Ruzie tussen Europol en CRI

Doorgeefluik van kentekenplaten

Het botert niet tussen de Europese politiedienst Europol en de Nederlandse Centrale Recherche Informatiedienst. In vertrouwelijke rapporten levert de CRI vernietigende kritiek op wat volgens sommigen de Europese FBI moet worden.

Het zijn zware tijden voor de Europese politiedienst Europol. Onlangs werd een Europol-medewerker met zijn handen in de kas betrapt. Een arrestatieteam van politie Haaglanden lichtte de Fransman van zijn bed en zette hem vast op verdenking van grootschalige fraude en valsheid in geschrifte. Afgelopen week besloot de Europese Raad van Ministers dat de dienst volledig zal worden doorgelicht wegens het gebrek aan integriteit van de topambtenaren.

Het schandaal komt op een slecht moment. Europol staat aan de vooravond van een aanzienlijke uitbreiding van het takenpakket. De in Den Haag gevestigde politiedienst mag op dit moment slechts informatie over grensoverschrijdende zware criminaliteit uitwisselen. Ook bewerkt en analyseert Europol door de lidstaten aangeleverde informatie in de hoop criminele netwerken in kaart te brengen en nationale politiediensten op het goede spoor te zetten.

Over enige tijd mag Europol echter ook meedraaien in gezamenlijke onderzoeksteams van de lidstaten. Voorlopig alleen nog op de achtergrond, door de teams met analytische deskundigheid bij te staan. Europol-rechercheurs mogen dus niet zelf in de bosjes liggen of mensen oppakken. Maar het is weer een stapje verder op weg naar de door sommige Europese lidstaten zo vurig gewenste Europese fbi, die door heel Europa criminelen opjaagt.

Bovendien krijgt Europol meer mogelijkheden om bij de lidstaten aan te dringen op opsporingsonderzoeken. Als klap op de vuurpijl circuleren in Brussel voorstellen om het mandaat van Europol, dat nu alleen mag optreden tegen bepaalde vormen van criminaliteit, uit te breiden tot alle vormen van criminaliteit.

De frauderende Europol-medewerker is niet meer dan een politiek rampje van verwaarloosbare grootte vergeleken met het explosieve materiaal dat zich in de burelen van de Centrale Recherche Informatiedienst (CRI) bevindt. In vertrouwelijke jaarverslagen, waarover De Groene Amsterdammer beschikt, schetst de CRI een ontluisterend beeld van Europol. Europol blijkt vooral te functioneren als een veredeld doorgeefluik van kentekenplaten en telefoonnummers, waarbij de informatie aan alle kanten rammelt. De analyseprojecten, die het paradepaardje van Europol moeten worden, lopen vooralsnog op niets uit. Een schamel resultaat voor een organisatie die dit jaar 35 miljoen euro heeft te besteden.

In de vertrouwelijke jaarverslagen hield de CRI de informatieverzoeken die via Europol lopen eens kritisch tegen het licht. Nederlandse politiediensten bleken te grossieren in onduidelijke informatieverzoeken aan Europol. De CRI retourneerde de verzoeken en hoorde er vervolgens nooit meer wat van. «Bekend is dat vraagstellers dan niet schromen om andere kanalen te gebruiken om het antwoord te krijgen», concludeert de CRI in het vertrouwelijke jaarverslag van 1999. Politiediensten bellen rechtstreeks met een collega over de grens of gebruiken Interpol om de antwoorden te krijgen.

Ook de verzoeken van andere landen die via Europol bij de CRI terechtkwamen, konden niet door de beugel. In het geval van mensensmokkelzaken kreeg Nederland van andere lidstaten «lange lijsten» met persoonsgegevens toegestuurd, zonder dat duidelijk was of het om slachtoffers van mensensmokkel ging of om de smokkelaars zelf.

Lidstaten bleken ook een flexibele opvatting over de Europol-regels te hebben. Informatie-uitwisseling via Europol mag alleen als politiediensten concrete aanwijzingen hebben dat zware criminele organisaties in twee of meer lidstaten opereren. Niet alle lidstaten nemen die regels even nauw. Zo wilden lidstaten via het Europol-kanaal informatie uitwisselen over luchtreizigers om mogelijke drugskoeriers in het vizier te krijgen. Volgens de CRI mag dat helemaal niet.

