Behoeft Nederland een canon?

Door vreemde ogen

Nederlanders staan niet alleen in hun worsteling met de erosie van hun historie en cultuur. We vroegen een aselect samengesteld groepje buitenlandse intellectuelen zich uit te spreken over het belang van een canon – historisch, literair of anderszins. En als er al een canon moet zijn, waaruit zou die dan moeten bestaan?

Gary Schwartz

Amerikaanse uitgever, schrijver, kunsthistoricus. Woont en werkt in Nederland sinds 1965. Schrijver van Rembrandt, zijn leven, zijn schilderijen (1984). Werkt aan een nieuw boek over de schilder, te verschijnen in 2006.

«De mening dat onsterfelijke of essentiële kwaliteiten van een volk in de geschiedenis of de kunst besloten liggen, deel ik niet. Daarvoor moet je bij Rudi Fuchs en Herman Pleij zijn.

In een land waar de helft van het nationale voetbalelftal het volkslied niet kent, bestaat geen canon van onmisbare kennis waar men over moet beschikken om erbij te horen. Ooit zou ik ‹Hier is… Adriaan van Dis!› gezegd hebben, een programma waarover je op maandagochtend met willekeurige landgenoten op straat een gesprek kon beginnen. Er is echter geen ander cultureel bindmiddel van deze kracht voor in de plaats gekomen.

In de literatuur is de grootste gemene deler onder lezende Nederlanders Kuifje – geen jonge lezer weet dat het een vertaling uit het Waals betreft – en Suske en Wiske, een bewerking van een Vlaams origineel. Als ik me laat dwingen tot een keuze van echte boeken, dan zou het Turks fruit van Jan Wolkers zijn, voor mijn generatie, en Blauwe maandagen van Arnon Grunberg voor de huidige, maar die worden door slechts tienduizenden Nederlanders per jaar gelezen, tegenover de miljoenen die stripverhalen lezen. Overigens vind ik de neerslachtigheid van zowel Wolkers als Grunberg een risico inhouden voor een gevoelige jonge lezer. Het zijn nihilistische boeken, die het gebruikelijke Nederlandse zelfbeeld van stoer, gewoon en praktisch tegenspreken.

Het schilderij waar ik mijn Amerikaanse neefje naartoe zou sturen zou Mondriaans Victory Boogie-Woogie zijn, een van de grootste scheppingen van een Nederlandse kunstenaar uit de twintigste eeuw, gemaakt in New York. Ik zou er ook het verhaal bij vertellen van het achterkamertjesspel met geld van de Nederlandsche Bank waarmee de aankoop werd gefinancierd, en van de reactie van de meerderheid van het Nederlandse publiek, die het een schande vond zo veel geld voor zoiets waardeloos uit te geven.»

Francesca Goodall

Britse kunsthistorica. Groeide opin Italië, woonde meer dan vijf jaar in Amsterdam.

«De Nederlanders op de werkvloer waren zo seculier en pragmatisch ingesteld dat het me zwaar viel de zin van mijn wekelijkse kerkgang uit te leggen. Een uurtje Discovery Channel kijken leek ze aanmerkelijk zinvoller. Ik hield op met pogingen het uit te leggen, maar een boek als The Screw tape Letters van C.S. Lewis (1942) zou ze zeker goed doen, zeker op een beslissende leeftijd, al was het maar om enig idee te krijgen van de contradicties van het menselijk bestaan; kwesties zijn vaak niet zo simpel als Nederlanders veronderstellen. In The Screwtape Letters onderwijst de wereldwijze duivel zijn neefje in het verleiden van stervelingen. Maar waarschijnlijk verlang ik nu al te veel van Nederlanders: Lewis is misschien te christelijk voor op de spiritueel lege maag. Het is misschien beter te beginnen met Graham Greene, bijvoorbeeld Stamboul Train (1932). Dat geeft een even briljant geformuleerd zicht op het labyrint van de menselijke ziel, van de grote vragen van het leven, maar zonder God of de duivel.»

