Door een waas van groen de eeuwige efteling

DE WONDERLIJKSTE ATTRACTIE van de Efteling, of van Disneyland, is de trein. Er wordt weinig over geschreven. Ook mijn voorgangers in deze reeks, Pauline Terreehorst en Rein de Wilde, lijken de trein te hebben overgeslagen. Dat is maar een van de wonderlijkheden.

Je stapt in, de stoomtrein sukkelt langs de grens van het park, getrokken door een locomotief die Moortje, Aagje, Neefje of Trijntje heet. Halverwege is er een tweede station, de trein tuft verder, je stapt uit. Het lijkt een wat saaie attractie, vergeleken met de Python, de Bob, de Pegasus, de Vogel Rok of de Pirana. Het tempo is laag, je ervaart geen prettige doodsangst en je mag er ook in als je hartklachten hebt of zwanger bent. De rit in de grenstrein is een ideale gelegenheid om de boterhammen van thuis aan te spreken.
Maar als een pretpark een enclave is waar je de buitenwereld moet kunnen vergeten, dan wordt nergens in het park duidelijker dan hier dat de enclave een enclave is. Wie naar links kijkt, ziet het hek, soms daarbuiten een weg met een glimp van een fietser of een Mazda, en verderop het Efteling-parkeerterrein. En wie naar rechts kijkt, krijgt een nieuwe en enigszins onthechte indruk van het park. Terwijl de afzonderlijke attracties in het park bedoeld zijn om te lokken en te overweldigen, zijn ze vanuit de trein op afstand geplaatst, fysiek en mentaal. Het zijn nu schouwspelen, follies, of decorstukken. Als je probeert je op een ervan, bijvoorbeeld de achtbaan, de Python, te concentreren, merk je dat de aanblik ervan wordt belemmerd, verzacht en gerelativeerd door een waas van groen. Bovendien zie je veel attracties van opzij en van achteren, waar ze er niet glamoureus uitzien maar gewoon als de utiliteitsgebouwen die ze zijn. Alsof zij met hun bipsen ook al buiten het park staan.
Als een pretpark een spel is van illusie en werkelijkheid, dan is de grenservaring in de trein misschien wel de gedurfdste en riskantste ride die het park biedt. Hier is het spel zélf de inzet.
PRETPARKEN HEBBEN geschiedenis. Ze hebben een voorgeschiedenis, een stamboom, en als ze er eenmaal zijn ontwikkelen ze zich verder, ze groeien, verouderen, verjongen zich, worden beïnvloed en beïnvloeden zelf. De eeuwige Efteling is daarom niet zo'n goede titel voor deze serie, net zoals Eeuwige schoonheid een ongelukkige vertaling is van E.H. Gombrich’ The Story of Art.
Pretparken onderling hebben verschillende stambomen en geschiedenissen. Soms lijken ze op elkaar of verschijnen ze in elkaars stamboom, maar toch blijven ze verschillen - ongeveer zoals het verschil in families tussen eigen en aangetrouwd. Voor het genealogisch onderzoek zijn namen een eerste indicatie. ‘De Efteling’ is een variant op 'De Eersteling’, de naam van een boerderij-herberg die eeuwen eerder in Kaatsheuvel stond, als om aan te duiden dat het nieuwe vertier slechts een nieuwe variant was van het eeuwenoude op dezelfde plek. 'Disneyland’ verwijst naar één man en zijn fantasie. Disneyland had op een willekeurige plek kunnen ontstaan, de Efteling niet. De Efteling kun je begrijpen zonder de geestelijke vaders te kennen, Disneyland niet.
Vooral de stamboom van Disneyland is uitputtend onderzocht. Alles aan Disneyland is uitputtend onderzocht. Sinds het in 1955 in Anaheim bij Los Angeles openging, live op televisie met acteur Ronald Reagan als co-presentator, trok het behalve een miljoenenpubliek ook intellectuele aandacht, met stroomversnellingen vanaf de jaren zeventig dankzij de opkomst van het postmodernisme en social studies. Zodat Alan Bryman in zijn studie over de studies over Disney, Disney and his Worlds (1995), een literatuurlijst van dertien pagina’s kon overleggen, die dan nóg incompleet is.
