Interview: Bruce Springsteen

Door de ogen van een fan

Nick Hornby luisterde dagelijks naar Bruce Springsteen toen hij zijn meest recente bestseller A Long Way Down schreef. Maar nooit had de Britse schrijver de kans om zijn held te ontmoeten. Tot The Boss in Londen kwam optreden.

Eerder in de week van onze ontmoeting, toen ik nog niet wist dat ik Bruce Springsteen zou ontmoeten, had ik besloten hem een exemplaar van mijn nieuwe boek te sturen. Nadat ik zijn privé-adres te pakken had gekregen, het boek had getekend en het in een ongefrankeerde enveloppe had gestoken, werd mij plotseling de mogelijkheid geboden hem te interviewen. Dus nam ik het boek met me mee. Ik verwachtte niet dat hij het klereding ging lezen, of het zelfs maar zou bewaren. Toch vond ik dat ik het moest geven. A Long Way Down was immers gevoed door koffie, Silk Cut-sigaretten en Bruce, en dan met name door een clandestiene live-opname uit 1978 van Prove it All Night waar ik vaak naar luisterde tijdens de wandeling naar mijn kantoor, toen ik de laatste hoofdstukken van het boek schreef.

Bovendien is Springsteen een van de mensen die me aan het schrijven hebben gezet en die me, door woorden en daden, hebben geholpen na te denken over de carrière die ik begon sinds de eerste aandriften tot het schrijven van een roman. Feitelijk geeft hij een les aan zo’n beetje iedereen wiens kunst een groot publiek trekt, door zijn werk verfrissend en boeiend te houden en toch de aandacht van dat grote publiek vast te houden.

De eerste keer dat ik Springsteen ontmoette was na zijn vrijdagavondoptreden in de Royal Albert Hall, tijdens een feestje in een sjiek hotel op het Londense West End. Tegen een kleine groep van ons praatte hij indrukwekkend woest en vloeiend tegelijk. Het ging over de vraag waarom hij gedurende de solo-optredens ingetogenheid van zijn fans eist. De volgende middag woonde ik de geluidstest voor het zaterdagoptreden bij. Ik zat alleen in de zaal terwijl hij My Father’s House speelde, van het album Nebraska. Dat zijn van die gebeurtenissen die je niet snel vergeet. Ik interviewde hem in zijn kleedkamer en ik was nerveus: bij het uitschrijven van het interview heb ik de vragen krachtiger gemaakt dan ze eigenlijk waren.

Springsteen zag er jonger uit dan een paar jaar eerder. Toen hij van shirt wisselde voor de fotograaf zag ik dat hij aanzienlijk vaker tweeën half uur durende optredens geeft dan ik. Hij was vriendelijk, maar praten over koetjes en kalfjes was er nagenoeg niet bij – behalve een gesprekje over enkele jongere muzikanten die we beiden kennen. Zijn antwoorden kwamen in ongebroken, maar tegelijk weloverwogen woordenstromen. Hij is een van de weinige kunstenaars die ik heb ontmoet die in staat is zinnig te praten over hetgeen hij doet zonder arrogant te klinken of uit zelfverdediging lacherig te doen over de eigen verrichtingen. Ik gaf hem het boek en hij bedankte me. Misschien heeft de schoonmaker het wel mee naar huis genomen, maar ook dat zou mijn plezier allang niet meer kunnen vergallen.

Toen ik gisteravond naar je optreden keek, vroeg ik me af of spelen met een band niet aanzienlijk makkelijker is dan zo helemaal alleen. Met de band kun je zeggen: ik weet waarom mensen hiernaartoe komen. We zijn goed in wat we doen en er is dynamiek tussen ons. Maar als je er alleen staat, kun je dat niet meer tegen jezelf zeggen. Hoe voelt dat? Ben je op een punt in je leven gekomen waar het niet meer vreemd voelt dat zo veel mensen komen om alleen maar jou te zien?

