Blake Bailey, A Tragic Honesty: The Life and Work of Richard Yates

Doodlopende weg

De tragiek van het schrijversbestaan van Richard Yates was dat hij met zijn debuut ‹Revolutionary Road›, over het drama van de middelmatigheid, meteen zijn beste boek afleverde, én zich daarvan bewust was. Hij eindigde als dronkelap.

Het kan snel gaan. Richard Yates, de schrijver van Revolutionary Road (1961) raakte al voor zijn dood in 1992 min of meer in de vergetelheid. Tijdens zijn leven was hij trouwens slechts een writers writer — zijn boeken verkochten slecht. Hij genoot, als dat het woord is, in al zijn eenzaamheid zoiets als een cultstatus.

De wederopstanding van de schrijver begon met de heruitgave van Revolutionary Road in 2000 door Random House, dat met een voorwoord van bewonderaar Richard Ford als artikel werd geplaatst in The New York Times Book Review. Daarna ging het snel. In Nederland verscheen het boek halverwege 2003, met een voorwoord van Thomas Verbogt. Het werd hier en daar genoemd in de lijstjes met beste boeken van dat jaar, maar pas toen de grote boekhandels het uitriepen tot het beste boek van 2003 en er afgelopen januari hoge stapels van werden neergelegd, kreeg het de lezersaantallen die het verdient.

De tragiek van Yates’ schrijversbestaan was dat hij met Revolutionary Road meteen zijn beste boek afleverde en zich daar terdege van bewust was. Na jarenlang geploeter op korte verhalen die keer op keer werden afgewezen («Goed geschreven, maar…» — zijn werk werd te somber bevonden) wist hij dat hij met een grote roman op de proppen moest komen, want anders moest hij zichzelf veroordelen tot «een fatsoenlijk upper middle-class life — auto’s, kleding, huis, etc.». En met veel pijn en moeite kwám die roman tot stand. Zijn huwelijk strandde, hij raakte aan de fles en gedroeg zich al kettingrokend steeds vaker onuitstaanbaar: van een fatsoenlijk leven zou het nooit meer komen. Toch behield hij altijd de wens om aan de praktische vereisten van het alledaagse leven te voldoen. Het was niet voor hem weggelegd. Eén voorbeeld uit tientallen: toen hij in zijn rol van huisvader in een opwelling wat vuil ging verbranden in de tuin, stond meteen de haag in de fik en moest de brandweer eraan te pas komen om het huis te redden. Maar de debuutroman maakte, in literaire kringen althans, grote indruk. En in ieder geval werd zijn moeizame loopbaan als docent schrijven («Volslagen belachelijk: schrijven valt niet te leren») daarmee veilig gesteld. Met andere baantjes — speech-schrijver voor Robert Kennedy, Hollywood-klusjes, tv-werk — werd het, deels door zijn eigen toedoen, meestal niks.

De doordachte stof voor zijn boek Revolutionary Road ontleende hij aan eigen en andermans levenservaringen, zoals ook de personages amalgamen zijn van hemzelf en van vrienden, kennissen en oude collega’s bij de kantoormachineproducent Remington Rand, waar de jonge Yates in dienst was als zeer verdienstelijk tekstschrijver — Revolu tionary Road is misschien wel de eerste roman waarin de werking van een computer wordt uitgelegd, en dat in een dialoog tussen de jonge echtelieden die voorafgaat aan de zelfmoord van de ongelukkige vrouw in kwestie. Yates zelf vond deze prachtige droogkomische passage de beste scène die hij ooit schreef.

Yates putte uit zijn wederwaardigheden als vader van een gezin dat zich in een slaapstadje heeft teruggetrokken uit het «echte» leven om in alle rust te kunnen ontdekken wat ze nou eigenlijk willen. «Dé grote sentimentele leugen van de suburbs», zoals echtgenote April Wheeler het uitschreeuwt in de roman. Van de bewóners van die suburbs, welteverstaan. Want intussen verlangden Yates en zijn vrouw — net als Frank en April Wheeler in het boek — hevig naar een ander leven, niet zo geborneerd en kleinburgerlijk: een leven in het mondaine Parijs, in de jaren vijftig de onbetwiste culturele hoofdstad van Europa. April in het boek was net als Yates’ vrouw in werkelijkheid een getalenteerd actrice zonder doorzettingsvermogen, en net als April dringt de vrouw van de weifelende Yates aan op hun vertrek. In de werkelijkheid liep het uit op hun scheiding, in het boek op de geraffineerd aangekondigde dood door zelfabortus van de vrouw. De scherpzinnige maar onevenwichtige broer van Yates’ vrouw stond model voor de krankzinnige stoorzender John Givings in het boek. Zoals haar door de schrijver gehate moeder, makelaar van beroep, model stond voor Mrs. Givings («who has nothing to give and everything to take») — een verzonnen naam waar Yates reuze trots op was. Maar lang niet alles is puur autobiografisch in Revolutionary Road, wel valt alles perfect op z’n plaats. («De emoties van fictie zijn autobiografisch, maar de feiten zijn dat nooit.») Het is zo’n boek dat zich onontkoombaar ontwikkelt tot een levensgroot drama. Met de logica van een nachtmerrie. Even bizar als herkenbaar. En even naargeestig als hilarisch.

