Leven en dood van Klaus Mann

Door het lot geslagen

Het leven van Klaus Mann móest wel eindigen in een zelfgekozen dood. Dat blijkt vooral uit een reconstructie van zijn laatste levensdagen. «Hij had nooit oud kunnen of willen worden.»

De uitgevers van de dagboeken die Klaus Mann bijhield tussen de nieuwjaarsdagen van 1933 en 1949 hadden weinig reden tot klagen: de schrijver hield een nauwkeurig logboek bij over de golfstromen van zijn emoties. Maar op 19 oktober 1940 scheurde Klaus Mann ruw een bladzijde uit zijn journaal. De weinige krabbels die van die dagtekening zijn terechtgekomen op de daarop volgende, niet-uitgescheurde bladzijde, doen vermoeden dat de auteur zijn nabestaanden de ergste uitingen van zelfhaat wilde besparen.

«… en andere? Ik moet toch fouten van een gruwelijke soort hebben gemaakt. Waarom zou ik anders zo volledig in de steek zijn gelaten? Alleen nog maar boetedoening. Hoe lang nog? … Troosteloosheid. IJzige troost van de dood. (Dat ik dit moet opschrijven is het bewijs van mijn opperste armoedigheid. Geen menselijk oor. Altijd alleen maar dat papier.)»

Negen jaar later, op 1 januari 1949 schrijft hij: «Ik wens dit jaar niet te overleven.» Daarna stopt Klaus Mann met de boekhouding van zijn wanhoop. Laatste notitie op 20 mei 1949: «22 uur: Louis (Zanzi-Bar).» Over die Louis, waarschijnlijk de zoveelste passerende lover, is verder niets bekend. Achtenveertig uur later is Klaus Mann dood.

Grete Weil, een geestverwante vriendin en schrijfster, is niet verbaasd als ze het nieuws hoort. In de documentaire Treffpunkt im Unendlichen, die Heinrich Breloer in 1982 over de «levensreis» van Klaus Mann maakte, zegt ze: «De oorzaak is dat hij werkelijk niet meer wilde leven. Ein wirklich nicht mehr wollen. Elke utopie uit onze jeugd is uiteindelijk op niets uitgelopen. Het was te zien dat al het oude gewoon doorging. Daar kwam voor hem persoonlijk bij dat hij zich nergens thuisvoelde. Hij leidde eigenlijk een arm bestaan. Steeds weer die vernederingen. Een vreselijk leven.»

Thomas Mann, de beroemde vader, op een Europese lezingentournee zojuist gearriveerd in Stockholm, noteert op 22 mei 1949 in zijn dagboek: «Bij aankomst in hotel hevig geschokt. Telegram dat Klaus in Cannes in hopeloze toestand is opgenomen. Kort daarop telefoon van Erika’s vriendin aldaar. Mededeling van zijn dood. Lang bijeen zijn in bittere droefenis. Mijn medelijden met het moederlijk hart en met Erika. Hij had ’t ze niet mogen aandoen. Hij heeft het kennelijk in een opwelling gedaan, met slaappillen die hij betrok van een New Yorkse drogisterij. Zijn oponthoud in Parijs noodlottig: morfine. Veel over hem en het reeds langdurig en onweerstaanbaar werkende doodsverlangen. Het krenkende, niet mooie, wrede, van consideratie en verantwoordelijkheid gespeende.»

Golo Mann, Klaus’ lievelingsbroer, zegt in Breloers televisiedocumentaire met nauwelijks ingehouden woede over dit citaat uit zijn vaders dagboek: «De tekst dat Klaus het zijn zus en zijn moeder niet had mogen aandoen, die wil ik mijn vader nog wel vergeven. Maar dat schrijven over ‹onverantwoordelijk handelen› — zo praat je niet over volwassen en persoonlijk gerijpte zelfmoordenaars. Als ze het doen, dwingen uitermate wanhopige omstandigheden hen daartoe. Onder iets betere omstandigheden had Klaus het misschien een jaar later gedaan. Maar zich ervan losmaken, nee dat kon hij niet meer.»