Walt Disneys werk kan met ongeveer alles in de veelzijdige twintigste-eeuwse cultuur in verband worden gebracht, maar het heeft ook alles te maken met zijn persoonlijkheid. Zelf ontkende hij dat. Psychologiseren vond hij onzin. 'De ironie’, schrijft biograaf Marc Eliot, 'was dat juist Disneys emotionele oogkleppen hem zijn wijde artistieke blik gaven. Juist door die bewuste ontkenning werd zijn aandacht verslapt en daarmee zijn greep op de verborgen kracht van zijn films, en werd hij bevrijd van het keurslijf van een zorgvuldige zelfevaluatie.’ Met andere woorden, wat anderen op de freudiaanse divan aan monsters en sentimenten spuien, spreidde hij in verleidelijker vormen over heel de wereld uit. De 'geëxternaliseerde fantasieën’ liggen voor het oprapen. Zijn favoriete zelfbeeld was de joviale, brave, preutse Mickey Mouse, en in Donald Duck ontsnapte de driftkop die hij ook was. De helden van zijn grote films beginnen allemaal met persoonlijkheidsstoornissen. Tijdens het werk aan Pinokkio ging zijn moeder dood, en prompt verwijderde hij de 'moeder’ van Pinokkio, mevrouw Geppetto, radicaal uit het script. De twee kinderen in Mary Poppins doen Eliot denken aan Walt en zijn broer Roy in hun ongelukkige jeugd. En in de relatie van Sneeuwwitje tot haar dwergjes weerspiegelt zich Walts 'zelfaangemeten paternalistische relatie tot zijn werknemers’.
Overal in Disneys werk loeren zo de diepten van de autobiografie. Ook in het grote project van zijn tweede jeugd, Disneyland, zoals kunsthistorica Karal Ann Marling haast achteloos opmerkt: 'All of Disneyland is Walt Disney.’ En waar zijn autobiografie is, zijn de treintjes nooit ver weg.
WALT DISNEY WAS IN 1941 veertig, hij had alles bereikt en hij was een geestelijk wrak. Hij zat in een van zijn periodieke depressies, met als bijverschijnselen haaruitval en een sigarettenconsumptie van drie pakjes per dag. Meestal hielp een lange vakantie of het doktersadvies een hobby te nemen. Ditmaal was de crisis te herleiden tot een staking van zijn personeel om het recht op vakbondslidmaatschap. Iedere Amerikaanse baas zou kwaad en hard hebben gereageerd, maar Disneys woede en decorumverlies waren buitensporig. Zijn charisma brak: stel je voor, de zeven dwergen spanden samen tegen Sneeuwwitje!
De staking veranderde zijn leven. In de volgende jaren wierp hij zich maniakaal op twee nieuwe hobbies: poppenhuizen en, vooral, modeltreintjes. Die kwamen niet uit de lucht vallen. Terwijl het eens zo machtige openbaar-vervoersysteem in de Verenigde Staten dramatisch instortte, beleefde de treinenliefde een hausse. Disneys medewerker Ward Kimball raakte al in 1938 aangestoken, kocht een oude trein op en liet die op driehonderd meter spoor bij zijn huis rondrijden. Anderen behielpen zich met een modelspoorbaan. En net als de stoomtreinen beantwoordden ook de miniatuur-stijlkamertjes die op de wereldtentoonstelling van 1939 in San Francisco voor een sensatie zorgden, aan nostalgische sentimenten. De geluiden, kleuren, vormen en geuren van het verleden werden een rage. Amerika schiep zich beelden uit een mooie, rijke geschiedenis. Karal Ann Marling voert in Designing Disney’s Theme Parks ook een andere verklaring aan: 'Kinderen zijn dol op poppenhuizen en speelgoedtreintjes omdat die hun kleine vingertjes macht geven over de gevaarlijke, verboden en frustrerende volwassenenwereld.’ Kennelijk gold dat niet alleen voor kinderen.
Het grote kind Disney kreeg het wel heel zwaar te pakken. De gevierde filmer leek zichzelf in kindsheid te hebben gestort en in de studio deed hij weinig meer dan met treintjes spelen. Het was waarschijnlijk de enige therapie die bij hem werkte. Nu hij de lol in het filmen had verloren, trok hij zich terug om iets voor te bereiden wat nog grootser zou zijn. 'De nauwgezette kunst van de animatie’, schrijft Marling, 'was de kunst van het perfectioneren van de wereld. Het was een wereld waarover Walt Disney totale, weldadige controle uitoefende. Zou hij dat in het echte leven ook kunnen?’
