Door vijanden omringd

Ruth Scurr
Fatale zuiverheid: Robespierre en de Franse Revolutie
Vertaald door Albert Witteveen
De Bezige Bij, 439 blz., € 34,90

Tirannen die niet alleen hun (vermeende) tegenstanders bij duizenden laten vermoorden, maar die tevens hun macht misbruiken om zich mateloos te verrijken of zich te buiten te gaan aan seksuele uitspattingen zijn weerzinwekkend. Niettemin hadden types als Ceausescu, Mobutu, Idi Amin en Saddam nog iets menselijks. Hun hang naar weelde, naar pracht en praal en vaak naar vrouwen was niet iets wat hen onderscheidde van de meeste andere mannen. Het verschil zat ’m vooral in de mate waarin ze die verlangens konden (en wilden) bevredigen. Nogal wat mensen zouden zich in dezelfde omstandigheden even ongeremd en onverzadigbaar gedragen.
Veel enger, want onbegrijpelijker, zijn daarentegen de tirannen die hun macht juist niet gebruiken om er rijker van te worden of zich een slag in de rondte te neuken. Zij leiden een sober, vaak zelfs ascetisch leven dat in dienst staat van een ideaal. Voor dat ideaal zijn ze bereid oceanen van bloed te vergieten. Dat bloedvergieten is echter nooit een bijkomstigheid, een noodzakelijk kwaad, maar lijkt juist een voorwaarde. Hoe meer bloed, hoe verhevener het ideaal. Hitler, Lenin, Stalin en Pol Pot waren zulke idealistische, obsessionele halsafsnijders. Zij hadden echter een illustere voorganger: Maximilien Marie Isidore de Robespierre (1758-1794).

Evenals zijn twintigste-eeuwse navolgers was Robespierre van bescheiden en provinciaalse komaf en evenals bij hen mengde zijn persoonlijke rancune zich met visioenen van een radicaal andere, op een vaag ideaal gebaseerde samenleving. Als advocaat in het saaie Arras probeerde Robespierre tegelijkertijd de sociale ladder te beklimmen en de Verlichtingsidealen na te streven. Hij hoopte op hervorming van de absolute monarchie, was voor de vrijheid van meningsuiting en tegen de doodstraf. Als adept van Rousseau geloofde hij heilig in de goedheid en zuiverheid van eenvoudige mensen en als advocaat nam hij het dikwijls op voor de armen en de ontrechten.

In deze biografie schetst Ruth Scurr een beeld van een even ambitieuze als bedeesde man, die zowel uitermate sentimenteel als rechtlijnig was. Vóór 1789 was hij allesbehalve een radicaal, maar toen de Franse Revolutie steeds verder radicaliseerde, achtte Robespierre alle middelen gerechtvaardigd om haar vijanden te bestrijden. Hij vereenzelvigde zich volledig met het revolutionaire proces en zag steeds meer vijanden opdoemen, die uiteraard geëlimineerd dienden te worden.

Volgens Scurr vormt die vereenzelviging met de revolutie de sleutel tot het begrijpen van Robespierre. Hij belichaamde de revolutie, de ontwikkeling van de revolutie was tevens zíjn ontwikkeling. Maar tegelijkertijd stelt Scurr dat wie Robespierre begrijpt, ook de Franse Revolutie begrijpt. Dit heeft veel weg van een cirkelredenering en hoewel Scurr benadrukt dat Robespierre niet als enige verantwoordelijk was voor de Terreur wordt niet duidelijk waarom zowel de Revolutie als Robespierre steeds radicaler werd.

Voor een deel was die radicalisering het gevolg van de dynamiek die eigen is aan elk revolutionair proces, waarbij een kleine kern van loepzuivere revolutionairen geconfronteerd wordt met steeds meer obstakels, die met steeds meer geweld uit de weg moeten worden geruimd. Maar evenals bij de communistische revolutie in Rusland en de nationaal-socialistische revolutie in Duitsland speelde ook hier de ideologie een grote rol. Hoewel Scurr meermalen verwijst naar de enorme invloed van Rousseau op Robespierre wordt toch niet echt duidelijk waarom diens ideeën zo’n desastreuze uitwerking hadden. Opvallend is dan ook dat Jacob Talmons baanbrekende The Origins of Totalitarian Democracy (1952) ontbreekt in de bibliografie.

Eveneens opvallend is dat het begrip ‘zuiverheid’, waaraan deze biografie zijn titel ontleent, niet wordt geconceptualiseerd. Sinds de antropologe Mary Douglas in 1966 haar Purity and Danger publiceerde is er veel literatuur over dit begrip verschenen en hebben ook sociologen en historici onderzocht in welke mate de hang naar zuiverheid en de vrees voor onzuiverheid een rol kunnen spelen in sociale en politieke processen. In zijn Moral Purity and Persecution in History (2000) gaat Barrington Moore expliciet in op de Franse Revolutie en de rol van Robespierre. Ook dit boek ontbreekt in de literatuurlijst van Scurr.

Een oorspronkelijke, baanbrekende bijdrage aan de reeds immense historiografie van de Franse Revolutie kan dit boek niet worden genoemd, maar dat wil niet zeggen dat het zonder waarde is. Het portret dat Scurr schildert van de nog altijd enigszins geheimzinnige Robespierre is overtuigend en bij vlagen indringend. Ronduit beangstigend is om te zien hoe iemand die in alle opzichten onopvallend, ‘gewoon’ en middelmatig was, onder uitzonderlijke omstandigheden kon uitgroeien tot een meedogenloze massamoordenaar. In zekere zin leek zijn prerevolutionaire bestaan op de biografietjes die je leest van hedendaagse seriemoordenaars. Maar minstens even griezelig is het om te constateren dat hooggestemd idealisme en moralisme konden ontaarden in een orgie van bloed.