Kunst en vernieuwing De nieuwe Tolkien

Door de spiegel

‘High fantasy’ is een dominant genre geworden, getuige het succes van George R.R. Martins A Game of Thrones. Maar pessimisten zetten vraagtekens bij deze hunkering naar escapisme.

MET HET BEELD in mijn achterhoofd van de immer imposante en strenge feministe Germaine Greer besef ik niet zonder schuldgevoel dat ik in weken geen boek meer heb gelezen dat zich afspeelt in het hier en nu. Want ik ben in de ban van high fantasy. En o wee, Greer kijkt afkeurend. Een paar jaar geleden reageerde zij net als andere literatoren over de hele wereld geschokt toen J.R.R. Tolkiens The Lord of the Rings in Engeland werd verkozen tot boek van de eeuw. Greer sprak van een ‘nachtmerrie’. Ze schrijft: 'Fictioneler kun je een roman niet krijgen. De meeste romans spelen zich af op een herkenbare plaats, in een herkenbare tijd; Tolkien verzint het tijdperk, de plaats, en een ras imaginaire wezens om erin te wonen. De boeken die in Tolkiens spoor zijn gevolgd zijn zo ongeveer wat je ervan kunt verwachten: een vlucht uit de realiteit is hun overheersende kenmerk.’
Geen andere schrijver volgt zo nauwgezet in het spoor van Tolkien als George R.R. Martin (1948). Deze uit een arme familie in New Jersey afkomstige Amerikaanse auteur schrijft al sinds de jaren zeventig romans in het genre 'fantasy en sciencefiction’, maar brak pas midden jaren negentig door met de verschijning van de eerste delen van zijn high-fantasy-epos A Song of Ice and Fire. Internationaal werd hij nog beroemder dankzij de succesvolle verfilming van A Game of Thrones, het eerste deel van de serie, door de Amerikaanse zender HBO, die recent heeft aangekondigd deel twee eveneens te verfilmen met Carice van Houten in een belangrijke rol. Daarnaast wordt Martins nieuwste boek, A Dance with Dragons, opvallend positief besproken in literaire bladen waarin men voorheen minder nadrukkelijk aandacht zou hebben besteed aan deze 'Amerikaanse Tolkien’.
Martin creëert met zijn epos net als Tolkien verscheidene mythische werelden waarin tegengestelde krachten en vele personages strijden om de macht. Centraal in A Game of Thrones staat een politiek spel tussen de verschillende clans ('Huizen’ genoemd) van de zeven koninkrijken waaruit het gebied Westeros bestaat. Het op de Rozenoorlogen geïnspireerde conflict tussen de Huizen van Lannister en van Stark wordt op de spits gedreven als een adviseur van de koning vermoord wordt door Jaime Lannister, broer van de verleidelijke Cersei, die koningin wordt als Robert, van het Huis van Baratheon, de troon bestijgt. Robert neemt Eddard 'Ned’ Stark als zijn adviseur. List en geweld grijpen snel om zich heen wanneer Ned erachter komt dat de Lannisters de machtswisseling hadden geforceerd. In een ander deel van de mythische wereld verzamelt Daenerys, prinses van het Huis van Targaryen, dat voor Robert aan de macht was, ondertussen samen met haar broer Viserys een leger bloeddorstige soldaten onder leiding van Khal Drogo om de IJzeren Troon en daarmee de ultieme macht in het rijk terug te pakken. Nog een verhaallijn speelt zich af rond de reusachtige Muur waar de mannen van de Night’s Watch, waaronder Ned Starks buitenechtelijke zoon Jon Snow, het Rijk moet beschermen tegen vreemde en mogelijk magische wezens in het ijzige Noorden.
Ik zie Germaine Greer al ineenkrimpen van plaatsvervangende schaamte bij het lezen van dit verhaalgegeven. Haar nachtmerrie over het escapisme is deel van de dagelijkse werkelijkheid geworden: A Song of Ice and Fire toont aan dat high fantasy, waarin de schrijver nog een stapje verder gaat door verschillende verbeelde werelden naast elkaar te scheppen, nu een dominante vorm van fictie is geworden.