Beetje bij beetje kreeg hij greep op zijn werkelijkheid en groeide hij op in zijn nieuwe fantasie, van kleine treintjes naar grotere. In de royale tuin van zijn huis liet hij een railparcours aanleggen van bijna een kilometer lang, met treintjes van schaal 1:8. Het parcours werd omgord met een aarden wal om de buren niet te ontrieven. Voortaan hoefde hij zich niet meer onhandig te voelen in gezelschap, want hij zette zijn gasten, zoals Salvador Dali, gewoon op de trein voor een rondrit. Maar zelfs een kilometer spoor is niet erg veel en al spoedig zinde Walt op een verdere schaalvergroting. Die werd helemaal urgent nadat de trein ontspoorde, een muur ramde, in de huiskamer tot stilstand kwam en aldus een acute crisis veroorzaakte in het toch al stekelige huwelijk van Walt en Lillian.
In 1948 bezocht Disney de Chicago Railroad Fair, het walhalla voor alle treintjesmaniakken. Er waren talloze treinen te zien, te horen en te ruiken, groot en klein, oud en nieuw, en om het tentoonstellingsterrein heen was een ringspoor aangelegd. Op de treinreis naar huis bleef hij maar overlopen van geestdrift. Zijn reisgenoot Kimball herinnerde zich later: 'Disneyland was already forming in his mind.’ Ook andere medewerkers noemden naderhand de treinen 'de eerste aanwijzing’ voor wat Disneyland zou worden. Op de eerste ontwerpschets uit 1951, voor een terrein naast de Disney-studio, is het ringspoor dominant. Toen hij een andere locatie zocht, liet Walt zijn oog vallen op een in onbruik geraakt rangeerterrein; pas in tweede instantie ging hij akkoord met de uiteindelijke plek in Anaheim.
Het ontwerpen en maken van Disneyland was inmiddels een enorme onderneming geworden, die heel Amerika kon meebeleven dankzij Disneys wekelijkse televisieprogramma. Maar wat er in de volgende jaren in de plannen en in de aanblik van het park ook veranderde, de omarmende spoorlijn bleef. In de volgende parken, in Florida, Japan en Frankrijk, werd erop gevarieerd en ook andere pretparken namen het idee van een spoorlijn als begrenzing over. De Efteling deed dat in de late jaren zestig.
OP DE EERSTE SCHETSEN voor een Disneypark uit 1951 waren, binnen de spoorring, al nostalgische huisjes en een meertje met een raderboot te zien. Die zouden later in Disneyland terugkeren. In de vele ontwerpen die volgden, kregen de ingrediënten van het uiteindelijke park langzaamaan hun plaats. Structuurbepalend werd een as die bij de ingang begint, dan door de nostalgische Main Street voert, naar het centrale ronde plein Central Plaza en de grote blikvanger, het kasteel van Doornroosje. Alles wat er verder nog te zien en te doen kon zijn in het park kristalliseerde zich uit in attracties met elk een eigen thema, als verhalen in een raamvertelling. Hoe krachtig die attracties ook waren, ze zijn in feite van ondergeschikt belang en inwisselbaar. Tijdens de ontwerpfase werd er veelvuldig mee geschoven en ook in de decennia na 1955 is er onophoudelijk aan gesleuteld.
'All of Disneyland is Walt Disney’. Hij 'sprak zijn innerlijke engelen en demonen aan’ om het tot stand te brengen en wijdde het 'aan de herinnering aan een gelukkige jeugd die hij nooit had gehad’, aldus Eliot. Disneyland is voorts Walts interpretatie van 'de idealen, de dromen en de harde feiten die Amerika hebben geschapen’, zoals hij het zelf uitdrukte. In Main Street, alfa en omega van ieder bezoek aan Disneyland, is de idealiserende verwerking van het verleden volgens talloze beschouwers goed te zien. Het is de hometown zoals hij zich die droomde en 'het meest persoonlijke, karakteristieke deel van de autobiografie’, schrijft Marling. Het plein, de étoile van het park, is daarna een soort rad van fortuin waaraan iedere bezoeker naar believen mag slingeren, om altijd uit te komen bij een van Disneys deeldromen over verleden, toekomst of knuffeldieren. En het kasteel van Doornroosje zou uit een psychoanalyse weleens te voorschijn kunnen komen als een Walt-mausoleum, als zijn gooi naar een overwinning op de dood.