Grahame Lock

Hoogleraar filosofie en politieke theorie in Nijmegen en Leiden, tevens faculty fellow in Europese filosofie aan de Universiteit van Oxford. Vestigde zich dertig jaar geleden in Nederland.

«Mijn eerste persoonlijke indruk van Nederland heb ik als kind opgedaan, met Nienke van Hichtums Afke’s tiental (1903), een boek waar hier tegenwoordig ten onrechte lacherig om wordt gedaan. Het beeld dat Van Hichtum van Nederland geeft is wellicht stereotiep voor haar tijd, maar wel een mooi stereotype, van het ‹Nederland van ooit›, wat volgens mij – en dus ingegeven door Van Hichtum – helemaal niet zo’n verkeerd land was. Nederlandse kinderen van nu zouden er hun voordeel mee kunnen doen.

Later hebben de boeken van Hugo Claus me geholpen in mijn oriëntatie op en in Nederland. Claus is een Vlaming, natuurlijk, maar de grens tussen Vlaamse en Nederlandse literatuur is voor mij, als allochtoon, niet zo evident. En dat hoeft ze voor jullie ook niet te zijn. Vergeten straat (1944) van Louis Paul Boon is een belangrijk boek. Maar ook het Boon-achtige boek van Elsschot De verlossing (1916) is prachtig.

Ook van belang is de literatuur die je laat zien hoe een land had kunnen zijn als je er met andere ogen naar had gekeken: Sacheverell Sitwell, The Netherlands uit 1948. Hij schrijft over Nederland en begint, nota bene, in Zuid-Afrika! Hij geeft een prachtige beschrijving van dat land en zegt: ‹Kijk, die huizen, gewoontes en gebruiken – normen en waarden zo je wilt – dat is nu typisch Nederlandse cultuur.› Echt! En daarna belandt hij in Urk. Daar valt het hem op dat de ene helft de andere haat, wellicht door inteelt gedreven, en dat de burgemeester ze allemaal haat. Dat soort observaties. Heel lokaal gedreven. Alles wat deze Sitwell beschrijft was nieuw voor mij, terwijl ik bij lezing toch al een behoorlijk aantal jaren hier woonde.

In dezelfde categorie noem ik Turks fruit van Jan Wolkers. Maar dan in negatieve zin. Zo had Nederland eruitgezien als je anders kijkt. Het leedvermaak daarin, dat misselijke gevoel voor humor, de hele mentaliteit die uit dat boek naar voren komt; het was voor mij bijna reden om rechts omkeert te maken. Lachen om een beha met een ballon erin, omdat schoon moeder een borst mist, dat soort grappen. Als Nederlanders dát mooi vinden, dacht ik, dan kan ik die Nederlanders nooit begrijpen en vice versa. Natuurlijk, zwarte humor kan prachtig zijn, als in de Amerikaanse literatuur, Huckle berry Finn en zo, maar Turks fruit vind ik weerzinwekkend. Dat zou ik kinderen van veertien niet aanraden. Louis Couperus wel. Kunnen ze op school niet genoeg van laten lezen.

Dat brengt me bij Willem Jan Otten, die in 1999 een toneelbewerking maakte van Couperus’ Van oude menschen, de dingen die voorbijgaan. Otten vind ik een geweldige Nederlandse schrijver, juist omdat hij zo on-Hollands is. Nederlanders proberen altijd luchthartig te zijn. Op mijn instituut, bijvoorbeeld, leek niemand de dag na 9/11 van zijn stuk gebracht; met een grap of twee moet je er weer tegenaan kunnen. Nederlanders zijn er zelfs trots op dat ze zich niet al te zeer opwinden. Misschien is dat wel postmodern, dat totale gebrek aan zendingsdrang, maar ik vind het soms wat lauw. Zo niet Willem Jan Otten! Zijn dichtbundels zijn enorm intens, net als zijn essays en verhalen over zijn nieuwe, katholieke, geloof. De zaak is voor hem van belang.