Volgens de Duitse «literatuurpaus» Marcel Reich-Ranicki (in zijn kwaadaardige essay Schwermut und Schmink) is Klaus Heinrich Mann (geboren 18 november 1906, één jaar na zus Erika) bijna van meet af aan drie keer door het lot geslagen. «Hij was homoseksueel. Hij was verslaafd. Hij was de zoon van Thomas Mann.» Reich-Ranicki laat in het midden welke mokerslag van het lot het hardste aankwam, maar stelt vast dat ze allemaal op de een of andere manier steeds uitkomen bij de figuur van de vader, beroemd schrijver, Nobelprijswinnaar en Geheimrat Thomas Mann, en dat Klaus Mann zich noch door de vader, noch door de drieslag van het lot ooit uit het veld heeft laten slaan.

Om te beginnen vond hij het onverdraaglijk om zijn homoseksualiteit te verbergen, dit in tegenstelling tot Thomas Mann, die homo-erotische gevoelens aanvankelijk uitsluitend esthetiseerde (in zijn beroemde novelle Tod in Venedig uit 1912), om ze op latere leeftijd knarsetandend nog slechts toe te vertrouwen aan zijn geheime dagboek — in een van de laatste jaren van zijn leven schrijft Thomas Mann na het zien van een mooie jongen smartelijk dat hij die jongen liever had gehad dan al zijn meesterwerken

Zoon Klaus, ongeveer het prototype van de «geboren homo», heeft zijn homoseksualiteit vasthoudend geconsumeerd en gretig gepropageerd: zijn literaire debuut Der fromme Tanz uit 1925 (hij is dan negentien) is een van de eerste romans over homoseksualiteit in de Duitse literatuur. Maar Klaus Mann heeft ook nooit onder stoelen of banken gestoken dat hij de mannen liefde zag als een wreed en diep verdriet. «Je kunt deze eros niet belijden», schrijft hij in zijn autobiografie. «Zonder een vreemdeling te worden in onze samenleving zoals die nu eenmaal is: je wijdt je niet aan die liefde zonder een dodelijke wond op te lopen.»

In zijn Tsjaikovski-roman Symphonie pathétique (1932) laat Klaus Mann zijn hoofdfiguur nadenken over zijn homo-erotische relaties: «Hoe vluchtig waren al die avonturen van het hart — vluchtig door mijn schuld. Want mijn gevoel was nooit sterk genoeg, het heeft steeds gefaald. Het kon door vreemdelingen steeds in vuur en vlam worden gezet, maar het bleef hen nooit trouw. Nooit heb ik liefgehad waar de hoop of het gevaar bestond dat het serieus werd, dat ik me zou binden, dat ik ook bemind werd en me zo moest vastleggen.» Vastgelegd heeft Klaus Mann zich zelden, hij werd frequent verliefd op jongens bij wie hij weinig tot niets te zoeken had en die hem na wat vluchtige seks vrijwel altijd hebben bestolen of bedrogen. Die Strichjungen komen in de getuigenissen van vrienden en in zijn eigen brieven en dagboeken (tot en met de onbekende «Louis» uit de Zanzi-Bar in 1949 te Cannes) zo frequent voor, dat hij ze bewust moet hebben opgezocht.

