Door woorden verwoest

Het verleden is taai als leer. Dat ervaart Aryeh Alexander ben Shelomo, een joods jongetje dat opgroeit in Windsor, een onooglijk plaatsje in het Canadese Ontario.

Aryeh leidt het beschermde leven van een enig kind. Zijn ouders hebben het niet breed. Zijn vader is een rabbijn, een fantast die niets terechtbrengt van zijn grote theosofische studie over de goddelijke vorm van het opperwezen. Sarah, de jonge moeder van Aryeh, heeft talloze miskramen achter de rug. Ze gaat gebukt onder allerlei angsten en zorgen die vooral haar zoon betreffen. Dat wekt geen verbazing als je beseft dat Sarahs broer al op jonge leeftijd in een gekkenhuis verzeild is geraakt. Dat haar zoon zich tijdens zijn puberteit gedurende een vol jaar terugtrekt in zijn van de zon afgeschermde kamer, is niet voldoende om de zorgen van Sarah te verlichten.
Het jongetje heeft zijn moeder al eerder verdriet aangedaan door de situatie thuis in een paar harde woorden in te schatten: ’“We zijn dom en arm!” zei ik tegen mijn moeder. “Dom en arm, dom en arm!”’ Als zijn moeder daarop begint te huilen, wordt Aryeh zich eensklaps bewust van de macht van het woord: ‘Ik zal mijn woorden tot mijn laatste snik berouwen, want wat is uitgesproken kan men nooit terugnemen, aangezien elk gesproken woord immers voor de eeuwigheid geschapen is. Evenals God scheppen en verwoesten wij onze eigen wereld met woorden.’
De verre Eufraat, de debuutroman van Aryeh Lev Stollman, zelf zoon van een rabbijn en beroepshalve neuroradioloog in New York, is ook de kiemcel van een tragedie die de joodse tweeling Bernhard en Hannelore Seidengarn heeft getroffen. In de Duitse kampen experimenteerden de beulen destijds graag met tweelingen. Bernhard hadden ze gecastreerd. Op een foto staat Bernhard op het ogenblik dat het kamp werd bevrijd: een geraamte in gestreepte vodden.
Met die foto is echter iets vreemds aan de hand. Op de andere helft stond Hannelore, de tweelingzuster van Bernhard. Maar Hannelore heeft zichzelf eraf geknipt en ze heeft het gedeelte waar ze op stond, vernietigd.
Later krijgen we een vermoeden wat Hannelore bij die onderneming heeft bezield. Dat zijn allemaal geheimen die Aryeh voor zichzelf moet bewaren.
Intussen gaat het leven zijn gang in Windsor. Het is geen idylle. In de buurt van de plaats waar een paar kinderen door een auto worden overreden, maakt Aryeh kennis met Marla, een misvormd meisje dat in het ziekenhuis overlijdt voor ze goed en wel zijn vriendin is geworden.
Voor het jongetje ontplooit zich bovendien een verleden dat van tragedies aan elkaar hangt. Zijn overgrootvader heeft zijn gezin en huis in Frankfurt in de steek gelaten om als privé-leraar van een Perzische prins langs de Eufraat te gaan zwerven. Resultaat van dat groteske avontuur is een even dun als waardeloos boekje, een prul in leren omslag, door overgrootvader bewaard in een doorzichtige sarcofaag met een eigen scharnierend deurtje en zilveren miniatuurslotje, dat de titel Auf den Spuren Abrahams entlang des Euphrats draagt.
Gebeten door dezelfde microbe maakt ook Aryehs vader zich op om te reizen naar de plaatsen die hem zijn hele volwassen leven hebben geobsedeerd. Maar amper twee dagen nadat hij in Bagdad is aangekomen, overlijdt hij aan een doorgebroken blindedarm.
Verder komt aan het licht dat Aryehs grootouders van vaders kant hun zoon zo goed als verstoten hebben, ten eerste omdat hij - tegen hun atheïstische overtuiging in - na zijn studie rabbijn is geworden. En ten tweede omdat hij - ondanks hun hardnekkige verzet - getrouwd is met Sarah, de vrouw van wie hij altijd gehouden heeft.
Om al die redenen zijn Aryehs grootouders uit Canada weggegaan om weer in Duitsland, het land van de moordenaars, te gaan wonen.
De verre Eufraat is een hard boek. Niemand leert er iets uit de eigen ervaringen, laat staan uit die van een ander. Iedereen verzandt er in de diepste eenzaamheid. Ouders breken er met hun kinderen en omgekeerd.
Heel pijnlijk is de vertrouwensbreuk tussen Sarah en Berenice, twee hartsvriendinnen van wie de lezer de hele tijd heeft aangenomen dat niets hun wederzijdse gehechtheid aan het wankelen kan brengen. Die slag komt bij Berenice zo hard aan dat ze haar huis verkoopt en verhuist naar Galilea, waar ze bij haar broer gaat wonen.
Niets blijft er voor Aryeh over dan het gebed, en het hunkeren naar een plaats buiten de tijd en de aarde 'waar we altijd heen mochten gaan om met onszelf in het reine te komen’.