De vraag is of het werk van George R.R. Martin ook een aanleiding is om te juichen over iets echt nieuws. Martin liet zich bijvoorbeeld flink inspireren door Frank Herbert (Dune) en Ursula le Guin (Earthsea). Zo valt A Song of Ice and Fire te lezen als het werk van een schrijver die Tolkien nadoet wiens dichterlijk opgeschreven avonturen over Middle Earth op hun beurt weer een gecompliceerde hommage zijn aan het literaire oerverhaal Beowulf, sprookjes en de Noorse mythologie. Tolkien heeft inderdaad het genre niet uitgevonden, maar hij heeft dat wel geactualiseerd en verrijkt met allerlei religieuze en ideologische allegorieën.
Tolkien zag fantasy als een genre, maar de beste moderne definitie van de vorm komt van fantasyschrijver Ursula le Guin: 'Aan de ene kant is fantasy een spelletje: doe-alsof met geen enkele bijbedoeling. Het gaat om een kind dat tegen nog een kind zegt: laten we draken zijn. Het is bewonderenswaardig escapisme; een spel puur om het spel. Op een ander vlak is fantasy nog altijd een spel, maar nu is de inzet heel hoog. Zo bezien, als kunst, is fantasy geen spontaan spel waarbij het om het dagdromen gaat, maar een spel in de vorm van een droom. Het gaat nu om een andere benadering van realiteit, een alternatieve techniek om de werkelijkheid te begrijpen en ermee om te gaan (…) Het gaat om archetypen die zoals Jung waarschuwde gevaarlijk zijn.’
Le Guins analyse verklaart waarom lezers van dit soort literatuur en kijkers naar de verfilming ervan 'verslaafd’ kunnen worden. Je wordt immers constant gevoed door archetypen: motieven, personages en verhaallijnen die je bekend voorkomen, waaruit je plezier put en waarvan je dus meer wil hebben. Dat is allemaal goed en wel, zou Greer zeggen, maar het is geen 'literatuur’! Voor mij is het vrij simpel: je blijft lezen omdat je in grote lijnen weet wat komen gaat: de strijd tussen goed en kwaad waarbij de grens tussen beide poreus blijkt te zijn, intrige, seks, haat, liefde, wraak, geweld, magie, bovennatuurlijke wezens en vooral veel actie. De aantrekkingskracht is basaal, toegegeven, maar tegelijkertijd onweerstaanbaar, puur.
Maar Martin heeft zijn lezers vooral zo in een trance omdat hij de tijdgeest feilloos aanvoelt. Ook hierin ging Tolkien hem voor. Naast de allegorische kracht van de Rings-verhalen als duister commentaar op de Industriële Revolutie heeft Tolkien vooral ook de verbeelding van mensen bevrijd met zijn raciale visie op het belang van wat hij 'the fairy-story’ noemde. En dit proces is weer aan de orde in onze tijd. Een paar jaar geleden schreef Julian Dibbell in The Village Voice dat juist Tolkien het tijdperk aankondigde waarin de mens toenemend gefascineerd raakte door de rekbare werkelijkheid, waarin hij steeds meer de behoefte voelde de elastische grenzen van de realiteit op te zoeken. Dibbell: 'Literatuur, zoals critici het woord gebruiken, beantwoordt niet aan die behoefte. Het spel van kinderen daarentegen wel (…) En nu doet de technologie dat ook meer en meer.’
Dit cruciale punt sluit aan bij een argument dat Tolkien himself gebruikt in zijn beroemde lezing On Fairy-Stories (1939). Hij stelt dat fantasy staat of valt bij de gratie van de geloofwaardigheid: 'In kunst valt fantasy het best over te laten aan het universum van woorden, aan echte literatuur. In de schilderkunst resulteert fantasy vaak in frivoliteit of morbiditeit (…) mensen gekleed als pratende dieren zijn lachwekkend, maar ze slagen er niet in fantasy te creëren.’

