Door en door gezellig

Rutger Bregman probeert een omslag in het denken te bewerkstelligen met zijn gedragsgids De meeste mensen deugen. Maar waar blijft de politiek in dit verhaal?

Rutger Bregmans boeken liggen uitgestald op luchthavens van Frankfurt tot Shanghai. De Britse mediamagnaat Rupert Murdoch werd onlangs aan het zwembad gefotografeerd met zijn Utopia for Realists. Mark Zuckerberg kent hem bij naam. In een filmpje zagen we Bregman in een panel op het Zwitserse Davos-forum, waar politici en miljonairs jaarlijks samenkomen om te overleggen over wereldproblemen. Halverwege nam de historicus ineens het woord. ‘Belastingen!’ sprak hij kordaat, ‘daar moeten we het over hebben! Ik voel me als een brandweerman op een conferentie over brandblustechnieken die het woord “water” niet mag uitspreken. Belastingen verdomme – daar moet het over gaan!’ Bregmans uitspraak belandde op Twitter, de kijkcijfers schoten de hoogte in en voor hij het wist zat hij bij Fox News. ‘De Nederlandse historicus die de Davos-elite in zijn hemd zette’, kopte The Guardian de dag erna.

Bregman bezit een uitzonderlijk vermogen om granaatjes op te werpen, conceptuele zaadbommen te planten die tot debatten uitbloeien, of het nu over het basisinkomen, vooruitgangsdenken of ongelijkheid gaat. De meeste mensen deugen is een gepassioneerd pleidooi voor niet minder dan een herziening van ons mensbeeld en een oproep tot collectieve gedragsverandering. Volgens Bregman is de aangeboren goedheid van de mens een ondergeschoven feit geworden. Sterker nog: onze aangeboren slechtheid is een van de meest hardnekkige en schadelijke mythes van onze tijd – een ‘levensgevaarlijke fictie’.

Bregman brengt een indrukwekkende berg bewijs te berde om die fictie te ontkrachten. Lord of the Flies is een boeiende roman, maar klopt niet met de werkelijkheid. Jongens die strandden op een Australisch eiland begonnen samen te werken in plaats van elkaar uit te moorden. Duitse soldaten vochten van 1940 tot 1945 niet enthousiast voor het nazisme, maar eerder vanwege een gevoel van kameraadschap. Het Paaseiland werd helemaal niet door kannibalen bevolkt, maar door lieftallige landbouwers. Bregman bedrijft daarmee wat we een ‘seculiere theodicee’ kunnen noemen: het bewijs van de uiteindelijke goedheid van onze wereld, ook al lijkt die goedheid soms pijnlijk afwezig.

Een van de voornaamste doelwitten van Bregman is de vernistheorie: beschaving zou maar een dun laagje zijn dat het bij het minste of geringste begeeft, ‘een dunne korst op het kolkende magma van de menselijke natuur’. Het bewijs in De meeste mensen deugen spreekt die theorie met kracht tegen. ‘Juist als de bommen uit de lucht vallen of de dijken breken, komt het beste in ons naar boven.’ Zie de gezamenlijke kerstmisvieringen van 1914, of de spontane solidariteit na orkaan Katrina in 2002.

Daar is ook een evolutionaire basis voor. Bregman verklaart in zijn boek dat de homo sapiens zijn rivalen niet overwon met bloedlust, tact of baldadigheid maar door coöperatie: de ‘homo puppy’-theorie. De mens blinkt uit in zachtaardigheid tegenover andere apensoorten; niet onze hang naar competitie maar die naar samenwerking verklaart onze biologische voorsprong. Die hang bestaat uit het ‘basiscommunisme’ dat we dagelijks praktiseren bij vrienden en familie, thuis en op school. De mens is een door en door ‘gezellig’ wezen.

Dat roept ook voor Bregman uiteindelijk de onheilspellende vraag op die voor het eerst door de Griekse filosoof Epicurus werd opgeworpen: unde malum? Oftewel: vanwaar komt dan het kwaad? Hier speelt het concept ‘nocebo’ voor Bregman een sleutelrol. Variërend op het bekende placebo-effect heeft hij het over een ‘massale psychogene ziekte’ die ons overtuigt van onze eigen slechtheid, een beschavingssprookje dat ons mentaal gijzelt en onze verbeeldingskracht afsluit. De grootste nocebo’s zijn het nieuws, televisie, religie en de geschriften van Verlichtingsfilosofen als Thomas Hobbes. Daarmee wordt de homo puppy voorgelogen en geïndoctrineerd, gehersenspoeld en gemanipuleerd. Als we geloven dat de meeste mensen niet deugen, gaan we elkaar ook zo behandelen en halen we het slechtste in elkaar naar boven, aldus Bregman.