Verslaafd was het ongelukkige zondagskind Klaus Mann aanvankelijk maar aan één ding: schrijven. Van zijn 19de tot zijn 26ste levensjaar (tussen 1925 en 1932) publiceerde hij in recordtempo twee toneelstukken, drie romans, drie verhalenbundels, een autobiografie (Kind dieser Zeit, op zijn 26ste!), een bundel opstellen en (samen met zus Erika) twee reisboeken. «Wat ik ook aanbood, men accepteerde het, men vond het interessant. De chicste bladen en tijdschriften drukten mijn korte verhalen, artikeltjes en beschouwingen af.» In zijn tweede, veel belangrijker autobiografie Der Wendepunkt, in 1952 postuum in Berlijn gepubliceerd, is Klaus Mann vrij openhartig over het waarom van dit spectaculaire begin van zijn schrijversloopbaan: «De glitterachtige glans die de start van mijn carrière kenmerkte is alleen te begrijpen — en alleen te vergeven — als men zich daarbij de solide achtergrond van de roem van mijn vader voorstelt. In zijn schaduw begon ik mijn loopbaan en daarom sloofde ik mij waarschijnlijk wat uit en gedroeg me een beetje opvallend om niet volledig over het hoofd te worden gezien.»

Dat laatste gebeurde bepaald niet, maar die aandacht gaf aanvankelijk weinig reden tot voldoening: de meeste werken van Klaus Mann werden overladen met wrede hoon, vooral vanuit het gezaghebbende tijdschrift de Weltbühne en met name door zijn belangrijkste criticaster Kurt Tucholsky, die afwisselend opriep de quasi-literaire dandyposeur K.M. te negeren, en hem in andere bijdragen sardonisch bekraste en bespuwde: «Klaus Mann heeft bij het opstellen van zijn honderdste reclameboodschap zijn rechterarm verstuikt en hij is daarom de komende weken verhinderd te spreken.» (1929)

Klaus Manns andere verslaving, die aan de morfine, begon hij als een decadente «mode-junk». Tot dat leven werd hij in staat gesteld door de aanvankelijk ruime revenuen uit zijn literaire werk, aangevuld met de maandelijkse, vorstelijke cheque van zijn vader, die hij vanaf zijn late puberteit tot aan zijn dood zou blijven ontvangen. In zijn dagboeken en brieven hield hij nauwgezet bij hoeveel hij had «genomen» en hoe vaak hij de martelgang naar een ontwenningskliniek aflegde — altijd vergeefs, zijn levenswil was sterk, maar niet sterk genoeg om van de verdovende middelen af te blijven.

In de zomer van 1948 doet Klaus Mann, in de buurt van Pacific Palisades, de Californische ballingenresidentie van Thomas en Katia Mann, een serieuze zelfmoordpoging: hij snijdt zijn polsen door én draait het gas open, die extra maatregel wordt zijn redding omdat mensen het gas ruiken en de brandweer waarschuwen. Naast hem vindt men het gedicht van Franz Werfel dat hij vaak citeerde: «Wenn dich der Tod berührt hat/ Bist du nicht mehr beliebt/ Du warst ein muntrer Kunde/ Du spieltest schön Klavier/ Jetzt rückt die Freundesrunde/ Geheimnisvoll von Dir.» De psychiater die Klaus behandelt, voorspelt hem dat hij het over negen maanden weer zal doen. Golo Mann in zijn Erinnerungen an meinen Bruder Klaus: «Met zijn voorspelling bewees de gerenommeerde man zijn ervaren blik. Of hij er ook therapeutische verantwoordelijkheid mee bewees is een andere vraag.»

In oktober 1948 volgen deprimerende geluiden uit Duitsland: de doodsvijanden van de nazi’s en principiële antifascisten Erika en Klaus Mann worden nu in hun «bevrijde» geboorteland, ja zelfs in hun geboortestad München, opnieuw beschimpt. In de Echo der Woche verschijnt een hoofdartikel waarin Erika Mann een «communistische agente» wordt genoemd en broer Klaus een «volksdemocratische lapzwans», beiden opererend als «salonbolsjewistische vijfde colonne van het Kremlin». Bespottelijk natuurlijk voor iedereen die de afkeer van Klaus en Erika voor het stalinistische Rusland kende, maar koren op de molen van de Amerikaanse federale politie, die op dat moment al jaren bezig is een dossier over deze verdachte Duitsers, deze «on-Amerikaanse, linkse tweeling» aan te leggen.