Overigens is ook zijn geleerdheid on-Hollands. Natuurlijk heb je erudiete Nederlanders, maar ze bevinden zich in een kleine minderheid. Toen ik Willem Jan Otten voor het eerst ontmoette, had ik echt even de tijd nodig om over te schakelen. Hem ontmoeten was als een Spinoza-liefhebber treffen in een voetbalelftal; je verwacht het niet. Het komt voor, maar het is geen alledaagse gebeurtenis in Nederland.»

Fraser Bailey

Britse schrijver van tv-comedy’s, filmscripts en after-dinner speeches. Werkte vijf jaar in Nederland als copywriter.

«Iedereen uit Brabant zou Solzjenitsins One Day in the Life of Ivan Denisovich moeten lezen, om te weten hoe het voelt om in Nederland wat freelancewerk te verrichten. Alle Nederlanders zouden de informatieborden op Britse treinstations moeten lezen. Dan houden ze wel op met klagen over hun eigen treinen. Ik kan niet anders dan me tot het voetbal richten, jullie belangrijkste culturele product. Van Basten mag dan momenteel op de eerste plaats komen in jullie gevoelens van affectie, maar Ajax, Barcelona, Cruijff van Frits Barend & Henk van Dorp moeten jullie regelmatig blijven raadplegen voor de voorbeelden van Cruijffs genialiteit, die een geïntensiveerde vorm van Nederlandse logica vertegenwoordigt. Simon Kupers Ajax, the War, the Dutch is een goed gedocumenteerd en belangrijk boek om inzicht te krijgen in de Nederlandse vaardigheid to turn a blind eye – en niet alleen wanneer ik in het café aanstalten maak een rekening te betalen.»

John Leighton

Britse kunsthistoricus, directeur van het Van Gogh Museum.

«Ik vind het idee van een historische canon uiterst verdacht. Ik ben in de jaren zestig en zeventig opgegroeid in Belfast, en ik ben me daardoor erg bewust geworden van de explosieve werking van historische data, en hoe gemakkelijk de geschiedenis kan worden gemanipuleerd om alle mogelijke vormen van twijfelachtige daden en ideeën te rechtvaardigen. In plaats van kinderen een paar vaste punten of historische momenten aan te reiken, stel ik voor dat scholen boven alles proberen te laten zien dat de geschiedenis dynamisch is, vloeiend, en onderwerp van subjectieve interpretatie. Ik zou graag zien dat mijn kinderen het verleden behandelen met respect, als een ouder lid van de familie: soms in de war, vaak wijs en vol kennis, en altijd vragend om aandacht en zorg.»

Christophe de Voogd

Franse historicus, voormalig directeur van Maison Descartes en auteur van Histoire des Pays-Bas (1992, in vertaling verschenen bij Meulenhoff).

«Ik vond het al vreemd dat ik niet eerder een telefoontje uit Nederland kreeg. Het lijkt erop dat jullie geen pottenkijkers willen bij deze boekenweek, geen advies van buitenaf; dat betekent kennelijk ‹vaderlands› in dat thema. Het is onverstandig, want een herwaar dering van het eigen culturele erfgoed biedt tegelijk de kans op een herschrijving van dat erfgoed in een Europees perspectief. Nederland moet, gevoed door de huidige verwarring, niet terugkeren naar de enge, negentiende-eeuwse nationale uitgangspunten, maar ook niet iets als een multiculturele benadering beginnen.

Iedere serieuze studie van de Nederlandse geschiedenis begint bij Simon Schama’s Overvloed en onbehagen, niet bij Huizinga, Geyl of Romein. Kijken van buitenaf brengt altijd vergelijking met zich mee, en dat maakt Schama’s boek tot een must.

Overigens zal Nederland niets verliezen aan de geschiedschrijving in Europees perspectief. Juist de werken van Nederlanders die grote invloed hadden op het buitenland behoren tot de canon die ik voorsta, zoals het werk van Erasmus en Spinoza.

