De Armeense genocide

Door Turkse ogen

Op 24 april herdachten Armeense organisaties in de hele wereld de genocide van 1915-1917 op hun voorouders in het Ottomaanse Rijk. Ook Turkije worstelt met de kwestie. Intussen wentelen Rusland, Groot-Brittannië en andere (voormalige) Europese grootmachten zich in zalige onwetendheid omtrent hun eigen aandeel in die zwarte episode. Maar de geschiedschrijving zit ook hen op de hielen

92 jaar na de feiten is er geen mooier en belangrijker cadeau voor Turken, Armeniërs en belangstellende Europeanen denkbaar dan het boek The Shameful Act (2006) van de Turkse historicus Taner Akçam (in Nederland verschenen als De Armeense genocide). Akçam is de eerste niet-Armeense Turkse historicus die het g-woord gebruikt en daarvoor uit authentieke Turkse bronnen put. Hij spitte jarenlang in de Ottomaanse archieven en reconstrueerde zo vanuit Turkse bron het verhaal van de genocide. Akçams boek bevestigt in grote lijnen het buiten Turkije reeds lang aanvaarde verhaal over de toedracht van de moord, inclusief de genocidaire opzet in regeringskringen en de systematische moord op de Armenen die direct na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog begon. Het vestigt echter ook de aandacht op voorspel en naspel, en op de funeste rol van andere landen daarbij. Het leidt de lezer stap voor stap naar de volkenmoord, maar ook daarvandaan: naar de ontkenning en verdoezeling van de gebeurtenissen door de Turkse overheid enerzijds, en naar het misbruik ervan door westerse overheden, christelijke bewegingen en Armeense organisaties anderzijds. Na lezing begrijp je waarom de officiële erkenning van de genocide door Turkije zowel hard nodig als zeer problematisch is. Het onderliggende probleem – de vraag naar de Turkse identiteit en de plaats van Turkije op de grens van Europa en Azië – is namelijk nog even actueel als destijds.

Een reeks incidenten van de afgelopen weken bewijst hoezeer de Turkse politiek nog steeds in het teken staat van de onverwerkte verliezen en zelf toegebrachte wonden uit het verleden waarvoor de Armeense genocide symbool staat. De belangrijkste gebeurtenis was de emotionele oproep van scheidend president Sezer om de scheiding van staat en moskee te bewaken door te voorkomen dat de leider van de gematigd islamitische akp, Tayyip Erdogan, tot president zou worden gekozen. Zijn waarschuwing werd gehoord, getuige de massale demonstratie van nationalistische en linkse bewegingen en partijen op 14 april in Ankara, die eindigde in een zee van rode vlaggen en Atatürk-portretten rond het mausoleum van de nationale held.

Van een werkelijke scheiding van godsdienst en staat is in Turkije echter nimmer sprake geweest. Sinds het ontstaan van de Ottomaanse veelvolkenstaat in de veertiende eeuw is de islam de staatsgodsdienst van het rijk geweest, en ook de omverwerping van het sultanaat in 1922 betekende geen definitieve breuk met dit verleden. De islam bleef onder controle staan van de nationalistische overheid, die de moskeeën en religieuze organisaties in het land bestuurde. De nationalistische regeringen (inclusief de militaire leiders die tot driemaal toe de macht overnamen) hebben altijd getracht de godsdienst naar hun hand te zetten. In de jaren zeventig ontstond in nationalistische kringen een nieuwe historische theorie die deze verhouding moest rechtvaardigen, de Turks-islamitische synthese. Volgens de theorie waren de Turken geboren ‘soldaten van de islam’ omdat hun (pre-islamitische) cultuur zoveel overeenkomsten had met de islam: monotheïsme, onsterfelijkheid van de ziel, rechtschapenheid, respect voor openbare orde en fatsoen en nadruk op het familieleven als kern van de samenleving.

Dat godsdienstvrijheid in Turkije een administratieve illusie is, bleek uit de moord op drie bijbelverkopers in Malatya op 18 april. Een van de daders zei dat de drie christenen waren ‘bestraft’ omdat ze weigerden ‘het geld voor onze bekering te betalen’. Het was een verwijzing naar een oud volksgeloof dat christenen bekeerlingen ‘kopen’ met de bedoeling de superieure Turks-islamitische beschaving te ondergraven. Helaas worden zulke denkbeelden nog vaak ook van officiële zijde uitgedragen. Terwijl niet-islamitische kerkgenootschappen het leven zuur wordt gemaakt met eindeloze administratieve en juridische pesterijen rukt de islamisering onder leiding van de regerende akp langzaam maar zeker op.