'Dit is echt. Het park is de werkelijkheid’, legde hij naar verluidt uit aan televisiedominee Billy Graham. 'Hier zijn de mensen naturel, ze hebben plezier, ze communiceren. De fantasie is daarbuiten, buiten de poorten van Disneyland, waar de mensen haat en vooroordelen kennen. Dat is niet écht echt.’ Filosofen als Jean Baudrillard zien in dergelijke uitspraken aanleiding om diepgaand te mediteren op kwesties van authenticiteit, maar vanuit biografische invalshoek bezien valt het op zijn plaats. Dit was zijn werkelijkheid, zijn geëxternaliseerde fantasie, zijn meest innerlijke wijkplaats, en hij wilde iedereen erin laten delen. Toen zijn land af was, zag hij dat het goed was. Zijn grote-kinderfantasie en zijn marktinstinct bleken opnieuw te zijn samengevallen. Meteen na de opening betrok hij een pied-à-terre boven de brandweerkazerne aan Main Street, overigens zonder Lillian, want die vond het maar niks. Af en toe ging hij uit kuieren om een praatje met bezoekers te maken. 'De meeste dagen echter zat hij opgesloten in zijn appartement en stond hij bij het raam naar de mensen te kijken die over de boulevard van zijn dromen liepen’, aldus Eliot, 'terwijl de tranen over zijn wangen stroomden.’ Hij was, zo leek het, thuisgekomen in zichzelf.
ER IS IETS MERKWAARDIGS met dat kasteel van Doornroosje. Een van de populairste attracties van iedere wereldtentoonstelling was de uitkijktoren die een machtig uitzicht over de verre omgeving bood. De Eiffeltoren is daarvan de bekendste, maar bijvoorbeeld de Philadelphia Centennial in 1876 had ook al een ijzeren toren van honderd meter hoog, die na afloop verhuisde naar het pretpark Coney Island. Disneyland heeft geen toren. Tegelijkertijd is heel Disneyland omringd door een dicht begroeide wal, net als Disneys eigen tuin. Toen een hotelketen vlakbij een gebouw wilde neerzetten dat vanuit Disneyland zichtbaar zou zijn, zette Disney zwaar geschut in om dat te verhinderen. Terwijl een weids panorama een beproefd publiekssucces was, zag Disney er dus nauwgezet op toe dat in zijn park de buitenwereld volledig onzichtbaar was. Behalve dan vanuit de kasteeltoren, het hoogste punt van Disneyland, en juist die was niet voor het publiek toegankelijk.
Het kasteel is daarmee het contrapunt van de ringspoorlijn. Beide liggen aan de grens van Disneyland, respectievelijk aan de boven- en de buitengrens, en daarmee aan de grens van Disneys weldadige almacht. Hier was zijn zo zorgvuldig opgebouwde droom op haar kwetsbaarst, ze kon zo in duigen vallen. De mogelijkheid om de buitenwereld te zien, werd uitgesloten en in ruil daarvoor biedt de spoorlijn een naar binnen geklapt panorama. Vanuit de trein is de hele wereld te zien, maar dan wel de wereld volgens Disney. Het ringspoor scheidt echt van onecht en houdt de droom bijeen.
Het is daarom opmerkelijk hoe weinig erover is geschreven. De as en de étoile zijn als structurerende elementen herkend. Iedere attractie is binnenstebuiten geanalyseerd. Maar wat betekent het dat dit alles door een spoorlijn ombonden wordt, een spoorlijn die er bovendien als allereerste was? Een bezoek aan Disneyland is wel eens beschreven als een pelgrimage, en de binnenkomst naar Main Street als een rite de passage; maar wat betekent het dat deze binnenkomst er een is onder het spoor door? De freudiaanse connotaties van treintjes die almaar rondjes rijden, laat ik dan nog rusten.