Bruce Springsteen: «Ik heb dit soort optredens gegeven in verschillende periodes van mijn leven voordat ik platen ging opnemen (1). Dat ik nu op de Nebraska-tour toevallig niet alleen zong… wel, misschien voelde ik me toen onzeker. Ik had destijds al een tijdje geen solo-optreden gedaan. Nu voelt het weer heel natuurlijk voor me, en ik neem aan dat mensen om dezelfde redenen naar een soloconcert komen als naar een optreden met de band; om geroerd te raken, om iets met ze te laten gebeuren. Daar betalen ze hun zuur verdiende centen voor. Het is een zoektocht naar een ervaring en iets wat, zo goed als het gaat, een deel van de wereld contextualiseert. Ik bewandel in deze concerten gewoon een andere weg om er te komen, maar het komt op hetzelfde neer, weet je.»

Het viel me altijd al op dat je enorm hard werkt aan de toneelkant van het hele gebeuren, dat je zelfs een theorie over toneelkunst hebt. Is dat waar?

«Nou, ik weet niet of ik daar altijd hard aan heb gewerkt. Het voelde altijd natuurlijk, omdat ik over het algemeen makkelijk met mensen samenwerk. Dat is op een bepaalde manier waarschijnlijk genetisch bepaald. (lacht) Het gaat ook om presentatie, hè? En ik denk dat het een goed idee is om je ervan bewust te zijn dat er een optreden aan de gang is (2). (lacht opnieuw) Ik denk dat het idee van de optredens enigszins in diskrediet is geraakt toen het in zekere zin werd verbonden met kunstmatigheid, wat een oppervlakkige ma nier is om ernaar te kijken. De presentatie is een brug waarover je ideeën het publiek bereiken. Het helpt de muziek om aan te slaan, om een verbinding te maken, en dat is waarom je daar op het podium staat. Als je het verkeerd doet, denk ik, verzwakt dit je werk. Maar als je het goed doet, kan het een enorme impuls geven en kun je mensen bereiken met verdraaid moeilijk materiaal.

(..)

Ik vind het ook gewoon fijn om mezelf op het podium krankzinnig te gedragen en me fysiek uit te drukken, en ook de band kan behoorlijk idioot doen. Maar zelfs in de loop van een avond als deze is er tegelijk een manier waarop je alles een beetje aanlengt en afremt. Je gesproken woord is daar een onderdeel van, niet een groot deel, maar wel iets. Het stelt mensen gerust en vormt een brug voor wat anders moeilijke muziek is. Bovendien, weet je, toen ik jong was bestond er enorm veel respect voor clowns in rockmuziek. Neem Little Richard. De clown uithangen hoorde erbij. En ik heb altijd geloofd dat je het publiek ermee kunt verlossen. Het is ook een manier om jezelf terug te brengen tot menselijke proporties. (lacht) En ik had er gewoon lol in. Ik heb ook nooit gedacht dat je als clown niet serieus kunt zijn, dus ben ik er in mijn werk en toneelkunst altijd van uitgegaan dat ernst en het clowneske prima samengaan. Je kunt in een enkel ogenblik van iets heel dwaas op iets bloedernstigs overgaan. Als je de juiste band met de bezoekers hebt, gaan die gemakkelijk mee (3).»

Waar heb je de laatste jaren naar geluisterd? Bruce Springsteen: «Naar van alles. Kies maar. (Hij pakt een stapel zelf samengestelde cd’s uit een tas) Ik heb dit gemaakt om op te lopen… Veel van dit spul is een beetje akoestisch, maar ik luister overal naar. Ik luister naar alle Britpop, naar de Stone Roses, Oasis, en ik ga nu aan Suede en Pulp. Eigenlijk ben ik altijd in alles geïnteresseerd.»

Ik zie hier cd’s met Dylan, Sleater Kinney, de Beach Boys, Jimmy Cliff en Sam Cooke, Bobby Bland en Joe Strummer: zo’n beetje de hele geschiedenis van de vastgelegde muziek.

«Ik heb veel uit mijn rockverzameling eruit gelaten; dit is loopmuziek. Ik luister ook naar oude muziek, de laatste tijd vrij veel van Louis Armstrong. En ik luister naar Four Tet, dat werk. Ik koop dikwijls uit curiositeit. Ik koop iets als ik de platenhoes goed vind of als ik de naam van de band goed vind, alles wat de verbeelding in beweging zet. Ik vind het nog altijd leuk om naar platenzaken te gaan, ik vind het heerlijk om dan gewoon wat rond te dwalen en te kopen wat mijn aandacht trekt. En soms koop ik iets omdat ik een lovende of interessante bespreking heb gelezen. Maar er zijn ook lange periodes dat ik nergens naar luister, dat is meestal wanneer ik aan het werk ben. Tussen opnamedagen en schrijfdagen in daarentegen slurp ik alles op: boeken, muziek, films, alles waar ik mijn handen op kan leggen.»

