Doodnormaal

Hoewel ik tegen haar geen schijn van kans maak, ben ik een felle tegenstander van de dood. Milde, zachte of hardgekookte, op verzoek of op nabestelling, ik moet er niets van hebben. Met de dood geen geflikflooi, geen romance en geen compromis.

Dagelijks bestrijd ik de dood door haar finaal te negeren. Ik raak er niet door gefascineerd, praat er nooit over en beschouw de stelling van Michel de Montaigne - ‘filosoferen is leren doodgaan’ - als een wereldvreemde gedachte. Mijn motto luidt; de dood in de pot met een zware deksel erop. Maar door mijn langdurig verblijf in Nederland is dit steeds moeilijker vol te houden. Boven dit land hangt namelijk een permanente lijkenlucht. Een penetrante geur van versgezaagd eikehout en geklutste insuline.
De dood is in. Iedereen schreeuwt hysterisch om haar handtekening en wil wel een gescheurd lapje van haar lijkwade mee naar huis nemen. Door toedoen van publiciteitsbeluste directeuren die op de golven van de mode surfen hebben kerkhoven hun predikaat 'laatste rustplaats’ verloren. Het zijn decadente oorden geworden waar flitsende lasershows overgoten met New Age-sausjes worden gehouden en waar toneelstukjes met travestieten worden opgevoerd. Het wachten is nog op het eerste schuurfeest in de aula van begraafplaats Westgaarde, waar Achterhoekse barbaren met Hulzebossche tongval de hoofdrollen zullen opeisen. Er wordt zelfs een gespecialiseerd tijdschrift uitgegeven met de naam Doodgewoon, dat niet schuwt het gezicht van een overledene af te drukken en als het kon Magere Hein in zijn onderbroek aan den volke zou tonen. Om maar niets te zeggen over de drang van euthanasiekandidaten om zich met een spuit vol gif in de bilnaad door interkerkelijke camera’s te laten vereeuwigen. Andersom schijnen er ook tv-producenten te bestaan die via kranteadvertenties patiënten oproepen zich bij voorkeur voor de lenzen van hun camera’s of in hun studio’s te laten termineren. De dood op verzoek is in Nederland zelfs zo ver doorgeschoten en gereguleerd dat je tegenwoordig het hiernamaals op afspraak moet betreden, alsof het de wachtkamer van de tandarts zou betreffen.
Zo heb ik iemand gekend die een week lang op zijn dodelijke portie insuline moest wachten omdat zijn familie een nieuw huis had gekocht en op de afgesproken datum de spulletjes nog moest verhuizen. Maar geen paniek: er zijn gelukkig in dit land talloze beunhazen in smetteloze witte jassen, verscholen in luxe serviceflats, die tegen een kleine vergoeding - wat antiek bijvoorbeeld - bereid zijn hun medicijnenkastje aan te spreken. Naar alle waarschijnlijkheid wemelen de polders van 'engelen des doods’ en lieden à la André du M. die bereid zijn het leed van de gehele wereld te verzachten. Sterven is toch doodgewoon en getermineerd worden doodnormaal?
Onlangs las ik in een krant de woorden van een psycholoog die zich druk maakte over het gemak waarmee de laatste tijd ouders hun kinderen de eeuwige jachtvelden in schoppen: 'Gaan we de goede kant op met de samenleving? Rouw gaat in Nederland rap over de tong en lijkt daardoor bespreekbaar. We moeten waken voor de vervlakking die gaande is.’ Maar die vervlakking wou de homo hollanditus toch dolgraag bereiken? De dood bespreekbaar, banaal, doordeweeks en desnoods als amusement, vertier of Ikon-produktie die via de satelliet de internationale networks penetreert. Ontdaan van het sacrale gedoe en de tierelantijn.
Heeft de Nederlander zich niet tot levensdoel gesteld alles wat enige mysterie of mystiek bevat met zijn taboedoorbrekende stok plat te knuppelen? Vanzelfsprekend produceert dit eigenaardige gedrag vlakke platituden en reliëfloze geestelijke landschappen. Doe maar doodgewoon, dan doe je al gek genoeg. Er zit natuurlijk een nobele en democratische gedachte achter: hoe meer je de dood als fast food opdient, des te minder smaakt ze als een bittere galgenmaaltijd. De angst en de bevingen verdwijnen. En fluitend of giechelend stap je het zwarte gat in. Jammer genoeg heeft dit vooral in ziekelijke fascinatie en morbide kijklust geresulteerd.
Afgelopen week werd het laatste optreden van Frans Swarttouw enthousiast begroet. De oud topman van Fokker leed aan keelkanker en had zijn definitieve crash zelf gepland. Een paar dagen voor zijn dood bestelde hij een tv-ploeg en een beroemde journalist. Hij maakte van zijn doodsstrijd een visueel produkt dat door een miljoen mensen werd geconsumeerd en dat met een hoog waarderingscijfer werd beloond. Inhoudelijk was het programma van een bedenkelijk niveau. Swarttouw braakte het genre platituden dat wij allemaal wel zouden kunnen voortbrengen, in het emmertje van Paul Witteman: 'Ik begrijp niet wat dood of doodgaan is. Ik weet niet of er een bestaan is na de dood.’ Volgende week er niet meer zijn vond hij 'bizar en bespottelijk’.
Dat vond ik van dit in het graf afgenomen interview ook. Faces of death, made in Holland: hoe dieper de kuil, hoe hoger de kijkcijfers.
De Nederlander was al bekend om het gemak waarmee hij zijn blote billen of genitaliën in het openbaar toont. Zijn exhibitionistische drang treft nu ook steeds meer zijn naakte ziel vlak voor zijn vertrek.