Geen van de Disney-vorsers die ik las besteedt er veel aandacht aan. Karal Ann Marling documenteert uitvoerig de rol van Disneys treintjesmanie in de voorgeschiedenis van het park, maar zet niet de volgende, duidende stap. Alan Bryman vond bij de driehonderd auteurs die hij raadpleegde niets over het spoor dat hij het vermelden waard vond. Ook biograaf Marc Eliot blijft in gebreke. Terwijl architecten en stedebouwkundigen sinds enige tijd zowel de periferie van de stad als Disneyland hebben ontdekt, blijft de periferie van Disneyland nog onbesproken. Zelfs de tegendraadse onderzoekers van The Project on Disney zoeken hun weg bínnen en nooit lángs de grenzen. Ze doen het ringspoor af als een 'excentrieke wens’ van Walt en ze beseffen niet welke gouden kans ze met die typering laten liggen. Heeft iemand ooit die trein genomen?
Ik beken, ook ik heb de rondrit aan mij voorbij laten gaan. Het leek mij niet interessant genoeg, en de rij was te lang, op die kerstdag 1997. Dat was fout. Ik vrees dat ik terug moet. Er is nog veel onderzoek te doen.
DE RONDRIT OM DE EFTELING is anders dan de rondrit om Disneyland. Beide gaan om vrijwel het hele park heen en de Efteling nam het idee van een ringspoor over van Disneyland, maar de beleving is slechts tot op zekere hoogte vergelijkbaar. In Disneyland was de spoorlijn weinig minder dan de raison d'être van het hele plan; het park is in origine niet anders dan het miniatuurlandschap op de zolder van een treintjesgek, behalve dat het groter uitviel. In de Efteling is de spoorlijn een toevoeging die een verrassend inzicht geeft in dat waaráán het is toegevoegd. De trein van Disneyland omcirkelt een psychogram, die in de Efteling een plek.
Ik nam de grenstrein van de Efteling en ontdekte een oude en wonderbaarlijk goed bewaarde essentie van die plek: het is een park. Ik probeerde vanuit de trein de Python te zien, werd daarin belemmerd door de bomen en merkte hoe gemakkelijk het is om de manier van kijken om te keren en eigenlijk alléén maar groen te zien. Ook de fietser en de Mazda buiten het park waren ingelijst in groen. De grens kon hier kennelijk heel wat nonchalanter worden vormgegeven dan in het omdijkte Disneyland.
Toen ik was uitgestapt, bleek het eenvoudig om een blik te handhaven die niet in eerste plaats gericht is op de attracties maar op het park waarin ze zijn ingebed. Het is opmerkelijk hoezeer het sprookjesbos een bos is, en een wandeling hier vooral een boswandeling met af en toe een attractie. Het is even opmerkelijk hoezeer deze ruime parkopzet ook in latere uitbreidingen is volgehouden. Het geheim van de Efteling, beschouwd als een van beste pretparken ter wereld, zou wel eens niet in de attracties kunnen schuilen maar hier, in het parkkarakter en in de royale opzet van de wandelroutes, waar een uitgekiende buffering van voetgangersstromen samenvalt met het pittoreske.
Walt Disney noemde het fraaie oude wandel- en attractiepark Tivoli in Kopenhagen als een van zijn inspiratiebronnen. Hoewel de Efteling zich voor zover ik weet nooit op die voorouder heeft beroemd, is de verwantschap zeker zo groot als in Anaheim. Niet Mickey Mouse is alomtegenwoordig, maar de bomen. We denken dat we naar de Efteling komen voor de kick van de acht- en wildwaterbanen, en alles bij elkaar besteden we daar ook wel een paar kwartiertjes op een dag aan, maar ondertussen, bijna zonder het te merken, we’re strolling down lovers’ lane. En in de verte dwarrelt Trijntje’s stoomfluit.
Bronnen: Alan Bryman, Disney and his Worlds, Routledge 1995); Beth Dunlop, Building a Dream: The Art of Disney Architecture, Harry N. Abrams Inc. (1996); Marc Eliot, Walt Disney: Het controversiële leven van Hollywoods grootste kindervriend, Plantinga (1994); Karal Ann Marling (red.), Designing Disney’s Theme Parks: The Architecture of Reassurance, Flammarion (1997); The Project on Disney, Inside the Mouse: Work and Play at Disney World, Duke University Press (1995).