Dat is voor jou onderdeel van het schrijfproces?

«Dat hoeft het niet te zijn. Ik neig naar de gedachte dat als je eenmaal twaalf bent, je alles hebt wat nodig is om de rest van je leven interessante dingen te schrijven. En anders wel op je achttiende. Maar ik merk wel dat iets me kan inspireren bij het vinden van de vorm waarin ik iets zal creëren, of bij het vinden van een setting. Tien of twaalf jaar geleden werd mijn verbeelding geprikkeld door boeken over de natuur en dat is sindsdien hier en daar in mijn werk doorgesijpeld… het zijn allerlei dingen. Ik hoorde eens een live-versie van Chuck Berry’s Too Much Monkey Business. Dat leek opeens zo sterk op punkmuziek dat toen ik met de band de opnameruimte in dook we een hele voorraad aan nieuwe geluiden produceerden. Ik probeer zo wakker en alert mogelijk te blijven. En ik heb er ook plezier in. En interesse. Ik wil mezelf niet afsluiten voor nieuwe culturele ontwikkelingen.»

Ben je al op het punt aangekomen dat je kinderen je op de hoogte houden?

«Yeah, mijn zoon houdt van een heleboel gitaarbands. Hij gaf me zojuist iets wat echt heel goed is. Hij brandt cd’tjes voor me vol dingen waar hij naar luistert, dus aan hem heb ik een goede als ik dat soort muziek wil bijhouden. De andere twee zitten er niet zo in. Mijn dochter is twaalf, dertien en zij houdt van de top-40. Dus beland ik in het publiek van de Z100 Christmas Show, met mijn dochter en haar vriendinnen die naar iedere top-40-act kijken. Ja, ik kom overal!»

Hoe zie je jouw relatie tot je eigen materiaal? Gisteravond speelde je maar één nummer dat afkomstig is van je eerste vier elpees. Als je nu naar die albums luistert, klinkt dat dan als jongemannenmuziek?

Bruce Springsteen: «Ja, dat denk ik wel, maar vooral omdat veel jongeren juist die platen noemen. Ik herinner me dat ik hier een tijdje geleden optrad, er was toen een kind, zeker niet ouder dan vijftien, dat ieder woord meebekte van Greetings From Ashbury Park, letterlijk woord voor woord! Ja, het zijn jonge- mensennummers, maar ook een goed lied vindt zichzelf pas na jaren.

Als ik opnieuw Thunder Road of zoiets speel, is dat eenvoudig, vanuit mijn huidige positie. Het is gemakkelijk omdat veel van die muziek ging over het verliezen van onschuld. Er zit onschuld in iedereen, maar er schuilt ook onschuld in het proces van verdwaling, in het kwijtraken van de weg. In de tijd dat ik die muziek schreef, was het hele land de weg kwijt, direct na de Vietnamoorlog. Een deel van mij was geïnteresseerd in muziek met die on schuld erin, dat Spector-gedoe, veel van de rock-’n-roll uit de jaren vijftig en zestig. Maar ik hoorde daar niet bij. Ik realiseerde me dat ik niet een van mijn eigen helden ben, ik ben iemand anders, en ik wist dat ik me dat ter harte moest nemen. Dus toen ik die muziek schreef en daarin veel legde van de dingen die ik waardeerde in die jaren was ik me er ook van be wust dat ik elementen moest toevoegen om recht te doen aan de veranderingen in mezelf en de mensen om me heen.