Bij witwaszaken mag Europol alleen in actie komen als er een directe relatie is met een vorm van zware criminaliteit. «De praktijk heeft aangetoond dat de overige landen nog wel eens de hand lichten met dit in het Europol-verdrag vastgelegde voorschrift», stelt de CRI. Ook bij de uitwisseling van gegevens over voertuigcriminaliteit kreeg de CRI «regelmatig» vragen voorgelegd zonder dat er concrete aanwijzingen waren voor het bestaan van een internationale criminele organisatie.

De meeste informatieverzoeken blijken bovendien van basale aard. De directeur van Europol, Jürgen Storbeck, constateerde in het officiële Europol-jaarverslag van 1999 tevreden dat het aantal uitgewisselde informatieverzoeken stijgt en de complexiteit van de onderzoeken toeneemt. Onzin, meent de CRI. Meer dan 85 procent van de uitgewisselde gegevens behoort tot de lichtste categorie: eenvoudige informatieverzoeken, zoals de tenaamstelling van een kenteken of telefoonnummer. Meer gecompliceerde verzoeken, waarbij analytische ondersteuning van Europol of de bij Europol gestationeerde nationale verbindingsofficieren plaatsvindt, bedragen slechts tien procent van de uitgewisselde gegevens. Voor informatieverzoeken van categorie 3, analytische ondersteuning en coördinatie van internationale onderzoeken — wat het paradepaardje van Europol zou moeten zijn —, resteert een schamele vijf procent. «Het gegeven dat ruim 84 procent van de verzonden zaken als ‹eenvoudig› wordt bestempeld, beves tigt de stelling niet», concludeert de CRI. De cijfers over 2000 laten zelfs een daling van complexe onderzoeken zien: van de informatieverzoeken valt 92 procent in categorie 1 en slechts twee procent in de zwaarste categorie 3.

Ook de mededeling van Storbeck dat er sprake is van een «toename van hoge kwaliteitsresultaten» wordt door de CRI enigszins schamper afgedaan. Europol kan in 1999 niet meer dan vijf zaken aandragen die de stelling zouden moeten ondersteunen. Daar zitten een aantal zaken bij die uitsluitend zijn gebaseerd op de uitwisseling van informatie tussen twee landen. In 2000 is Europol actief geweest in zeven operationele projecten. «Naar het oordeel van de CRI is het niet zo dat deze resultaten niet bereikt zouden zijn wanneer Europol er niet zou zijn geweest», luidt de vernietigende conclusie in het vertrouwelijke jaarverslag.

De CRI trekt openlijk het nut van Europol in twijfel. Men wijst op de ervaringen met twee grote Europol-onderzoeken in 1999. Het zogeheten Cocaphone-bestand zou gevuld moeten worden met door onderzoeksteams aan te leveren telefoonnummers van organisaties die drugs smokkelen vanuit Zuid-Amerika. Het duurde echter ruim een jaar voordat Nederlandse kernteams de eerste informatie inleverden. Men had wel wat beters te doen, vonden de kernteams.

Ook het Koeriers-project werd een mislukking. Dit project moest gegevens bevatten van aangehouden drugskoeriers, die zicht op de organisatoren zouden geven. Doordat de lidstaten een potje maakten van de registratie en het doorgeven van de gegevens, kwam van het project weinig terecht. Nederland stapte daarop uit het Koeriers-project.

Gezien de ervaringen adviseert de CRI om uiterst terughoudend te zijn bij deelname aan Europol-projecten. «Als er in Nederland geen directe interesse of direct belang in deelname aan een bepaald project is en als niemand bereid of in staat is op structurele wijze de voor de projecten gevraagde informatie aan te leveren, is de CRI van mening dat wij aan dergelijke projecten niet moeten deelnemen», luidt de uitsmijter.