Voorjaar 1949 vliegt Klaus Mann naar Europa, alleen deze keer. Zijn eeuwige reisgenoot en zus Erika ontpopt zich steeds meer als de particuliere secretaresse van vader Thomas; de verwijdering tussen de altijd innig nabije Geschwister lijkt nu definitief. Eerst reist Klaus naar Amsterdam waar hij zijn uitgever Fritz Landshoff ontmoet, daarna naar Parijs waar hij de jonge schrijver James Bald win leert kennen. Op 4 april arriveert hij in Cannes en neemt zijn intrek in Pension Pavillon Madrid waar hij bij toeval een oude vriendin tegen het lijf loopt, Doris von Schönthan, die hij nog kent uit het Berlijn van de vroege jaren dertig en die tijdens de oorlog in het Franse verzet heeft gewerkt. Het moet een ontmoeting vol treurige herkenning zijn geweest: beiden opgegroeid en hartstochtelijk geleefd in het Duitse interbellum en de Republiek van Weimar, beiden snel de gevaren van de bruine horden onderkend, daartegen ongekend fel gewaarschuwd, ieder op eigen wijze principieel antifascist geworden, en elkaar nu terugvindend in het troosteloze klimaat van zich herstellende ancien régimes en tussen de ziektekiemen van een nieuw wereldconflict. Grete Weil zegt over die ontmoeting in de documentaire Treffpunkt im Unendlichen: «Twee ontheemden moeten het geweest zijn, twee volledig ontwortelde mensen die elkaar meteen mochten. Waarschijnlijk stonden ze als twee van de kou rillende dieren bij elkaar.»

Doris von Schönthan neemt de ernstig zieke Klaus Mann op 4 mei 1949 mee naar een arts in Nice, die acute vergiftiging constateert door een stof die Klaus’ dealers aan de morfine hebben toegevoegd. De arts laat Klaus meteen opnemen in de Clinique St. Luc waar met een «désintoxication» wordt begonnen. Op de dag dat hij de kliniek verlaat, 15 mei 1949, schrijft Klaus (waarschijnlijk onmiddellijk weer onder invloed van morfine en benzedrine) een zeldzaam vrolijke, zelfs jolige brief aan Erika en Katia Mann, waarin hij voorstelt om Thomas Mann te kandideren als president van de nieuwe West-Duitse staat: «Zo'n president zou voor beide bezettingszones (Oost en West) acceptabel zijn. En wij maken een mooi staaltje familiepolitiek. Ik zorg ervoor dat uitsluitend homo’s goede posities krijgen. De verkoop van geneeskrachtige morfines wordt vrijgegeven. Zus Erika houdt als grijze eminentie kantoor in Bad Godesberg, terwijl vader in Bonn met de Russische gezant Rheinwein drinkt.»

Met de opgeruimdheid waarmee hij zijn depressies placht te bestrijden, plant Klaus Mann allerlei ontmoetingen in de zomer en de herfst. Hij werkt door aan een nieuwe roman, een novelle, de voorbereidingen voor de Duitse editie van zijn autobiografie is gereed, hij schaaft nog wat aan zijn boek Mephisto: Roman einer Karrière — de in Amsterdam geschreven en bij Querido voor het eerst verschenen theaterroman uit 1936 — waarvan hij hoopt dat deze nu spoedig in Duitsland zal verschijnen. Op 5 mei 1949 arriveert daarover in Cannes een brief van een Berlijnse uitgever, Georg Jacobi. De sleutelroman Mephisto zal níet in Duitsland verschijnen aangezien de nog levende persoon waarnaar het centrale personage zou zijn gemodelleerd weer een beduidende rol speelt in het Duitse theaterleven. In zijn nadagen wordt Klaus Mann alsnog achtervolgd door de man die nooit echt uit zijn leven is verdwenen: de toneelspeler Gustav Gründgens.