Jullie moeten je geschiedenis zien zoals die is, onlosmakelijk verbonden met Europa. Huizinga kun je niet begrijpen zonder Toynbee, Spengler en Michelin. Neem Rembrandt, een goed voorbeeld. Het is belangrijk dat Nederlanders op jonge leeftijd in aanraking komen met deze grote Nederlandse kunstenaar, maar dan niet op de oude manier, waarin hij is vernederlandst. Rembrandt liet zich beïnvloeden door Italiaanse kunst. De katholieke Rubens was een voorbeeld voor hem. Hij verhield zich tot Europa, en zo moeten Nederlanders zich tot hem verhouden.»

Russell Shorto

Amerikaanse journalist, schrijver van Het eiland in het midden van de wereld, over de betekenis van de Hollandse aanwezigheid in Amerika voor de ontwikkeling van de Verenigde Staten.

«De Verenigde Staten zijn al lang verwikkeld in een vergelijkbaar debat over de vraag of het onderwijs een canon – in geschiedenis, literatuur, maar ook in wetenschappen, wiskunde en grammatica – zou moeten omvatten, of onderwijzers de vrijheid moeten krijgen voor een meer geïntegreerde, discussiegerichte aanpak. Mijn antwoord is: allebei. In de VS is de balans doorgeslagen naar een absurd grote afstand van feiten. Mijn tien jaar oude dochter moet dit jaar een landelijke science test doen, en voorzover mijn vrouw en ik kunnen zien heeft haar klas zich het hele jaar maar met één projectje over vulkanen bezig gehouden. Geschiedenis? Als je een gemiddelde twaalfjarige vraagt wie Thomas Jefferson was, dan is het antwoord waarschijnlijk: een beroemde slavenhouder.

Maatschappijen zijn bijzonder kwetsbaar als ze niet een gestructureerd geschiedeniscurriculum aanbieden. Of dat een echte canon zou moeten bevatten, en waar die canon uit zou moeten bestaan, is een onderwerp van discussie, maar ik denk dat het debat zeer de moeite waard is. Ja, ik denk dat een canon een goed ding is, en hetzelfde geldt voor het eindeloze debat dat het entameert. In Nederland kan een canon – hoe discutabel ook – een onderdeel zijn van het streven om kinderen een identiteit te geven die samenhangt met de plaats waar ze wonen. Het idee dat geschiedenis op een waardeneutrale manier kan worden gepresenteerd is belachelijk en moet worden verworpen. Een deel van het onderwijs moet bestaan uit het aankweken van een bewustzijn van de voorkeuren en aannames waarop de geschiedschrijving is gebaseerd.

Ik denk dat Nederlandse kinderen de opstand tegen Spanje moeten bestuderen – de Nederlandse Republiek, de hertog van Alva, Philips II en de Raad van Beroerten. Ik denk dat er een grondige discussie moet zijn over de Gouden Eeuw: wat het de Nederlandse maatschappij heeft opgeleverd, wat het de wereld heeft gebracht, en wat voor kwaad en goed eruit is voortgekomen – de opkomst van Nederlandse tolerantie, Gomarus en Arminius, de VOC, de immigratie, de oorsprong van het kapitalisme van de zeventiende eeuw, en de rol die Nederlandse bedrijven tegenwoordig in de wereld spelen. Ook: het Nederlandse verzet in de Tweede Wereldoorlog, wat het wel was en wat niet.

Dit is geen canon, het is een vergaarbak. Al die dingen bij elkaar, en nog meer, maakten Nederland tot wat het nu is, en Nederlanders tot wie ze nu zijn.»

Jolanda Vanderwal-Taylor

Amerikaanse associate-professor in Nederlands en Duits (taal, literatuur, cultuur) aan de Universiteit van Wis consin. Schreef A Family Occupation: Children of the War and the Memory of World War II in Dutch Literature of the 1980s.