Mijn muziek van toen was een merkwaardig amalgaam. Er zat veel vertrouwds in waardoor veel mensen zich er thuis bij voelden; de mu ziek raakte ofwel aan echte herinneringen aan thuis, ofwel aan ingebeelde herinneringen aan de plaats die in ieders hoofd synoniem is ge worden aan thuis, aan een geboortedorp, herinneringen aan wie je was, of had kunnen worden. Die muziek bracht die dingen samen, waar door ze een geruststellend, bemoedigend gevoel gaf. Tegelijk zaten we allemaal in een proces van verhuizing, van verandering. En mijn muziek erkende dat ook. Door die combinatie denk ik dat de muziek mensen zo diep raakte. Natuurlijk, er zaten herkenbare stilistische elementen in die men makkelijk oppakte. Maar dat alleen zou mensen niet zo hebben geraakt. Het was juist ook die andere kant waardoor Born to Run resoneerde, en Thunder Road.

Mensen pakten het op en maakten het hun eigen muziek. Ik denk dat ik daar hard voor heb gewerkt. Ik verleen een dienst en ik vind het prettig te denken dat die nodig is. Dat is de kern van de poging om het jaar in, jaar uit goed te doen. Dat is het motief als je het podium op stapt. Je wilt die reactie: hey, ik ken die jongen, dat ben ik! Omdat ik me nog altijd herinner dat mijn behoeften heel groot waren, en dat ze aan de orde werden gesteld in populaire mu ziek en B-films, producten die in die tijd doorgingen voor rotzooi… Maar ik vond daarin een eigen stem, waardoor ik meer greep kon krijgen op de zelf waarmee ik opgroeide – de persoon die ik feitelijk was.»

(1)

Een paar jaar geleden gaf een vriend me een dvd met oude Springsteen-optredens, clandestien van het internet geplukt. Er staat onder meer een vaag zwart-witfilmpje op met een solo-optreden van Bruce in een soort stamkroeg, waarschijnlijk in 1970/71. En natuurlijk, er is een verschil tussen een solo-optreden van Bruce als volstrekt onbekende artiest en een solo-optreden van Bruce als een van de grootste sterren ter wereld. Het moet destijds heel moeilijk voor Springsteen zijn geweest om zichzelf voor te houden dat de mensen speciaal voor hem waren gekomen; het publiek was er voor het hoofdnummer, na hem, of gewoon om te drinken. En als je in die omstandigheden mensen even van de bar af kunt krijgen, dan doe je het goed. Voor het optreden in de Royal Albert Hall hebben bezoekers vijftig tot zestig pond betaald om alle bewegingen van Springsteen te kunnen zien, meer dan twee uur lang. Dit even om de geest te scherpen.

(2)

Dit klinkt als een zinledige opmerking, maar zeg eerlijk: hoeveel optredens zijn er niet waarin de band doet alsof ze niet doorhebben dat er een optreden aan de gang is? Al dat testen van het materiaal, het afstemmen, een beetje terloops tegen elkaar praten, terwijl het publiek zit te wachten tot er iets gaat gebeuren. Springsteens simpele erkenning van het feit dat mensen betalen voor elke seconde van de avond onderscheidt hem van bijna alle andere performers die ik heb gezien.

(3)

Steevast duikt midden in de nacht op Sky Movies de film No Nukes op, over een groot antikernwapenconcert in 1979, Madison Square Garden. Springsteen is een van de optredende artiesten. Hij zingt The River, Thunder Road en dan Quarter to Three, de oude Gary US Bonds-hit die hij in die tijd altijd als toegift speelde. In Quarter to Three doet hij vol overgave dat theatrale en overdreven James Brown-gedoe; hij stort op het podium in elkaar, de band probeert hem weg te dragen, hij rukt zich plotseling van hen los en zingt nog een paar regels, met ontbloot bovenlijf. Het is opwindend, en ook geestig; maar wat het meest opmerkelijke is, als je er nu over denkt, is dat Springsteens ongecompliceerde showbizzgedrag aanzienlijk «authentieker» lijkt dan al dat geglim en al die fonkelende witte-tanden-eerlijkheid van types als James Taylor en Carly Simon. Zeg eerlijk: wat is er echter dan een acteur die acteert – en toegeeft dat hij acteert?

Bruce Springsteens laatste cd, Devils & Dust, is uitgebracht door Columbia

Nick Hornby’s roman A Long Way Down (2005) is verschenen bij Viking. Nederlandse vertaling: De lange weg naar beneden. Vertaald uit het Engels door Jelle Noorman. Atlas, 330 blz., € 19,90

Vertaling: Pieter van Os