Door mijn leesbril

De boekenwereld lijkt op een scheve tafelvoetbaltafel waarbij ieder balletje bijna vanzelf in het doel van de mannelijke sekse rolt. Nederland heeft een Lezeres des Vaderlands nodig. Ze introduceert zichzelf hier.

Medium 20160222 lezeresdevaderlands compilatie3

U kent mij niet, maar u herkent mij onmiddellijk. Ik ben de vrouw die tegenover u in de trein aandachtig een boek zit te lezen. Verstandige schoenen en een leesbril. In onderzoeken over de toekomst van het boekenvak komt u mij tegen als ‘de vrouw van middelbare leeftijd’, dat wil zeggen, dat deel van de samenleving dat boeken koopt en leest. Ik ben dus de literatuur-minnende én economische kurk waarop het gehele Nederlandse boekenbedrijf drijft. En zelfs bij uitbreiding een groot deel van de culturele sector, want ook ik ben het die schouwburgen en theaterzalen bezoekt, een langlopend krantenabonnement heeft, intensief die museumjaarkaart gebruikt en een strippenkaart voor de bioscoop in de portemonnee heeft.

Met veel egards word ik ondertussen niet behandeld. Ik weet niet beter of gewichtige directeuren van culturele instellingen kijken langs me heen, op zoek naar iemand van wie meer maatschappelijke urgentie uitgaat (of die jonger is). Auteurs schrijven in columns graag ironisch over bijeenkomsten ‘ergens in de provincie’ waar ik vermoeiende want o zo voorspelbare vragen zou hebben gesteld. Ik brom dan in mijn hoofd terug dat Nederlandse auteurs doorgaans ook voorspelbaarder zijn dan ze zelf door hebben, maar ik hield dat vroeger altijd keurig voor me. Er zijn tenslotte belangrijkere dingen in de wereld en ik moest de notulen voor de volgende vrijwilligersbijeenkomst nog lezen.

Misschien komt het door de ontregeling van de seizoenen, misschien door die zogeheten identity politics die als een voetzoeker de gevestigde orde doet opschrikken, maar sinds kort lijk ik alles veel scherper te zien. Alsof mijn leesbril onvermoede kwaliteiten bezit. Kijk eens goed, zegt die bril tegen mij, stevig op mijn neus geplant, als ik lees dat Esther Gerritsen dit jaar het boekenweekgeschenk heeft geschreven. Kijk eens goed naar zo’n organisatie als de cpnb. Zou juist deze propagandaclub jou, de vrouw van middelbare leeftijd, niet als de koningin van de literatuur moeten behandelen? Maar de cpnb is niet eens in staat vrouwelijke auteurs ernstig te nemen, laat staan vrouwelijke lezers. Gerritsen is immers in vijftien jaar tijd slechts de tweede vrouw die tot boekenweekauteur is verkozen. Wat zou er gebeuren als alle lezende vrouwen in de boekenweek collectief geen boeken meer zouden kopen en deze boycot net zo lang zouden volhouden tot de cpnb plechtig belooft het boekenweekgeschenk in vijftig procent van de gevallen door een vrouw te laten schrijven?

Soms begint mijn leesbril te dansen. Dan schieten mijn ogen van de boekenbijlage naar de opiniebijlage, en van de opiniebijlage naar Twitter, en van Twitter naar een wirwar van vurige discussies over wie in het publieke debat het recht van spreken heeft en wie niet en waar dat schijnbaar vanzelfsprekende verschil toch vandaan komt. Dan vallen me plotseling lacunes op. Hoe kan het bijvoorbeeld dat er in onze Vaderlandse literatuur anno 2016 niet één feministische auteur is met een prominente stem en positie? Of zijn onze vaderlandse critici nog steeds aan het bijkomen van de klassieker van Anja Meulenbelt? En waarom heeft iedereen zijn mond vol over ‘diversiteit’, terwijl ondertussen een nieuwe generatie witte literaire talenten onder luid gejuich uit de grachtengordel wordt gevist?

Mijn boosaardige brilletje gunt me geen rust en laat me stereotiepe beelden en retorische clichés analyseren. Ik zie patronen in tekst en beeld en ontdek bijvoorbeeld dat de marketingstrategie van veel uitgevers niet veel geraffineerder is dan het roze-blauw schema in de Bart Smit-folder. Mannelijke debutanten staren je met bebloede neus vanaf de kaft aan in een opzichtige poging het moeilijk verkoopbare genre van de verhalenbundel een flinke dot streed cred mee te geven. Bij het volgende boek wordt een bijl als _ersatz-_fallus tentoongesteld. En als een auteur op stereotyperende wijze schrijft over hoe ‘mannenvriendschappen’ en ‘mannenlevens’ hoofdzakelijk bestaan uit broeierig zwijgen, wordt er consequent zelfs letterlijk voor een blauwe kaft gekozen. De man vecht, hakt en zwijgt, en zo wordt de kloof gedicht tussen het manbeeld in de literatuur en dat in infantiliserende Axe-reclames.

