Doodsdrift en een poes

Dat er in de literatuur buitensporig veel hardlopers en wielrenners actief zijn, is bekend. Autonome sporten, geknipt voor eenlingen, zoiets zal het zijn. Inmiddels is daar één activiteit bijgekomen die een goede kans maakt op een derde plaats: zeilen. Vooral bij journalistiek georiënteerde auteurs. Toine Heijmans, rondreizend Volkskrant-columnist, publiceerde vorig jaar zijn Marifoonberichten. NRC-redacteur Hans Steketee kwam met een meeslepende reconstructie van een verdwenen zeilschip, De Warnow. Bioloog en oud-NRC-wetenschapsjournalist Rob Biersma bracht onlangs Scheepsberichten uit, over een zeilreis naar Suriname. En dan hadden we Nina Polak al van de De Correspondent, met een zeilroman uit 2018.

In die aanwassende vloot van zeilschrijvers heeft nu ook L.H. Wiener zijn anker gelicht. Met zijn ‘vriendin voor het leven’, die hier Antje Noordwest heet, gaat hij in Zeeangst aan boord van hun boot de Argos, voor een reis van Haarlem naar Devon en weer terug.

Zeilersproza staat natuurlijk garant voor uitweidingen over de klapgiek, de giekrem en – stom, stom – het vergeten de splitpen te borgen in de borstbout van het voorstag. Een feest van herkenning voor medezeilers, en voor zeilnitwits is het een instructieve glimp uit een eigenzinnig universum.

Al is dat niet waarom je zo’n boek leest. Literaire reisverslagen lees je niet om iets praktisch van op te steken of om alle aardige toeristische wetenswaardigheden, waar het bij Wiener ook niet aan ontbreekt. Nee, het gaat om de hoogstpersoonlijke blik op dat alles, de eigen kleuring, obsessies die oplichten, om het nukkige gescheld, de rare associaties, een binnenwereld.

Zo is de beruchte ‘zelfmoordklif’ Beachy Head al uitentreuren beschreven, maar toch niet zo particulier, waarbij Wiener een brokje steen ervan loswrikt om aan Anton Dautzenberg te geven, die een zelfmoord aldaar als zijn ultieme fantasie beschouwt. Zelf beschrijft Wiener levendig zijn vrees om de eigen ‘onderbewuste fataliteitsimpulsen niet meer meester te kunnen blijven’.

L.H. Wiener op zijn zeilschip, 2017 © Pim van der Zwaan

‘Een koorddanser tart de val, een schipper de zee.’ Dat is wat Wieners reis zo anders en zoveel beklemmender maakt dan menige zeilvakantie. De dood reist onophoudelijk mee. Al vanaf de eerste zin is het duidelijk: zeilen is de dood tarten, het is dansen op die grens tussen levenskracht en doodsdrift.

Poes Loes trippelt aandoenlijk en eigenzinnig soeverein door dit logboek heen

Maar Wiener is er gelukkig de man niet naar om daar al te filosofisch, sentimenteel of pathetisch over te doen. Een van de karakteristieken van zijn stijl is de sprong naar droge afstandelijkheid bij al te beladen situaties. Dat begint al meteen bij die eerste zin: ‘Op 4 mei 1958, ik was toen dertien, heb ik op driehonderd meter voor de kust van Zandvoort het verdrinkingsproces zo goed als geheel ondergaan.’

Of later in Engeland, als hij zich even ‘vergiste in links en rechts’ en ‘met een marge van twintig centimeter’ bijna van zijn fiets werd geblazen, ‘door een langsdenderende truck, die daarbij een oorverdovend hels claxonsignaal ten beste gaf, dat met een snelheid van tachtig kilometer per uur wegstierf in een verontwaardigd dopplereffect. Dan ben je even dood.’

Het werkt. Geen sentimentaliteit, geen overdreven lyriek. Dit is geen dagboek maar een logboek, vol feitelijkheden die vanzelf iets mild-komisch krijgen dat de tragiek juist versterkt, zoals Reve eens doceerde, van wie hier wel meer stijlfiguren resoneren. ‘De marina van IJmuiden is zowel een dure als een waardeloze jachthaven.’ Of over de ‘viola da gamba’, het instrument dat reisgenote Antje aan boord meenam: ‘De klank is mooi melancholisch en bijzonder geschikt om een doodsverlangen op te wekken.’

Wat Wiener wil, schrijft hij, is een boek maken als Coasting van Jonathan Raban: deels een ‘nautisch logboek’, maar ‘in essentie een autobiografisch geschrift’ over zijn verhouding tot zee, literatuur en leven, ‘als een reis door mijn heden maar vooral door mijn verleden’.

Een beetje tricky uiteraard, om je intenties zo expliciet te verwoorden. Voor je het weet komt een scherprechter constateren dat dit verleden er wat bekaaid vanaf komt, dat het dagboek af en toe wel erg trouw blijft aan dat andere adagium van Reve: ‘Er is niets tegen geoudehoer, zolang er maar Gods zegen op rust.’

Zoals die lange, niet verzonden brief aan de kennelijk bloedmooie vrouwelijke arts die Antje moet onderzoeken nadat hun poes Loes haar in haar oog had gekrabd. ‘Het naar achteren duwen [van de bureaustoel] deed u wijdbeens.’ Tsja. Fraaier zijn de literaire pelgrimages, de eresaluten aan schrijvers als Malcolm Lowry (aan wiens graf hij een groot glas whisky naar binnen giet), of de rivier waarin Virginia Woolf zich verdronk.

Maar de eigenlijke heldin van dit verhaal is de poes Loes, de reisgenote die een voortdurende bron van zorgen is, die als aandoenlijk en eigenzinnig Leitmotiv soeverein door dit logboek heen trippelt, en telkens voor verrassende ontmoetingen, wendingen en nieuwe impulsen zorgt, vanaf de eerste Britse haven, waar een lomperik komt waarschuwen: ‘The authorities might put your cat in quarantine’, tot aan de verbluffende ontknoping, waarvan je dan pas merkt hoe subtiel daar al die tijd naar vooruit is gewezen en die ik hier dan ook niet kan navertellen.

Nee, dit is echt iets om even zelf te lezen.