Yates’ vroege voorbeeld was Hemingway. Vreemd is dat niet. Beiden hadden in een oorlog gediend op het Europese vasteland, verlieten voortijdig school, werkten voor kranten, waren niet vies van een stevige borrel, traden op jonge leeftijd in het huwelijk en begonnen hun schrijverscarrière met korte verhalen. Maar later ontdekte Yates in F. Scott Fitzgerald een nieuwe patroon, vooral doordat diens roman The Great Gatsby zo’n overdonderende indruk maakte op de jonge schrijver. En waren zij allebei niet kinderen van excentrieke moeders en armzalige vaders die opgroeiden in een milieu van rijkeluiszoontjes? Nou dan! Van Fitzgerald leerde hij dat we zelden zeggen wat we menen, maar dat wat we menen wel vaak tot uiting komt in wat we doen. Geen opzienbarende ontdekking misschien, maar wel een die van grote invloed was op Yates’ verhaaltechniek. Schrijven, zei hij herhaaldelijk, komt neer op het aanbrengen van structuur in de handelingen. Over het contact tussen de Wheelertjes in Revolutionary Road merkte hij later dan ook op dat ze in de eerste, te sentimentele versies van dat boek te lief bleven voor elkaar. De spanning ontbrak. «In de eindversie van het boek is er veel dialoog tussen hen (…) maar er is bijna geen communicatie.» Als lezer voel je de klap aankomen, je weet alleen niet uit welke hoek hij komt. Het is bovenal een hárde klap. Een keiharde klap in het gezicht van de Amerikanen met hun hypocriete family values. Hier werd met het gezin als hoeksteen het Amerikaanse optimisme aan diggelen gegooid. Want in Yates’ ogen was met Eisenhower en McCarthy de vooruitstrevendheid in een angstig conservatisme veranderd, de revolutionary road bleek een doodlopende weg — het verklaart die weinig uitnodigende titel. Geïnteresseerde uitgevers hadden in ieder geval moeite met de nare afloop van de roman in wording en drongen aan op een minder tragisch einde. Yates hield voet bij stuk en wist met het voltooide manuscript in de hand een van hen te overtuigen. Abortus in overdrachtelijke zin was zogezegd het thema van het boek, want ook aan alle ambities, carrières en dromen komt een voortijdig einde, dus daar wilde de schrijver absoluut niet aan morrelen — hij was het verhaal zelfs begonnen met dat einde voor ogen en had de rest daaromheen geconstrueerd.

De invloed van de Flaubert van Madame Bovary ten slotte is van doorslaggevend belang geweest voor Yates’ meesterlijke beheersing van het verhaal. Het maakte dat hij zich losmaakte van zijn eigen perspectief en belevenissen. Hij kwam boven zijn personages te hangen en bestierde hun lot als een onaangedane demiurg. Daarmee werd Revolutionary Road de goddelijke tragikomedie die het is.

En daarna ging het afgrondwaarts. Yates’ oude, gebundelde verhalen werden nog wel goed ontvangen, maar de tweede roman schoot niet op en was, zo wist Yates al tijdens het werken eraan, een mislukking. Het schortte nota bene aan zijn stokpaardje: de compositie. («Laat je niet verblinden door proza, Grace; het gaat om structuur», adviseerde hij een leerling.) Het boek A Special Providence is een mix van twee verhalen die niet mengen: Yates’ soldatenleven in het Europa van de Tweede Wereldoorlog en de avonturen van zijn moeder in het thuisland. Yates had een vergevingsgezinde afkeer van zijn moeder, een vrouw die het als kunstenares hoog in de bol had en daarom in de steek werd gelaten door haar realistischer echtgenoot. Yates zou zijn vader nooit meer terugzien. Vanwege haar hysterische buien, onverantwoordelijke gedrag en dwaze dromerijen zag hij een soort Emma Bovary in zijn moeder — en het erge was: hij herkende veel bij zichzelf. In zijn werk na Revolutionary Road rekende hij keer op keer met haar af. Maar in gesprekken liet hij er steevast op volgen: «Uiteindelijk was ze gewoon menselijk.» Zijn boeken werden steeds autobiografischer; hij kon zich niet meer losmaken van zijn moeder en zijn eigen wederwaardig heden. Hij zweefde niet meer boven zijn stof, maar zakte langzamerhand weg in het moeras van zijn obsessies en frustraties. Zodoende werd Revolutionary Road zijn eigen standaard. Yates herlas zijn debuut «alsof het door een ander geschreven was» en kon dan zijn tranen niet bedwingen. Hij ging al zijn latere werk ermee vergelijken en dat werd vervolgens, hoe verdienstelijk ook, ondermaats bevonden. The Easter Parade bijvoorbeeld is een zeer geslaagde, zij het volstrekt autobiografische roman («Emily fucking Grimes is me», bespotte Yates zichzelf, terwijl Vonnegut het boek zonder ironie met Madame Bovary wilde vergelijken).