«Aan de Universiteit van Wisconsin in Madison worden jaarlijks Nederlandse boeken – eigenlijk altijd in vertaling – gelezen door een twintigtal studenten. In het afgelopen jaar werden Louis Couperus’ Stille kracht gelezen, De passievrucht van Karel Glastra van Loon, Het verdriet van België van Hugo Claus, Hart van steen van Renate Dorrestein en Het lied en de waarheid van Helga Ruebsamen. Elke week een ander boek. Ik had ook Oscar van den Boogaards Liefdesdood willen lezen, maar daarvan waren, ver in het midwesten van Amerika, niet tijdig genoeg Engelse vertalingen beschikbaar. De passievrucht kreeg de meeste studentenhanden op elkaar. Het verdriet van België werd collectief te ingewikkeld gevonden en daardoor saai. Momenteel is er één student aan de gigantische Universiteit van Wisconsin die aan de leiding heeft gevraagd te mogen afstuderen met Nederlands als hoofdvak. Het is nog niet duidelijk of dit de student wordt toegestaan.»

László F. Földényi

Hongaarse hoogleraar vergelijkende literatuurwetenschap aan de Universiteit van Boedapest. Verbleef in 2002 een jaar in het Netherlands Institute for Advanced Studies in Wassenaar om onderzoek te doen naar het werk van William Blake. Hij publiceerde onder meer over het werk van Cees Nooteboom.

«Als het echt waar is dat tieners in Nederland nog maar tien boeken hoeven te lezen in hun middelbare-schooltijd, dan vind ik het van groot be lang dat ze tenminste kennis nemen van de volgende werken, in vertaling of in de oorspronkelijke taal, dat maakt me niet uit:

  1. René Descartes, Discours de la méthode, een kort en onderhoudend essay over rationeel denken. Het laat zien hoe je een standpunt effectief kunt verdedigen.

  2. Johann Wolfgang von Goethe, Die Leiden des jungen Werther. Niet alleen een prachtig en ongelukkig liefdesverhaal, maar ook een roman over de geboorte van de moderne Europese persoonlijkheid.

  3. Heinrich von Kleist, Michael Kohlhaas. Een kort verhaal dat laat zien hoe rechtvaardigheid en radicalisme kunnen samenvallen.

  4. Fjodor Dostojevski: ook detectives kunnen de grote metafysische vragen behandelen. Schuld en boete is het meest briljante voorbeeld daarvan.

  5. Kafka, Het proces, een archetypisch verhaal over de bureaucratie en de gevaren die ons allemaal bedreigen.

  6. Jean Genet, Dagboek van de dief. Een combinatie van underground literature en high poetry.

  7. Imre Kertész: Faithlessness, samen met Tadeusz Borowski’s short stories, de beste ooit geschreven over de holocaust.

Laat de scholieren daarnaast De donkere kamer van Damokles lezen, van Hermans. Dat is een prachtige roman. Maar daarmee zitten we al op acht boeken hè? Dat vinden de docenten vast niet goed.»

Lieve Gevers

Belgische hoogleraar kerkgeschiedenis aan de Universiteit van Leuven. Werkt aan het nias met Jan Bank aan een studie over de geschiedenis van kerken en religies in bezet gebied tijdens de Tweede Wereldoorlog.

«Ik maakte kennis met de Nederlandse samenleving door het lezen van Gudrun krijgt haar zin van Heleen van Delden en de reeks van Em Koppenol van Mia Bruyn-Ouwehand, zoals De Koppenolletjes op het eiland, Em Koppenol krijgt een vriendin en De Koppenolletjes hebben honger, waarin Em en haar familie de hongerwinter doorbrengen in een Gelders vakantiehuisje. Bij de prijsuitdeling op school aan het einde van het jaar kreeg ik Bartje en Bartje zoekt het geluk van Anne de Vries.

Wij werden op de universiteit in de jaren zestig en zeventig aangesproken door auteurs die schreven over de eigentijdse of recente geschiedenis van de Nederlandse katholieke kerk: Walter Goddijn, Pieter van de Meer de Walcheren, Michel van der Plas. De boeken van F.J.J. Buytendijk en C. Trimbos openden in de jaren zestig voor ons nieuwe perspectieven op relaties en seksualiteit.

Inspirerend was het werk van Jan Romein en Annie Romein-Verschoor, Op het breukvlak van twee eeuwen. Ik heb ook graag de autobiografie van Annie Romein-Verschoor Omzien in verwondering gelezen. Een mooie synthese over de geschiedenis van België en Nederland vonden we in E.H. Kossman, De Lage Landen.

