Doofpot en dominee

‘Laten we even de zaken op een rijtje zetten, dominee. Het was dus in Borger.’

‘In Drenthe, ja.’
'In het openluchtzwembad.’
'Een mooie zomerdag.’
'Het zwembad was vol met kinderen, kinderen die -’
(zucht)
’- vakantie hadden. En u, eh, u…’
'Ik stond in dat kleedhokje.’
'Was dat bij de jongens of bij de meisjes?’
'Dat is daar niet gescheiden. Gelukkig. Alles loopt door elkaar, al die lieve kleine kinderen, met hun blote buikjes en hun strakke zwembroekjes en die lieve mooie kleine zachte -’
'Oké, en u was daar aan het filmen?’
'Aan het filmen?’
'De ouders van de kinderen zeggen dat u aan het filmen was. Toen het kleedhokje na een uur nog steeds bezet was, hebben ze het opengebroken. En u was aan het filmen, onder de scheidingswand door. U had uzelf moed ingedronken, zeggen ze.’
'Die camera had ik cadeau gekregen van mijn kerk, de christelijk-gereformeerde kerk in Mussel.’
'Maar u hebt gefilmd?’
'Ach, gefilmd… Dat viel nog niet mee. Ik moest half op de grond gaan liggen.’
'Laten we de band maar eens bekijken.’
'Nou, ik -’
'Start. Oké. O, dat moeten we even terugspoelen. En nu in slow-motion… Goh.’
'U kent Marcus 10:13? “En zij brachten kinderen tot Hem, opdat Hij ze zou aanraken.”’
'Goed, dominee. Die videoband houd ik hier. Dat lijkt me beter. Niemand hoeft hier verder iets van te horen. Tot zondag in de kerk, dominee.’
'Tot zondag, mijn zoon.’
'Oeps, wat doe ik nu? Valt die band zomaar in de prullenmand.’