Een derde belangrijk incident was het dreigement van Ankara om Noord-Irak binnen te vallen indien Koerdische organisaties hun agitatie op Turks grondgebied niet stopzetten. Al sinds de Amerikaanse inval in Irak in 2003 zijn de Turken bevreesd voor een volwaardige Koerdische staat in Noord-Irak die als uitvalsbasis voor separatistische acties in Turkije kan dienen. De kern van de Koerdische kwestie is echter niet het Koerdische separatisme, maar de etnische grondslag van de Turkse Republiek. De Republiek is altijd gebaseerd geweest op de veronderstelling van Turkse etnische superioriteit en Turkse historische rechten op het ‘thuisland’ Anatolië en zijn natuurlijke grenzen.

Uit Akçams boek wordt duidelijk dat heden en verleden worden verbonden door één grote tekortkoming van de Turkse staat: het onvermogen om een nationale identiteit te scheppen die niet etnisch-religieus gedefinieerd is. De Turkse staat en het Turkse burgerschap zijn nimmer neutraal geweest, maar altijd exclusief, gebaseerd op een Turkse identiteit die taalkundig, godsdienstig (islam) en niet zelden raciaal gedefinieerd werd. Vanaf het begin van het Ottomaanse Rijk werden niet-islamitische en niet-Turkse onderdanen weliswaar getolereerd, maar altijd als tweederangs burgers behandeld. Ze werden naar godsdienst ingedeeld in millets, quasi-autonome gemeenschappen waarbinnen ze hun eigen godsdienstige regels in acht konden nemen. Daarbuiten waren ze aan willekeur overgeleverd.

Door de wettelijke ongelijkheid tussen Turken en niet-Turken zijn de laatsten nimmer loyaal geweest aan de ‘Hoge Porte’ (het centrale bestuursapparaat). Een ander funest gevolg van dit beleid was dat het leidde tot bestuurlijke, economische en militaire stagnatie. Door de combinatie van interne en externe zwakte moest het Ottomaanse Rijk vroeg of laat uiteenvallen. Zodra de Porte in de negentiende eeuw militair verstek moest laten gaan, kregen deze centrifugale krachten een eigen dynamiek. De onderdrukte volken wilden eruit, de Europese mogendheden – Groot-Brittannië en Rusland voorop – namen het voor hen op en voerden een beleid om het Rijk volgens hun eigen wensen op te splitsen. ‘Dat “De Zieke Man van Europa” in de negentiende eeuw kon overleven’, schrijft Akçam, ‘was alleen te danken aan het feit dat de grote mogendheden het niet eens konden worden over de verdeling van de restjes.’

De Turkse elite ontwierp naarstig nieuwe ideologieën met fraaie titels als Nationale Hervorming, ottomanisme, pan-islamisme, pan-toeranisme (het streven naar staatkundige vereniging van alle Turkssprekende volken) zonder er echt in te geloven. Elk van die ideologieën was volgens Akçam louter etatistisch, dat wil zeggen bedoeld om de Turkse staat en zijn personeel te redden. Ook de raciale component werd niet verwaarloosd. De Jong-Turken lazen de Franse ‘wetenschappelijke’ racist Gobineau, imiteerden het Duitse ‘bloed en bodem’-nationalisme en riepen zichzelf uit tot politieke doktoren die de Turkse maatschappij moesten ‘genezen’ van ‘kwaadaardige gezwellen’ (bedoeld waren Grieken, Armeniërs, Koerden en andere minderheden) en ‘bacteriën’ (christendom, Russische en Britse invloeden, moderne burgerrechten, handelsvrijheid).

Het moment van definitieve ondergang leek aan te breken toen de Britse koning Edward en tsaar Nicolaas elkaar in 1908 in Reval ontmoetten, zogenaamd om de ‘Macedonische kwestie’ te regelen. Ontevreden officieren in het leger van de sultan die vermoedden dat in Reval geheime afspraken werden gemaakt, namen de macht over in een wanhopige poging de zieltogende Turkse staat te redden. De leider van deze Jong-Turken, Enver Pasja, posteerde zich voor een regeringsgebouw in de Macedonische stad Köprülü en riep: ‘We hebben de Zieke Man genezen!’ Het was een voorbarige uitspraak. Er was geen plan, geen leger en geen nieuwe visie om het Rijk te moderniseren en het Ottomaanse burgerschap alsnog de facto en de jure gelijkwaardig te maken.