Ik heb mij een tijdlang gespecialiseerd in de geschiedenis van de katholieke Vlaamse beweging en het moedertaalonderricht op de katholieke middelbare scholen in Vlaanderen in de negentiende eeuw. Ik concludeerde daaruit dat Vlaamse katholieke middelbare scholen in de negentiende eeuw onder meer Ledeganck en vooral Bilderdijk lazen, ook Isaac da Costa. Er waren goede contacten met Jan Alberdingk Thijm, Het Belfort. Maar over het algemeen hadden liberale Vlaamsgezinde letterkundigen meer contacten met de Nederlandse literaire wereld – de Tachtigers en Van nu & straks.

Ik heb mij verder gespecialiseerd in katholieke kerkgeschiedenis. Waardeer nog altijd het basiswerk van J.J. Rogier, In vrijheid herboren, waar nu een vervolg op is geschreven door Jan Jacobs, Walter Goddijn en Van Tillo, Tot vrijheid geroepen. Op dit terrein, van de negentiende- en twintigste-eeuwse katholieke kerkgeschiedenis, zou ik als belangrijkste auteurs verder vermelden J.A. Bornewasser, P. Luykx en J.P. De Valk. Voor de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog denk ik aan Lou de Jong en Hans Blom. Over de Nederlandse literatuur blijft ik geïnformeerd via De Standaard der Letteren.»

Stanley Kurtz

Amerikaanse sociaal-antropoloog (Harvard), research fellow bij de Hoover Institution. Strijdvaardig soldaat in de Amerikaanse Culture Wars; publiceerde onder meer een artikel over het homohuwelijk in Nederland in de Weekly Standard.

«Ik zou Nederlandse zeventienjarigen om te beginnen Simon Schama’s geschiedenis van de Franse Revolutie, Citizens, laten lezen, een doordacht en uiterst leesbaar verslag van het grote moment waarop de moderniteit haar intrede deed. Schama’s boek is belangrijk omdat het niet alleen een eerlijk en krachtig beeld geeft van wat de Revolutie bereikte, maar ook van de excessen van de Terreur. Na Schama zou ik Edmund Burkes Reflections on the Revolution in France opgeven. Met Schama als achtergrond is Burkes klassieke pleidooi voor het belang van de traditie gemakkelijk te volgen en te waarderen. Na Burke komen selecties van Alexis de Tocquevilles Democracy in America. Tocquevilles boek gaat over Amerika, maar is geschreven voor Europeanen. Hij was veel progressiever dan Burke en een van de grote vroege verdedigers van democratie, de hervorming van het strafrecht en de rechten van minder heden. Maar Tocqueville benadrukte ook het belang van traditie in het familieleven en in de religie, en stelde dat die essentiële hoekstenen voor de democratie waren. En hij waarschuwde tegen een overmatig machtige welvaartsstaat.

Tocquevilles discussie van het familieleven zou ik laten volgen door Jane Austens Sense and Sensibility, een fascinerend portret van het traditionele huwelijk, dat volstrekt eerlijk is over de realiteit van het menselijk tekort.

En voor wat betreft onze huidige tijd zou ik twee boeken over de toestand in de wereld naast elkaar zetten: Francis Fukuyama’s The End of History and the Last Man, en Samuel P. Huntingtons The Clash of Civilizations. Deze sterk verschillende boeken gaan over de problemen van hedendaags buitenlands beleid. Fukuyama heeft vast vertrouwen in de onvermijdelijke overwinning van democratie, ook al is hij open over de zwakheden daarvan. Huntington wantrouwt pogingen om democratie te verbreiden, en is genadeloos duidelijk over de culturele verschillen die een universele democratische kruistocht in de weg staan. Het debat tussen deze twee auteurs is het debat waar wij allemaal mee te maken hebben. Ik zou afronden met Bernard Lewis’ What Went Wrong?, een verslag van de worsteling van de hedendaagse islamitische wereld die de fout maakt de schuld voor al haar problemen af te schuiven op het Westen.»