ECHTE LITERATUUR? Terug naar Martin, met zijn niet-bestaande koninkrijken en personages, bovennatuurlijke wezens, ridders, zwaardgevechten. Met zijn horror en zijn White Walkers die wel of niet hebben bestaan. Ik heb te doen met pessimisten als Greer die vaak het beste met onze cultuur voor hebben, maar A Song of Ice and Fire laat me niet makkelijk los.
De kracht van Martins verhalen ligt in de paradoxale wijze waarop hij voortborduurt op herkenbare conventies van het genre terwijl hij ook de bekende regels op subtiele wijze ondermijnt. Zo zijn de begrippen goed en kwaad anders dan bij Tolkien bij Martin minder duidelijk gescheiden. Wie integer lijkt, ontpopt zich honderd bladzijden verder als een verrader, bijvoorbeeld adviseur Littlefinger, die Ned bijstaat wanneer de Lannisters finaal de macht grijpen. En Ned zelf, wat brengt het hem in zak door almaar vast te houden aan de oude waarden van fatsoen en dapperheid? Zijn fascinerende motivering raakt de kern van een fijn intertekstueel spel met klassieke opvattingen over het heroïsme en de notie van ridderlijke eer zoals die ook bij Tolkien te vinden is.
Het overpeinzen van de gloriedagen van de 'oude ridders’ die Martin 'helden’ noemt, is overigens een belangrijk thema. Het klassieke ridderschap zoals in A Game of Thrones verteld in de oude 'liederen’ wordt constant ondermijnd. Afkomst en sekse zijn in Martins universum allerminst een garantie voor roem en rijkdom. Jon Snow zegt tegen zijn halfzusje Ayra, die zich als zwaardvechter bekwaamt: 'Girls get the arms (familiewapen - gk) but not the swords. Bastards get the swords but not the arms. I did not make the rules.’ Zelfs Daenerys denkt na over de wrange rol van ridders bij de dood van haar vader: 'In the songs, the white knights of the Kingsguard were ever noble, valiant, and true, and yet King Aerys had been murdered by one of them.’
Corruptie verspreidt zich als een lopend vuurtje terwijl Martin het bekende, het verwachte, almaar op z'n kop zet. Wanneer de dwerg Tyrion Lannister, een vijand, maar toch iemand die constant een menselijke kant laat zien, in een kasteel hoog in de bergen wordt vastgezet, spreekt iemand de heerlijke zin uit: 'Take him down to the dungeon. Into the sky cells.’ Dat is ook figuurlijk de omgekeerde wereld: middeleeuws, maar futuristisch, herkenbaar, en toch vervreemdend, high fantasy, maar op een bepaalde manier realistisch.
Dat komt doordat het genre, ook A Game of Thrones, onlosmakelijk aan de werkelijkheid gekoppeld is. Wie bijvoorbeeld iets wil weten over het politieke spel of eigenlijk ieder soort spel dat om macht draait, moet de roman lezen of de serie bekijken. Toen Martins nieuwste werk recent in Engeland verscheen, wezen commentatoren er meteen op dat het verhaal een feilloze reflectie biedt van de corruptie van de clan van mediamagnaat Rupert Murdoch en van de list van hoofdredacteur Rebekah Brooks, die net als Cercei Lannister wel erg opvallend haar heeft. Martins wereld vol corrupte, bange ridders en voluptueuze, liegende vrouwen sluit naadloos aan bij onze eigen dilemma’s over motieven als zelfopoffering en zelfbelang en eer en ongenade.
De connectie tussen het hier en nu en de verbeelde wereld staat centraal in de geschiedenis van en het denken over high fantasy. Door zijn vreemde werelden en wrede personages toont George R.R. Martin ons hoe we echt zijn en in wat voor wereld we nu leven. Dat is niet nieuw, maar het is wel een prestatie van formaat de lezer zo levensecht door de spiegel heen te laten glijden. Lewis Carroll schrijft: 'Fantasy is een natuurlijke menselijke activiteit. Hoe beter en duidelijker de werking van rede in een verhaal, hoe beter de fantasy.’