Als veelbelovend en getalenteerd theatermaker uit de Duitse provincie was Gründgens in 1925 in contact gekomen met de familie Mann, met name met Klaus en Erika. Hij stond in dat jaar mede aan de basis van het succes van Klaus Manns eerste toneelstuk, Anja en Esther, over een lesbische relatie in een herstellingsoord voor «gevallen» kinderen. Gründgens is korte tijd met Erika Mann getrouwd geweest, Klaus Mann was een diep bewonderaar van zijn werk en waarschijnlijk wanhopig verliefd op hem. Na de machtsovername van Hitler in 1933 (waarna de familie Mann vrij snel het land uitvluchtte en Klaus en Erika geruime tijd door Europa reisden met hun legendarische, antifascistische cabaretgezelschap Die Pfeffermühle) kreeg en accepteerde Gustav Gründgens, door bemiddeling van Hermann Göring persoonlijk, de hoge post van intendant van het Staatstheater in Berlijn.

Uit woede, frustratie of wanhoop, wellicht om zijn gram te halen en op aanraden van vrienden, schrijft en publiceert Klaus Mann in 1936 het later door anderen als «sleutelroman» gekarakteriseerde, opwindende, hoewel niet bijzonder briljante boek Mephisto, waarmee hij een internationaal erkende reputatie als woordvoerder van de Duitse «Exilliteratur» vestigt. Vanzelfsprekend is dit boek over de flitsende carrière van een opportunistische toneelspeler in nazi-Duitsland altijd verboden geweest.

Ze hebben elkaar na de oorlog nooit meer ontmoet, de schrijver en de theatermaker, Klaus Mann en Gustav Gründgens. Wel nog gezien. In januari 1947 beschrijft Klaus Mann hoe hij, in het uniform van de Amerikaanse soldaat die hij toen was, op de eerste rij zit als Gustav Gründgens (in februari 1946 vrijgelaten uit een Russisch interneringskamp) zijn comeback maakt als gevierd Duits toneelspeler: «Ja, hij zag me, hier, op de eerste rij. Ik applaudisseerde beleefd. Hij had me echt herkend, boog licht mijn richting uit, maar keek meteen weer weg. De glimlach waarmee hij de ovatie van het publiek in ontvangst nam, verdween heel even, als brak de angst door voor een plotselinge pijnscheut. Even maar — daarna had hij zichzelf meteen weer in de hand. En daar stond hij, stralend en aantrekkelijk als nooit tevoren, met zijn witte das, zijn roze gelaatskleur en blonde pruik. De onbetwistbare lieveling van Berlijn, van voor-nazi-Berlijn en van na-nazi-Berlijn.»

Meneer Gründgens, zo schrijft de Berlijnse uitgever op 5 mei 1949 aan Klaus Mann, «spielt jetzt wieder eine sehr bedeutende Rolle». Dus kan van een Duitse uitgave van Mephisto geen sprake zijn.

Cannes, 16 mei 1949. Het regent al dagen aanhoudend aan de Côte d'Azur. Een Pools schip doet Cannes aan, onder de passagiers zijn Klaus Manns jongere zuster Monika en broer Michael. Klaus verheugt zich op een vrolijke ontmoeting. Het schip ligt van twee uur ’s middags tot acht uur ’s avonds in de haven zonder dat de passagiers van boord mogen. Klaus wacht al die tijd vergeefs, slentert dan het nachtleven van Cannes weer in.

Op 19 mei schrijft hij een brief aan zijn literaire vriend Hermann Kesten, vol met nieuwe plannen. In zijn laatste brief, gedateerd 20 mei 1949, gericht aan moeder Katia en zus Erika, beklaagt hij zich over niet gearriveerde geldcheques en het slechte weer in Cannes. Per post arriveert diezelfde dag een pakket van een New Yorkse drogist: aldaar bestelde slaapmiddelen. Diezelfde avond slikt Klaus Mann op zijn pensionkamer een overdosis. Terwijl hij langzaam in een coma wegzakt schrijft hij op een papiertje de namen van Erika en Katia Mann. De volgende middag wordt hij bewusteloos gevonden en overgebracht naar de Clinique Lutetia. Daar vechten de artsen voor zijn leven, zoals het cliché wil. Later die dag, op 21 mei 1949, tegen 18.00 uur, sterft Klaus Heinrich Mann. Hij is 42 jaar geworden.

