spoedig na zijn enthousiaste constatering de haren uit het hoofd en begon aan een boek waarin hij al dat geroep over de bevrijdende mogelijkheden van moderne media naar de fabeltjeskrant verwees: The Net Delusion: The Dark Side of Internet Freedom. De gebeurtenissen in Moldavië, zo beweert hij hierin, onderscheidden zich dankzij moderne media inderdaad van eerdere gebeurtenissen, maar niet in de zin zoals verondersteld: dat die media een bevrijdende werking hadden. Nee, opmerkelijk was de snelheid waarmee het nieuws zich over de aardbol verspreidde, opmerkelijk was ook de rol die het precies op dat moment nieuwe en spraakmakende fenomeen Twitter daarbij speelde. Maar een en ander was niet hetzelfde. Internationale berichtgeving en politiek instrument werden door elkaar gehaald - ook door mij, voegde hij er verontschuldigend aan toe.

HET WESTERSE ENTHOUSIASME over de rol van media in het maatschappelijk proces is binnen de westerse geschiedenis, zeker sinds de democratische omwentelingen van de jaren zestig van de twintigste eeuw, goed te verklaren en tot op grote hoogte ook terecht. Vandaar dat het voor de hand ligt dat de digitale revolutie in het Westen als een grote stap richting meer en betere democratie wordt beschouwd. De meeste niet-westerse landen hebben een dergelijke ontwikkeling echter (nog) niet doorgemaakt. Weliswaar kunnen ze in veel gevallen beschikken over de media die aan democratisering kunnen bijdragen, ze beschikken niet over de maatschappelijke structuur - openbaarheid, publieke opinie, burgerparticipatie, welvaart, individualisering, kortom 'modernisering’ - die aan diezelfde democratisering ten grondslag ligt. Een verkeerde inschatting van hun zogenoemde mediarevoluties, een verwarring van feit en ideaal, is het gevolg.
Het is zeer wel mogelijk dat moderne media, van sms tot Facebook en van blogs tot Twitter, een rol spelen in het politieke proces in landen die nog niet of nauwelijks gedemocratiseerd zijn. Maar dat zegt minder dan het lijkt, want zoals twee zwaluwen nog geen zomer maken, maakt een plein vol mensen nog geen politiek systeem. Daarvoor is meer nodig. Aldus ook de conclusie na een jaar Arabische lente: de winter is nog lang niet voorbij.