Yates werd inderdaad als een personage uit zijn eigen werk: iemand die weigert zich bij de feiten neer te leggen. In zijn geval betekende dit dat hij nooit meer zo’n briljant boek zou schrijven als Revolutionary Road. De typische yatesian hero is het onbescheiden kleine talent, de net-niet-kunstenaar die tegen beter weten in vasthoudt aan zijn uitzonderlijke, begenadigde gaven. Het is het drama van de middelmatigheid, en daarmee van de overgrote meerderheid der mensen. Van de droom die ons in staat stelt het onverklaarbare leed dat leven heet te dragen. Vandaar dat Yates zijn karakters vaak vol me dedogen beziet (behalve als het om zijn moeder gaat, of een personage naar hem zelf) omdat «we nu eenmaal zijn wie we zijn».

Never tell or live a lie, was zo’n beetje zijn levensmotto — de theorie. In de praktijk hield Yates van decorum en ambieerde hij een aristocratische levensstandaard. Hij droeg graag nette pakken, kon heel vormelijk zijn en sprak als hij nuchter was op bescheiden toon. Maar in de werkelijkheid zaten er steeds vaker vlekken op zijn jasje, werd hij almaar ruwer in de omgang en sloeg hij bij het minste of geringste al grove taal uit. Er werden grote gaten geslagen in zijn zelfvertrouwen. Kurt Vonnegut merkte op dat Yates nooit was ontsnapt aan de middenklasse, terwijl hij verlangde naar een leven als Fitzgerald in diens jaren van rijkdom en roem.

Maar nee, rijkdom heeft Yates nooit gekend, hij moest nederig werk verrichten om zijn twee exen en drie dochters te kunnen bijstaan, en in plaats van roem waren krenkingen zijn deel. Zo probeerde hij zijn leven lang een verhaal te slijten aan The New Yorker — een regelrechte obsessie — maar tijdens zijn leven zou het er niet van komen. Ze lieten hem zelfs weten dat hij maar moest afzien van verdere inzending. Het extra pijnlijke is dat van veel minder begaafde leerlingen van hem wél bijdragen werden geaccepteerd. Yates: A man down on his luck. Zoals op zijn eigen feestje, toen hij, licht aangeschoten maar nog niet dronken, zó blij was met de aanwezigheid van zijn jongste dochter dat hij haar wilde omhelzen, waarbij zijn duim in haar grote oorring terechtkwam en hij haar oorlel eraf trok. Door deze bloederige affaire als gevolg van goede bedoelingen raakte Yates helemaal van de kaart.

De hulpeloze Yates veranderde steeds meer in een meelijwekkend, onmogelijk figuur. Een vervelende dronkelap met psychotische buien — als patiënt was hij erg eigenwijs. Tot zijn schaamte verliet zijn tweede vrouw hem ook, het bewonderenswaardige geduld van veel van zijn vrienden raakte op, en zijn dochters, erfelijk al genoeg belast, hielden hem liever op afstand. Bij de uitgeverij lieten redacteuren al dan niet opzettelijk aantekenbriefjes zitten in de drukproeven van The Easter Parade en de prachtige verhalenbundel Liars in Love, die Yates onder ogen kreeg: «Dit is géén haastboek! Maar de auteur is wel lastig en belt je in zijn natuurlijke staat, een dronken bedwelming, om een komma of iets na te kijken.» Yates vereenzaamde steeds meer en leidde als vroegoude man een teruggetrokken leven in zijn vuile, donkere, dostojevskiaanse woningen. En ver van zijn geliefde New York, up the river, als een ontheemd stadsmens. Op het laatst moest hij, long patiënt sinds zijn jonge jaren, zichzelf beademen en zeulde zuurstofflessen met zich mee. Niettemin pafte hij lekker door. Zijn oude auto stond daarom bekend als «de rijdende bom». Yates, daar was iedereen van overtuigd, leefde alleen nog om te schrijven. Hij had alles verloren. Het manuscript van zijn onvoltooide laatste roman werd aangetroffen in het vriesvak van zijn koelkast, daar waar oude eenzame mensen hun spaarcenten verborgen houden. Een einde als in zijn veel gewraakte werk. Te tragisch, maar ook al te waar. En typisch iets voor Richard Yates.

Blake Bailey

A Tragic Honesty: The Life and Work of Richard Yates

Picador, 671 blz., € 44,-