Golo Mann in zijn ontroerende essay Erinnerungen an meinen Bruder Klaus (in 1975 opgenomen in deel twee van Klaus Manns gebundelde brieven): «Voorbereid heeft hij niets, vermoedelijk zelfs niet in de loop van 20 mei. Een reeks heterogene oorzaken, somberheid over politiek en samenleving, geldgebrek, gebrek aan respons, drugsmisbruik, kunnen bij elkaar worden opgeteld, maar resulteren niet in de som, dat hier de dood was. De hang naar de dood was van het begin af aan in hem, hij had nooit oud kunnen of willen worden, hij was aan het eind.»

Veel van zijn jeugdvrienden waren hem, uit wanhoop over de folterkamer die Duitsland in de jaren dertig werd, voorgegaan. Het hardst trof hem de zelfgekozen dood van zijn dierbare vriend, de veelbelovende schilder Ricki Hallgarten, in 1932. Die was toen 27, en Klaus is zijn vroege dood nooit te boven gekomen. Hij schreef: «Met welk een bittere afgunst volgen onze blikken in het onbekende hen die de moed vonden tot het uitvoeren van de edelste van alle gestes, de geste die vijandig is aan elk compromis: af te leggen last.» En: «Voor mij is de dood een vertrouwde omgeving geworden sinds een zo innige vertrouweling van mijn aardse leven zich vrijwillig heeft toevertrouwd aan hem, de dood, die mij eens zo vreemd was. Waar een vriend woont, weet je al een beetje de weg voordat je er zelf komt.»

Klaus Mann wordt op 24 mei 1949 in Cannes begraven. Van de familie is alleen zijn jongste broer Michael aanwezig. Thomas Mann heeft ostentatief en kil geweigerd zijn lezingentournee te onderbreken om erbij te zijn. Moeder Katia en dochter Erika respecteren dit besluit gehoorzaam (maar wanhopig bedroefd en vol spijt, zoals later zal blijken). Midden juni reist Erika Mann naar Cannes om een steen op het graf te laten plaatsen. De tekst is ontleend aan het Nieuwe Testament, Lucas 10:24, het motto voor wat de volgende roman van Klaus had moeten worden, The Last Day: «Denn wer sein Leben erhalten will, der wird es verlieren; wer aber sein Leben verliert, der wird’s erhalten.» Vandaag de dag is de steen overwoekerd door een grote agaveplant.

In 1979 brengt het Parijse Théâtre du Soleil van Ariane Mnouchkine een theaterbewerking uit van Klaus Manns roman Mephisto. In 1980 doet die voorstelling met enorm succes Berlijn aan en wordt (Duits ondertiteld) op het tweede Duitse televisienet uitgezonden. Uitgeverij Rowolt negeert het nog steeds bestaande verbod om de roman in Duitsland te publiceren en brengt een pocketeditie uit, die binnen één maand een bestseller wordt. In 1981 brengt de Hongaarse regisseur István Szabó de verfilming uit van Mephisto (met Klaus-Maria Brandauer), die dat jaar de Oscar krijgt voor de beste niet-Amerikaanse film. Sindsdien is Klaus Mann een internationaal erkende schrijver. Alles wat hij heeft geschreven is ondertussen in meerdere landen uitgegeven. Ook in Duitsland, het land dat hij moest gaan haten. Een zelfhaat waaraan hij uiteindelijk zou sterven, vóór zijn tijd, maar voor hem: net op tijd.