Op den duur creëren die verhalen een collectieve illusie, met bijbehorende verwachtingen, gedragingen, instituties. Staten, markten en partijen zijn zo ingericht dat we móeten aannemen dat anderen zich slecht zullen gedragen. Overleven verplicht ons tot dierlijkheid – ook al ligt die dierlijkheid niet in onze genen. De holocaust was voor Bregman ‘het eindpunt van een langdurig historisch proces waarin het kwaad zich steeds beter vermomde als het goede’. Schrijvers, dichters, filosofen en politici vergiftigden jarenlang de psyché van het Duitse volk, en oogsten wat ze zaaiden: massamoord.

Ook tegenover het meest ondenkbare kwaad houdt Bregman vast aan de fundamentele goedheid van de mens. En hier beginnen de vragen zich onhoudbaar op te stapelen. Ging het nazisme echt over gruwel als het ‘goede’ camoufleren? Zagen de nazi’s dat zelf ook zo? Figuren als Himmler, Hitler en Eichmann wisten dat hun misdaden onuitsprekelijk waren, en volhardden in het kwaad. Zoals Himmler in 1943 de soldaten toesprak: ‘We hebben het volgehouden en we zijn toch fatsoenlijke jongens gebleven. Dat was moeilijk. Hier hebben we het over een glorieuze pagina in onze geschiedenis die nog niet geschreven is en nooit geschreven zal worden.’

Niet competitie maar samenwerking verklaart onze biologische voorsprong

Dat zo’n drang alleen maar op grote, anonieme schaal uitgeoefend kan worden – zoals bij bureaucraten de shoah – lijkt ook wat onwaarschijnlijk. In intieme kring begaat de mens gruweldaden zonder weerga. Het meeste kindermisbruik vindt nog steeds in familieverband plaats. In de geschiedenis bestaan er geen dodelijkere oorlogen dan burgeroorlogen. Toen een groep Poolse boeren eind jaren zeventig door documentairemaker Claude Lanzmann gevraagd werd wat ze van het lot van hun oude joodse buren vonden, verklaarden ze dat het jodenprobleem op een dag toch ‘opgelost’ moest worden.

Bregman verzamelt vele bewijzen om aan te tonen dat de mens ten diepste sociaal is, een ‘homo coöperans’. Daarmee ontstaat een verlammende vraag: waarom bestaat er eigenlijk politiek? Indien alle vragen tot kwesties van persoonlijke moraal te herleiden zijn, waarom hebben we dan de slechte gewoonte steeds met politiek bezig te zijn en dat morele register op te schorten? Bregman geeft toe dat de mens een ‘constructivistisch’ dier is. ‘Het jodendom en de islam, het nationalisme en het kapitalisme’, zo stelt hij, zijn weinig meer dan ‘producten van onze fantasie’. We maken afbeeldingen van onszelf en willen dan op die afbeeldingen gaan lijken. Vanaf daar stelt Bregman een verlenging van private generositeit voor. Wat in familieverband kan moet nu mondiaal plaatsvinden, op grote schaal, met de planeet als een soort macro-familie.

Maar daar begint politieke filosofie net. Sinds Aristoteles weten we dat de polis het einde is van de oikos: er gelden andere wetten op het forum dan in het huis. Dat houdt in dat mensen die op persoonlijke basis erg goed met elkaar overweg kunnen, politiek danig van mening kunnen verschillen. Abraham Lincoln was persoonlijk bevriend met slaveneigenaars, maar begon toch een oorlog tegen hun staat. Dat is ongemakkelijk voor Bregman, vooral in het licht van oproepen om miljonairs meer belastingen te doen betalen. Dat is immers geen kwestie van een persoonlijke attitude of gedrag. Zelfs als Jeff Bezos zich vriendelijk zou gedragen tegen zijn werknemers, zou hij brandschoon de rijkste man ter wereld zijn. Tegen die macht helpen uiteindelijk maar twee dingen: de dwang van een staatsapparaat, of een collectieve actie. Daar vertelt Bregman ons weinig over.

Dit wordt vooral zichtbaar in zijn remedies. De meeste mensen deugen sluit af met een oproep tot een basisinkomen. Perfect haalbaar volgens Bregman, zowel financieel als individueel; mensen hebben immers van nature een neiging tot behulpzaamheid en creativiteit. Als voorbeeld noemt hij onder andere het Alaska Permanent Fund dat in 1976 werd opgericht. Toen die Amerikaanse staat na de oorlog olie ging boren, besloten Republikeinse gouverneurs om met een deel van de oliewinsten een toelage te financieren. Het idee was dat de staat dit overschot direct aan de burgers kon terugstorten.

