Groen

Dooie honden

Ik heb thuis twee honden meegemaakt. Een Ierse setter die Tasja heette en de zwarte labrador Godfried. ‘Tasja’ omdat er aan de weg al een ‘Pasja’ en ‘Mascha’ waren, ‘Godfried’ naar Godfried Bomans, van wie mijn vader een groot fan was. Met de Ierse setter ben ik groot geworden, die heb ik gekend van m’n zevende tot m’n negentiende. Toen ging ze dood, aan kanker. Mijn broer wilde het beest meegeven aan de destructor, die toch langskwam om een dood schaap op te halen. Mijn vader begroef haar, aan de voet van een knotwilg die, samen met vier andere knotwilgen, net geplant was. Deze vijfde wilg is altijd klein en schriel gebleven. Door die dooie hond, heb ik altijd romantisch gedacht. Maar het komt natuurlijk door de bijna honderdjarige Gieser Wildeman die twee meter verderop staat en licht en ruimte wegneemt.

Hoewel ik niet meer thuis woonde, heb ik op een zaterdag de Schager Courant erbij gepakt en in het wilde weg een telefoonnummer gebeld uit een advertentie in de rubriek ‘dieren’. ‘Zeg’, zei ik tegen m’n vader, ‘we moeten vanmiddag om drie uur in Sint Maartensvlotbrug zijn.’ Hij deed het ook nog, en natuurlijk kon hij die labradorpups niet weerstaan, hoewel hij in zijn achterhoofd mijn moeder keihard ‘nee!’ moet hebben horen roepen. Godfried werd maar acht of negen. Hij is begraven op een andere plek, naast het kippenhok. Op zijn buik staan een tuinkabouter en een keurig Buxushaagje.

Daarna was het klaar met de honden. Alle kinderen waren allang het huis uit, en toch zanikten we om een nieuwe hond. We wilden mijn vader voor zijn 65ste verjaardag (tevens pensionering) een Jack Russeltje geven, maar mijn zus verpestte het door het hem toch nog even te vragen, en hij zei zo hartgrondig nee, dat we het niet aandurfden. Toen kreeg hij een lakenvelder koe, wat een vreemd cadeau is voor een boer die ermee ophoudt. Maar hij vond het leuk, en er zijn al een stuk of tien lakenvelder kalveren geboren. Bruin zijn ze, en ze heten allemaal iets met een L.