Akçam beschrijft hoe de ineenstorting van het Rijk gepaard ging met massamoord op en verdrijving van moslims en etnische Turken uit de onafhankelijk geworden landen op de Balkan, een proces van ‘etnisch-religieuze schoonmaak’ waarbij Rusland, Oostenrijk-Hongarije, Frankrijk, Groot-Brittannië en andere West-Europese staten actieve steun verleenden. De honderdduizenden vluchtelingen die het overleefden, vormden binnen Turkije een groeiend leger van wraakbeluste revanchisten waaruit de Jong-Turken later bij de moord op de Armeniërs konden putten. Bulgarije ging verloren, keizer Franz Joseph legde beslag op Bosnië en Herzegovina, Kreta sloot zich aan bij het koninkrijk Griekenland – er kwam geen eind aan de ineenschrompeling. En in Istanbul groeide de nationalistische razernij.

Nadat de Porte achtereenvolgens in de Tripoli-oorlog van 1911 (tegen Italië) en in de Eerste Balkanoorlog van 1912 (tegen Bulgarije, Servië, Griekenland en Montenegro) vernietigend was verslagen, was het echt zo ver: de Europese grootmachten maakten aanstalten voor de opdeling van Anatolië, het ‘thuisland’ van de Turkse natie. Het was erop of eronder, althans in de ogen van de Jong-Turken. In Istanbul brak paniek uit. Er werden plannen gesmeed om de regering naar Anatolië te verhuizen. Maar ook daar waanden de Jong-Turken zich niet veilig dankzij de aanwezigheid van twee miljoen christelijke Armeniërs, die deels georganiseerd en zelfs (door Rusland en Groot-Brittannië) bewapend waren. Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, toen Armeense organisaties en gewapende bendes de zijde van Rusland kozen, zagen ze hun kans schoon om de ‘definitieve oplossing’ van het Armeense vraagstuk af te dwingen.

Wat betreft de uitvoering ondersteunt Akçams boek de reeds bekende grote lijn. De tweede helft ervan gaat over de nasleep: de mislukte naoorlogse processen die onder druk van de overwinnaars in Turkije en elders werden gevoerd, de pogingen van schuldigen om hun sporen uit te wissen en de pogingen van goedwillende leiders om de nieuwe, seculiere Turkse staat met een schone lei aan de toekomst te laten beginnen. Dat het laatste niet mogelijk was, is voor een groot deel te wijten aan de overwinnaarsjustitie van de Geallieerden.

Akçam vond teksten van Mustafa Kemal Atatürk waarin deze zijn afschuw uitdrukt over ‘de schanddaad’ (de uitdrukking waaraan de Engelse titel van het boek is ontleend) en aandringt op gerechtigheid en grondig onderzoek. In een gesprek met de Britse generaal Harbord na de oorlog gaf Atatürk aan dat er volgens zijn gegevens ongeveer achthonderdduizend Armeniërs waren vermoord. Hij stelde in 1920 zelfs een offensief tegen de pas gestichte Armeense staat uit om geen voeding te geven aan de Britse mening dat ‘het moorden nog altijd doorging’ (wat niet het geval was). Zijn pogingen gehoor te vinden voor de bloedbaden die door Armeniërs waren aangericht onder Turkse moslims waren gedoemd. Britten, Fransen en Amerikanen wilden er niets van weten. Ze hielden vast aan een Turkse ‘Alleinschuld’ en aan de volstrekte ontkenning van hun eigen aandeel in de tientallen jaren durende, bloedige erupties op de Balkan waaraan het Ottomaanse Rijk te gronde was gegaan.

De dialoog der doven die Atatürk voerde met zowel Jong-Turken in zijn politieke omgeving (die hij het liefst ‘opgeknoopt’ zag voor hun aandeel in de dood en verdrijving van ‘miljoenen van onze christelijke onderdanen’) als met Geallieerde vertegenwoordigers is typerend voor het naoorlogse onvermogen van Turken én Geallieerden om in het reine te komen met hun eigen schuld. De onafhankelijkheidsstrijd van 1918 tot 1923, de westerse steun voor alle naties die claims op Turkije deden gelden en de benarde positie van de jonge Turkse Republiek in de jaren daarna zorgden ervoor dat de gelederen zich definitief sloten en de Turkse mythe van de ‘verzonnen genocide’ kon worden geboren. Zo wijst Akçams boek vooruit naar de logische volgende stap in de discussie rond de Armeense genocide. Het wordt tijd dat westerse historici in hun archieven gaan graven naar aanvullend of verklarend materiaal inzake de toedracht. Wellicht kunnen ze bijdragen aan een vruchtbare toekomstige dialoog tussen Turken en Armeniërs. Ze kunnen in elk geval bijdragen aan onze kennis omtrent West-Europese schijnheiligheid.

Taner Akçam, De Armeense genocide_. Nieuw Amsterdam, 528 blz., € 32,50_