Door zand geschuurd film

Wereldwijd vielen 35 jaar geleden de monden open van bewondering bij het zien van De vrouw in het zand van de nog onbekende Japanse regisseur Hiroshi Teshigahara. Nu is De vrouw in het zand een klassieker die in de reeks Cinema 2000 opnieuw op reis gaat langs de filmhuizen.

De film is niet meer te beleven als vreemd en nieuw. Het is geen film meer die plotseling kan opduiken en je overdondert door zijn uitgesproken en eigenzinnige vorm. Nu is hij een alom erkend meesterwerk en moet hij bestand zijn tegen hooggespannen verwachtingen. Niet de geringste opgave voor een film: het hoofd bieden aan de herinnering aan die eerste keer dat je hem onderging als een verpletterende ervaring. Het is niet vreemd als je je De vrouw in het zand herinnert als een beklemmende, broeierige en existentiële verbeelding. Een duistere nachtmerrie. Beheerst door die herinnering komt de toon van de opening van de film nu merkwaardig over: hij zet niet meteen grimmig in. De man die gedurende bijna de hele film in een diepe kuil in het zand een geweldige strijd met zichzelf zal uitvechten, komt als een wat komische en onbenullige amateur-insectenverzamelaar het verhaal binnen. Hij heeft zich ver buiten de gebaande paden gewaagd in zijn gedrevenheid om naam te maken met de ontdekking van een nog onbekend insect. Tegen het vallen van de avond vraagt hij enkele burleske plattelanders om onderdak. Ze wijzen hem een huisje op de bodem van een diepe kuil. Op het moment dat hij zich in de kuil laat zakken zou de film nog een komedie kunnen zijn. In het huisje krijgt hij van een jonge vrouw een maaltijd. De maaltijd wordt genuttigd in een tamelijk komische worsteling met het overal in doordringende zand. Als de vrouw ’s nachts niet blijkt te slapen maar verder blijft worstelen met het zand, blijft de man feitelijk binnen het register van de komedie. Als hij ’s morgens wakker wordt ligt de vrouw totaal uitgeput naakt te slapen. Een fijn laagje zand op haar huid versterkt het fraaie fotogenieke beeld. Een mooi serieus beeld. Het zou het omslagpunt van de film kunnen zijn, maar de man is nog niet zover. Hij steekt verwonderd zijn hoofd uit een raampje. Uit de manier waarop hij zijn hoofd onhandig stoot als hij het weer binnenboord trekt, blijkt dat hij nog steeds de komische vlindervanger speelt. Langzaam beseft de man dat hij gedoemd is om in de kuil te blijven en langzaam wordt de toon van de film grimmiger om uiteindelijk op die nachtmerrie-achtige sfeer uit te komen die zich kennelijk zo diep in het geheugen van de kijker kan nestelen. Niet de minste kwaliteit van de film is de verbeelding van de erotische spanning tussen de man en de vrouw. Er zijn zelfs scènes die, hoewel minder expliciet, vooruitwijzen naar Het rijk der zinnen van Nagisa Oshima. Met veel minder vrijheid dan Oshima later tot zijn beschikking had (omdat hij in de jaren zeventig filmde en voor een Franse producent) wist Teshigahara met behulp van het indrukwekkende acteren van Hiroko Ito en Kyoko Kishida (als de man en de vrouw) en een uitgekiende decoupage een onontkoombare zinnelijkheid te creëren. Graag had ik geschreven dat de film in een fonkelende kopie aan een nieuw leven is begonnen. Helaas is dat niet helemaal het geval. De tand des tijds heeft aan de film geknaagd en vooral de geluidband (met de stemmingbepalende muziek van Toru Takemitsu) lijkt door te veel zand te zijn geschuurd. Dat is ook iets waar een historisch meesterwerk tegenop moet boksen: de technologische verbeteringen die na hem zijn gekomen. Daar tegenover staat het historische patina. De vrouw in het zand is een indrukwekkend document uit een tijd dat men het aandurfde en aankon om met niet meer dan een kuil in het zand en twee fantastische acteurs een existentieel statement te filmen. Over 35 jaar ga ik weer eens kijken of dat nog klopt.