Doolhof na aardbeving

Afghanistan krijgt in onze media op het ogenblik aanmerkelijk minder aandacht dan de sneeuw en de boktor. Vorige week hebben omstreeks zeventig landen zich in Londen beraden over de oplossing van dit grote wereldvraagstuk. De vergadering heeft een dag geduurd; het resultaat is een communiqué vol vrome wensen. Het Afghaanse leger moet binnen één tot twee jaar 170.000 man tellen, de politie 130.000 man sterk zijn, gematigde leden van de Taliban zullen met werk, huisvesting en geld worden verleid om aan de georganiseerde samenleving deel te nemen en in 2015 of misschien 2020 moet volgens president Karzai de Afghaanse staat alle verantwoordelijkheid kunnen overnemen. Eind goed, al goed. In de manier waarop dit allemaal moet worden bereikt, heeft de conferentie zich niet verdiept. Dat kun je van zo'n omvangrijk gezelschap binnen één dag vergaderen ook niet verwachten. Waarom is die conferentie dan gehouden? Misschien om het moreel van Karzai cum suis te versterken en dit grote gezelschap vrienden van Afghanistan te verzekeren dat ze zich niet vergeefs betrokken voelen.
In werkelijkheid lijkt negen jaar na het begin van de oorlog het land weer steeds meer op een doolhof na een aardbeving. Een gedetailleerde beschrijving staat in de laatst verschenen New York Review of Books, van Rory Stewart, die een paar jaar in Kaboel heeft gewoond, gouverneur van een provincie in Irak is geweest en nu doceert in Harvard. In extenso beschrijft hij de steeg waarin Amerika en zijn bondgenoten zich sinds 2001 hebben gemanoeuvreerd. Dan citeert hij Obama, die oproept ‘tot een escalatie van onze oorlogsinspanningen zonder een bij voorbaat gedefinieerd einde’ en het aangaan van de verplichting tot nation building voor de komende tien jaar. Ja, voegt Stewart daaraan toe, veel anders kun je niet vragen als je jezelf hebt opgesloten in een gevangenis die ommuurd is met je eigen plannen, als je geleid wordt door angst, als je niet kunt ontsnappen uit de kooi van de binnenlandse politiek, je beperkt wordt door misleidende diagnoses, als dit alles nog eens door de generaals wordt bevestigd, en dit geheel dan weer bekroond met achterhaalde historische analogieën.
De nadelige constanten van het Afghaanse probleem liggen in toenemende mate bij de naties die het permanent geteisterde land willen helpen. De goede maar verkeerd gerichte bedoelingen doen zichzelf teniet. Dat is nu steeds meer de kern van het Afghaanse mechanisme. De verplichting tot hulp vergt astronomische en stijgende bedragen terwijl deze investeringen de afgelopen jaren een steeds negatiever resultaat hebben gehad. Als de nieuwste plannen van Obama worden uitgevoerd - eerst meer troepen, dan een geleidelijk terugtrekken - zal dat om te beginnen een honderd miljard dollar gaan kosten. De Amerikaanse staatsschuld heeft nu een record van 1560 miljard bereikt. De economische crisis is nog niet voorbij, de oppositie tegen de president is massaal en wordt vileiner. Een mislukking in Afghanistan is, met de tussentijdse verkiezingen in het vooruitzicht, het laatste wat hij kan gebruiken. En toch zit het erin.
Overal in het Westen beginnen de thuisfronten zich te verzetten. De Britten, Duitsers en Fransen hebben er genoeg van. In Nederland belooft op het ogenblik de weigering om het verblijf van de missie in Uruzgan nog maar met één dag te verlengen al verkiezingswinst. Zo bekeken is niet het Westen bezig Afghanistan van de Taliban te bevrijden. De Taliban zijn bezig zich in de hoofdsteden van het Westen te vestigen. En na negen jaar Afghaanse praktijk weet niemand hier een geloofwaardige oplossing. Het Afghaans verzet, de corrupte politici, misschien ook al-Qaeda, of ze het zo bedoeld hebben of niet, maar met z'n allen hebben ze het Westen in een vicieuze cirkel gedrongen.
Het is ernstiger. Na de aanslagen van 11 september 2001 werd Afghanistan voorlopig bevrijd, althans leken de Taliban binnen een paar maanden verslagen. Onder leiding van George W. Bush en zijn neoconservatieven heeft het grootste deel van het Westen zich daarna in de verkeerde problemen vastgebeten. Ja, Saddam Hoessein was een infame dictator, maar hij werd ons verkocht als een bedreiging voor de internationale veiligheid, wat hij wel wilde zijn maar niet was. In het bevrijde Irak vliegen nog regelmatig tientallen mensen de lucht in, wat door een grote Amerikaanse legermacht niet kan worden verhinderd. Het Israëlisch-Palestijnse vraagstuk is op zijn beloop gelaten. Intussen is China bezig de nieuwe grote supermacht te worden, gevolgd door India, en begint Rusland zich te herstellen. De mondiale machtsverhoudingen zijn aan het kenteren.
Terwijl dit alles zich onherroepelijk voltrekt, hebben wij onze handen vol aan de relatief secundaire maar onoplosbaar lijkende problemen in het Midden-Oosten, die op deze manier hebben kunnen groeien door het wanbeleid van Bush, met de hartelijke medewerking van Blair en de actieve instemming van J.P. Balkenende. En nog altijd zijn ze trots op hun wanbeheer.