Ook bij het lezen van de boekenbijlages, waarmee ik me op zondagen altijd zo graag op de hoekbank nestel, kan ik er niet langer omheen: de boekenwereld lijkt op een scheve tafelvoetbaltafel waarbij ieder balletje haast vanzelf in het doel van de mannelijke sekse rolt. Niet altijd natuurlijk (kijk, Niña Weijers krijgt een prijs! Janita Monna neemt een dichtbundel ter hand en vorige week nog opende de bijlage met aanstormend talent Lize Spit!), dat weet ik ook wel. Maar daar sprak mijn leesbril weer om de patronen te ontwaren achter de individuele gevallen en maande me mijn rekenmachientje er eens bij te pakken. Ik ging aan het turven in toonaangevende literaire katernen (acht in totaal), opende een Facebook- en Twitter-account (@lezdesvad, #lekkertellen, komt u maar) en noteerde mijn bevindingen op een blog. Wat bleek? Vrouwen worden structureel veel minder aan het woord gelaten, mannelijke critici zijn in bijna alle gevallen in de meerderheid. Ik ben nog maar vier weken bezig, maar voorlopig blijkt er voor boeken van vrouwenhand zo’n schamele twintig procent ruimte te zijn in het totaal van de katernen. Daar zijn echter katernen bij die heel evenwichtig over mannen en vrouwen schrijven en katernen waar vrouwen soms maar vijf procent van de kolomruimte krijgen, zoals de boekenbijlage van de Volkskrant een keer presteerde, toch geen onbelangrijke speler in de literaire wereld. Ook De Groene Amsterdammer blijft geregeld achter.

Het argument luidt altijd: dat vrouwen minder goed vertegenwoordigd zijn is geen opzet, we selecteren enkel op basis van Kwaliteit – of iemand man, vrouw, wit, zwart of wat ook ertussenin is, dat doet er niet toe. Dit argument kan mij intussen niet meer overtuigen. Kwaliteit is namelijk geen objectief gegeven.

Bij mij werkt zo'n eenzaam mannelijk personage met sombere gedachten vaak wat op de lachspieren

Neem nu een typisch Nederlands romanpersonage: een wat eenzame oudere man die allerlei sombere gedachten debiteert over de oppervlakkigheid van onze hedendaagse cultuur. Bij mij werkt zo’n mannelijk personage onbedoeld vaak wat op de lachspieren, maar menige recensent wordt er hevig door aangegrepen. Hoe komt dat? Het antwoord is eenvoudig: doordat er van identificerend lezen sprake is. Nu vind ik het helemaal geen ramp als herkenning een rol speelt bij de literaire criticus, het lijkt me allemaal zelfs heel menselijk. Maar juist omdat lezen altijd een mengeling is van een esthetische ervaring, analytische distantie én identificatie, is diversiteit zo cruciaal. Niet alleen diversiteit van mensen, maar ook van referentiekaders. Er zijn nu te veel critici die al te lang op een eenzijdige manier de meetlat van ‘De Grote Drie’ hanteren, met als ze gek doen Wolkers en Kellendonk erbij.

Vaak wordt er verzucht dat men het best wel wil, meer vrouwen, maar dat ze niet te vinden zouden zijn. Dat lijkt op het oog een goed argument. Zo zou ik de man-vrouwverhoudingen in de catalogi van uitgevershuizen, op de nominatielijsten van literaire prijzen en in jury’s niet mee naar huis durven nemen als ze een rapportcijfer zouden zijn. In de rest van de culturele sector is het niet veel anders. Kijk bijvoorbeeld eens naar de programmering van muziekfestivals en hoe de taakverdeling in culturele instellingen er veelal uitziet: mannen in de directeursfuncties, vrouwen in de logistiek. En dan beperk ik me tot de culturele sector en laat topvrouwen in het bedrijfsleven en de wetenschap buiten beschouwing.

Dat het overal huilen met de pet is, geeft de mensen op sleutelposities echter geen excuus om net te doen alsof verandering buiten hun macht ligt. Elke meerderheidspositie is namelijk een machtspositie die ten goede kan worden benut. Eric Visser stelde zich bij uitgeverij De Geus de taak om vijftig procent vrouwen uit te geven. Het lukte en het leverde noch economisch verlies, noch een artistiek minderwaardig fonds op. Heb je als recensent geen vrouw in de brievenbus gekregen? Vraag er een op bij de uitgeverij. Jann Ruyters doet het al. Zij streeft bij Trouw duidelijk naar gelijkwaardiger verhoudingen en slaagt daarin zonder dat ‘Letter en Geest’ aan kwaliteit heeft moeten inboeten.

De kritische blik heeft altijd een spiegel nodig. Als er geen rijk geheel van tegenstemmen is, dan stolt kritiek gemakkelijk tot een nieuwe vanzelfsprekende norm die kregel wordt als andere perspectieven het veld betreden. Mijn leesbril is daarom niet van mij alleen, maar past op een breed geschakeerd palet aan neuzen, die allemaal proberen de grillige veelzijdigheid van onze wereld scherp te krijgen. Ik zit dus niet alleen tegenover u in de trein, maar kijk, één zitje verder, daar zit ik ook, en achter u, en in de eerste-klassecoupé. Misschien heeft u mijn bril ook wel eens op.

De grote verscheidenheid aan interesses en posities van het publiek wordt immers structureel onderschat. Daarom heb ik, de vrouw van middelbare leeftijd, besloten uit de schaduw van mijn eigen bescheidenheid te treden en voor mijzelf een eretitel in het leven te roepen. Ik ben de Lezeres des Vaderlands. En als Lezeres des Vaderlands praat ik terug, tegen de literaire wereld, tegen de tijdschrift- en krantenredacties, tegen de mediamakers en de culturele instellingen.


Ook bij de Groene-redactie is de echte naam van de Lezeres onbekend


Niemand weet wie zij is

Sinds enige tijd waart er een zwaar bebrild spook door Nederlands letterenland. Ze noemt zichzelf de Lezeres des Vaderlands, en heeft een gevaarlijke hobby: lekker tellen. Iedere week neemt ze de boekenbijlages van krant en weekblad de maat, inclusief die van ons. Autonoom als ze is kunnen we haar niet vangen, maar we gunnen haar een groot podium. Vanaf nu zal de Lezeres dan ook op onze site opduiken met haar cultuurkritische beschouwingen en close readings.