Door ontzetting overdonderd

NON
WAANWEZIG
Querido, 64 blz., € 16,95

SMes

Een bericht: ‘Niets om weer te geven.’
Ik weet het. Ik ben je vleesgeworden
verbeeldingskrach. Apathie op een blad
van vloeibaar kristallen. Over een spoor
van woorden werd mijn lichaam letterlijk
stijfheid. Ik drijf me in je geënt
met de punt van mijn vulpen schep ik je
leeg, telkens weer, baar ik me in je holte
op. Hoop dat het weer over gaat. De ringtoon
der excommunicatie is een blatend schaap
in de palm van mijn hand, ontvang ik je
graag. Maar, niets om weer te geven.

Het misverstand dat de taal is uitgevonden om efficiënt informatie over te dragen is wijdverbreid. Niet dat taal daartoe geheel ongeschikt zou zijn, maar het is zeker niet haar oudste en voornaamste functie. Hoewel het floreren van een krant als De Groene Amsterdammer anders zou doen veronderstellen, is taal in haar meest voorkomende verschijningsvorm, die van de alledaagse conversatie, niet gericht op het overbrengen van aan grammatica en woordenboek gebonden betekenisinhouden, maar op het aanwezig stellen van spreker en aangesprokene. We laten horen dat we er zijn, de intonatie verraadt onze stemming, het idioom geeft een indicatie van onze sociale achtergrond en het ritme waarin we op elkaar reageren is een afgeleide van wat we van elkaar willen. Het zijn doorgaans niet de betekenissen van de woorden die doorslaggevend zijn voor geslaagde communicatie, maar de toon, de bijbehorende mimiek en de entourage waarin het gesprek plaatsvindt.
Ofschoon het bij goede poëzie altijd mogelijk is steeds opnieuw betekenis toe te kennen aan de zwijgende constructie van woorden, zoeken dichters sinds Hölderlin en Mallarmé de grenzen van de taal op. De beste gedichten hebben een fysiek effect op de lezer dat losstaat van hun parafraseerbare inhoud, als die er al is. Poëzie die slechts begrepen kan worden is de moeite van het lezen niet waard. Een goed gedicht dwingt je zijn aanwezigheid te ondergaan.
Waanwezig, de debuutbundel van de Antwerpse dichter NoN, opent veelzeggend met het gedicht Geen idee, waarvan de eerste regels luiden: ‘Het is een vreemde taal die slaat en zalft/ en zoveel meer met beelden.’ De eerste zin is meteen ongrammaticaal. De tweede zin kondigt een biotoop aan: ‘Ik ben de stad in gelopen, op een dag als deze/ denk ik van niets iets te weten/ en zoveel meer met beelden.’ Vervolgens barst er een ruim vijftig pagina’s lange reeks heftige beelden los, waarin weliswaar enkele thematische lijnen vallen te trekken, maar die zich niet laat analyseren tot overzichtelijke gedichten met een kop en een staart, zoals je dat bij Kopland, Kouwenaar of Wijnberg zou kunnen doen.
Aan het eind van de bundel is dan ook een Maniefeest opgenomen (NoN deinst niet terug voor gezochte woordspelingen) met een duidelijke strekking: ‘Er zal gevreesd worden./ Door ontzetting worden overdonderd./ Onderga!’ Het gedicht eindigt zo:

Er zal verslagen worden.
Door waarnemen worden overwonnen.
Onderga!
Geef mij de ziener
annihilator hij
niet langer van de eigen kracht
afkerig.
Breekt.

Een van de middelen die NoN toepast om de lezer te overdonderen is het centreren van de tekst op de bladspiegel en het afzien van witregels. Omdat de meeste gedichten heel lang zijn en de pagina geen enkel rustpunt biedt, omdat bovendien de ene zin vaak in de andere overloopt zonder zich iets van interpunctie aan te trekken, word je willoos meegesleurd door een brij van veelal verschrikkelijke beelden.
De stad – hier en daar is Antwerpen te herkennen – doet zich voor als het Inferno van Dante, waar zieke, getraumatiseerde mensen raaskallend ronddolen, op zoek naar drugs, gore seks en verlossing. De spreker presenteert de stad nadrukkelijk ‘als schemerzone’, een weerzinwekkend oord vol ‘knaagdierkadavers’, kronkelende maden en mismaakte duiven. Bij het Centraal Station staat een rij meisjes die hun bloesjes en rokjes oprollen, en ‘een vingerknip ontsteekt/ kreten van verontwaardiging’ wanneer ze ‘aan het verminken gaan. Met schaartjes, nagelknippers/ kerven in dijen en borsten. Tepels schroeien met, peuken/ doven sissend op een tong of onderarm.’ Wat deze gruwelijke scène betekent blijft een raadsel, maar de directheid ervan staat garant voor een fysieke reactie bij de lezer.
Dat de dichter niet van de straat is, blijkt intussen uit het mythisch en religieus potentieel van de bundel. Naast de al opgemerkte verwijzingen naar Dante zijn de Griekse Schikgodinnen (of Moiren) te herkennen in ‘tumoiren’ en ‘schokgodinnen’, terwijl ook Icarus, Pygmalion en Eurydice voorbijkomen. De doodsrivier Lethe verschijnt als DeLete en vertegenwoordigt het ongrijpbare heden dat het verleden permanent uitwist. Waanwezig kan gelezen worden als een hallucinerende versie van Ovidius’ Metamorfosen. Daarnaast speelt de katholieke geloofsleer een prominente rol, met als hoogtepunt, of dieptepunt, een episode waarin de Heilige Maagd, gezeten op een ‘troon van ontlasting’, klaarkomt wanneer ‘het godenjong’ op haar schoot met zijn voetjes langs haar clitoris krast. Dit is duidelijk poëzie voor lezers met een sterke maag.
Laat zich het grootste deel van dit boek inderdaad ondergaan als een boze droom, de dichter verzandt hier en daar ook in onverteerbare braakballen van taal die geen enkel beeld oproepen. Bij flarden als deze haak ik af: ‘haar tongen van ultrasoon tentakels, likken af/ abstraheren tot coördinaten, wat tastbaar is, gereduceerd/ tot het resultaat van haar gave als leugendetector’, enzovoort enzovoort. Niettemin is het evident dat deze poëzie, zoals de dichter zelf zegt, voortkomt uit ‘inspiratie aan de waanzin afgedwongen’. Dat is voelbaar op iedere pagina.