Nederland staat niet alleen in de kritiek op het functioneren van Europol. De hoogste Belgische vertegenwoordiger bij Europol, Patrick Zanders, stelde in december vorig jaar in Straatsburg onomwonden dat de Belgische politiediensten niets aan Europol hebben. De analyses en rapporten van Europol hebben in België tot geen enkele concrete opsporingsactie geleid. «Ik vrees voor een vicieuze cirkel», zei Zanders. «Omdat Europol geen resultaten kan tonen, hebben politiemensen er geen vertrouwen in, en omdat ze geen meerwaarde zien, zijn ze niet geneigd Europol gevoelige informatie toe te spelen.» De vertrouwelijke CRI-rapporten maken duidelijk dat de vicieuze cirkel in feite een neerwaartse spiraal is.

In de praktijk zien veel regiokorpsen en kernteams Europol niet staan. Gezien de kwaliteit en het basale niveau van de informatieverzoeken geven regiokorpsen geen prioriteit aan de afhandeling ervan. Ze concentreren zich op rechtshulpverzoeken uit het buitenland met wat meer vlees aan het bot. Ze doen liever rechtstreeks zaken met bevriende collega’s over de grens dan de moeizame weg via Europol te volgen, waarvan toch weinig resultaat valt te verwachten.

Nederlandse politici staan daarom niet te springen om Europol met nieuwe taken op te zadelen. Europol moet eerst maar eens zijn meerwaarde aantonen, is de mening. Maar Nederland durft dat nauwelijks hardop te zeggen. Het gastheerschap geeft nu eenmaal bepaalde verplichtingen. Bovendien wil Nederland niet als notoire spelbreker te boek staan.

Het PvdA-kamerlid Gerrit Jan van Oven waarschuwde onlangs zelfs voor een politiek isolement in Europa. Directeuren van Europol klagen inmiddels hardop over het gebrek aan medewerking van Nederlandse zijde.

Van Oven erkent dat het een vreemde zaak is Europol uit te breiden terwijl de organisatie slecht functioneert. «Natuurlijk zou Europol eerst orde op zaken moeten stellen», meent Van Oven. «Maar als er enthousiasme is bij de lidstaten en Europol zegt nieuwe taken aan te kunnen, is het demotiverend om dat tegen te houden. Er zal in Europa in toenemende mate behoefte zijn aan een grensoverschrijdende politie. Het zou uiteraard ook een grote opsteker zijn als er in Nederland dankzij steun van Europol een grote geslaagde actie plaatsvindt. Maar dat valt moeilijk af te dwingen.»

Het ministerie van Justitie erkent dat de relatie tussen Europol en de CRI slecht is. In de afgelopen jaren heeft Europol in Nederland geen enkele klap aan de misdaad toegebracht, erkent woordvoerder Victor Holtus. Maar hij benadrukt dat niet alleen Nederland vraag tekens zet bij het functioneren van Europol. «Meer lidstaten moeten er aan wennen. Politiediensten moeten allerlei gegevens uitzoeken en data aanleveren. Bij de analyses die vervolgens van Europol terugkomen, kun je allerlei vraagtekens zetten. Als je dat een paar keer overkomt, geef je bij het volgende informatieverzoek niet thuis. Dan ontstaat een vicieuze cirkel.»

Om de problemen op te lossen vond onlangs een indringend gesprek plaats tussen de top van Europol, de CRI en het ministerie van Justitie. Afgesproken is dat de CRI netjes gegevens aanlevert als Europol er om vraagt. Om te garanderen dat de nationale politiediensten ook waar voor hun geld krijgen, vindt maandelijks een top bijeenkomst plaats van nationale analysedeskundigen en Europol. «Elke keer als er weer een probleem is, komt die club in actie», aldus Holtus. «Volgens ons is daarmee de cirkel doorbroken. De praktijk moet uitwijzen of het werkt, maar we hebben goede hoop dat het in de toekomst zal verbeteren.»

In het parlement zullen binnenkort vragen worden gesteld over Europol. En de politiedienst zelf houdt op 3 juli een speciale raad van bestuur waar de interne werking van de dienst zal worden besproken.