Bregman is eerlijk over de rechtse oorsprong van het idee. De uitvinders waren geen linkse radicalen. Toch staat hij hier amper bij stil. De politici die het fonds lanceerden, wisten maar al te goed dat hun plan marktversterkend zou zijn: de publieke sector zou worden teruggedrongen en mensen zouden privaat hun geld gaan uitgeven. Die erfenis is in Alaska nooit verdwenen. In juli 2019 kondigde de gouverneur van Alaska bijvoorbeeld een snoeiharde bezuiniging bij de staatsuniversiteit aan. De helft van het budget moest op de schop, gebouwen werden verkocht, personeel ontslagen. De redenen waren voorspelbaar. Alaska wilde zijn basisinkomen verdubbelen en kon dat niet doen door een lagere olieprijs. Volgens critici waren er alternatieven: men kon een nieuwe bibliotheek bouwen, of de universiteit simpelweg gratis houden. De Republikeinen antwoordden aanmatigend. Want wie heeft er behoefte aan een universiteit als je je boeken kunt kopen op Amazon?

Net als in zijn vorige boeken speelt Bregman in De meeste mensen deugen gretig leentjebuur bij academici als David Graeber, Frans de Waal, James C. Scott, Guy Standing. Die eerste besprak het ‘nucleair communisme’ al in de jaren negentig en is voorstander van het basisinkomen. Ook in Nederland kent Bregman voorgangers. In de jaren zeventig was de Amsterdamse provo Roel van Duijn al voor een inkomensgarantie.

In een gesprek met Bregman uit 2015 gaf Van Duijn ook wat verschillen aan tussen beide denkers. ‘Jullie zijn eenzaam verdwaald in luilekkerland’, stelde hij. ‘Ik zag provo als een duizendkoppig monster dat de wereld zou veranderen. Tegelijkertijd had ik een verborgen ideaal: dat we een harmonische vriendenclub konden zijn… Toen provo ten slotte werd opgeheven, tegen mijn zin, ben ik daar letterlijk ziek van geweest.’ Het verschil met Bregman is onthullend. Van Duijn zag op tegen een verzuild middenveld. Politici waren nog sterker in de samenleving verankerd, de partijdemocratie betekende nog iets. Daarop modelleerde Van Duijn zijn eigen organisatie, als een grote, lieve vriendenclub. Bregman heeft geen echt partijlandschap om zich tegen af te zetten. Hij geeft toe: ‘Mensen van mijn generatie zijn bijna nergens lid van en de verbintenissen die ze hebben zijn kortdurend en vluchtig. Het punt is dat we niet weten wat de alternatieven zijn, voor welke ideeën we moeten strijden.’

Bregman bood hiermee een inkijk in zijn eigen twijfels. Honderdduizenden van zijn Twittervolgers zijn oprecht verontwaardigd over toenemende ongelijkheid, een verwoest milieu en onmenselijke gevangenissen. Over al die zaken licht Bregman ze deskundig in, maar jammer genoeg brengt hij hun weinig bij over politieke actie, krachten die onze menselijke goedheid zouden kunnen afdwingen. Wanneer hem gevraagd wordt of hij politici als Jeremy Corbyn, Alexandria Ocasio-Cortez of Bernie Sanders steunt, blijft hij afstandelijk. Hij doet niet ‘zo’ aan politiek. Dat wordt hem door sommigen niet in dank afgenomen. Want wie gaat die miljardairs verplichten om hun belastingen te betalen, of in te stemmen met een basisinkomen? Toch niet Rupert Murdoch of Mark Zuckerberg? In de twintigste eeuw gingen staten niet zomaar iets halen bij het grote geld. Dat deden ze onder druk van stakingen, rellen, massabewegingen. Oftewel: politiek.

Hoezeer Bregman in De meeste mensen deugen de onrechtvaardigheid van ons belastingstelsel, gevangenissysteem of welvaartsstaat ook inziet, uiteindelijk blijven zijn conclusies confuus: ‘Kom uit de kast, schaam je niet voor het goede’, ‘Vermijd het nieuws’, ‘Verbeter de wereld’, ‘Heb je naaste lief’. Zijn boek is een persoonlijke gedragsgids voor mensen die met hun nieuwe geloof aan de slag willen. Zo kunnen ze de wereld veranderen door ieder apart hun steentje bij te dragen, steeds op individuele basis. Wat dat betekent voor je partijkaart, je stemkeuze, je godsgeloof, je organisatie, welke leiders je kiest of welke organen – staat of markt, nationaal of mondiaal – je wil aanwenden om uitdagingen als de opwarming van de aarde te trotseren komen we niet echt te weten. Politiek lijkt hier toch vooral iets voor politici, mensen die Thomas Hobbes gelezen hebben en alleen het slechte in de mens zien. Misschien is dat ook de voornaamste reden waarom De meeste mensen deugen ons niet echt verklaart waarom, indien de mens goed is, de wereld dat duidelijk (nog) níet is.


In een eerdere versie van dit artikel stond dat Rutger Bregman in 2012 een gesprek had met de Amsterdamse provo Roel van Duijn. Dat moet 2015 zijn en is inmiddels aangepast. Daarnaast werd Paaseiland niet door jager-verzamelaars bevolkt maar door landbouwers.