Interview met Koos Breukel

‘Doorgroefde koppen zijn makkelijk’

Koos Breukel behoort tot de beste portretfotografen van Nederland. In het Fotomuseum Den Haag toont hij portretten van collega’s, in combinatie met hun eigen werk.

Koos Breukel (Den Haag, 1962) was student aan de Haagse fotoacademie toen hij voor het eerst een foto van Richard Avedon zag. Een openbaring: ‘Avedon leerde me dat je je modellen niet op hun gemak hoeft te stellen, dat ze best een beetje bang voor je mogen zijn. Hij projecteerde zijn neuroses op zijn onderwerp; zelfs de president oogt at the edge of a nervous breakdown. Dat een fotograaf zoveel macht heeft over zijn onderwerp, dat sprak me wel aan.’ Jaren later zou hij zijn held nog eens fotograferen: ‘Avedon had een overzicht in Keulen. Tijdens de persconferentie wilde ik hem van dichtbij fotograferen maar ik struikelde in het gangpad. Beschaamd heb ik me toen teruggetrokken op het toilet. Toen ik terugkwam zag ik een kring van fotografen. In het midden stond Avedon te poseren. Ik heb mijn grootste lens gepakt en… (houdt een imaginaire camera voor mijn hoofd) flash!’

Het werd een uitstekende foto, zo valt te zien op Onder fotografen, een tentoonstelling van Breukels beste fotografenportretten. Ieder portret hangt naast een werk van de geportretteerde. Met een strandmeisje van Rineke Dijkstra, een paard van Charlotte Dumas, een verregende man van To Sang en een portret van Paul Blanca biedt het een dwarsdoorsnede van de Nederlandse fotografie. Dennis Hopper (de bekende hoesfoto van The Smiths), Robert Frank en Ron Galella vertegenwoordigen de internationale canon.

Medium koos 20breukel 20fieretpers

Het is de woensdag voor de opening. Tegen de plint wachten foto’s om opgehangen te worden. Aanvullingen worden besproken, vetrandjes weggesneden. Breukel – blond haar, lichtblauwe ogen, lichtblauw colbert – wandelt er tussendoor. Hij is anders dan verwacht: extraverter, vrolijker, gevatter; helemaal niet de ernstige figuur die je op grond van zijn foto’s – en interviews – zou verwachten.

Curator Wim van Sinderen: ‘Koos, die twee landschappen heb ik eruit gehaald, ze waren me te veel National Geographic.’ Breukel: ‘Wat is er mis met National Geographic? Ik ben dol op National Geographic. Ooit maak ik een tentoonstelling met alleen maar National Geographic.’

Het idee voor de tentoonstelling ontstond toen Van Sinderen Breukel in contact bracht met een viertal collega-fotografen, onder wie de Haagse ex-fotograaf, zwerver en duivenverzorger Gerard Fieret: ‘Fieret was jarig en toen hebben we hem met een verjaardagsmaal naar het museum gelokt. Na het eten zei ik: “En nu gaan we nog even een foto maken.” Daar had Fieret helemaal geen zin in. Toen heb ik hem ingefluisterd: “Weet je, Gerard? Ik ga iedere dag naar het Vondelpark om de papegaaien te tellen.” Je zag hem kijken: “Jij bent net zo gek als ik!” Het portret was daarna geen probleem. Net voor het afdrukken trok Fieret zijn pet voor zijn gezicht.’

Nagenietend: ‘Dat bedenk je niet. Een geschenk uit de hemel.’

Tussen het portretteren van gewone mensen en het portretteren van fotografen zit volgens Breukel weinig verschil. Sommigen vinden het leuk om op de foto te gaan, anderen niet: ‘Robert Frank bijvoorbeeld is extreem verlegen. Die wees Annie Leibovitz eens de deur met het commentaar: ik laat van m’n kop geen reclameposter maken. Tijdens zijn overzicht in het Stedelijk Museum vroeg ik hem te poseren. Met tegenzin stemde hij in. We hadden om vier uur in de kantine van het Stedelijk afgesproken. Om vijf uur kwam hij binnen. Je zag hem denken: o nee, hij zit er nog. Een fotoboekje dat ik had gemaakt was mijn redding. Frank raakte gebiologeerd door een foto van een affiche met een jongen en een meisje en twee skeletten. Kort voor de tentoonstelling had zijn zoon zelfmoord gepleegd – zijn dochter was al dood. De foto had kennelijk symbolische waarde, want het ijs was gebroken. Nadat ik Frank een exemplaar van zijn portret had toegestuurd schreef hij me: It’s deep, dark and good. Dat je held dat schrijft: dat voelt te gek.’

Wat vindt hij zo leuk aan koppen fotograferen? ‘Dat je ze kunt verzamelen. En dat het er zo veel zijn. En dat ze allemaal weer van elkaar verschillen. Er zijn portretfotografen die denken dat ze iemands ziel kunnen blootleggen. Dat is fotografengelul. De ziel blootleggen: hoe kan dat? Een gezicht heeft zoveel kanten en iedere foto toont slechts een 125ste seconde. Reken maar dat een foto van Robert Frank vlak na zijn huwelijk een heel andere foto is dan de foto vlak na de zelfmoord van zijn zoon.’

Dan, serieus: ‘Het maken van foto’s is voor mij een manier om de chaos te temmen. Ik kan het leven een stuk beter aan met de schoonheid die ik voor mezelf creëer. Natuurlijk heeft dat te maken met angst voor de dood. Vroeger had je mannetjes die voor hun vrouw de jachttaferelen op de grotwand tekenden. Tegenwoordig maken we foto’s.’

Het fotograferen zélf verveelt hem nooit: ‘Iedere sessie is weer spannend. Wat ontstaat er tijdens dat kortstondige samenzijn? Hoe laat het model zich fotograferen? Hoe reageert het op míj? Laatst had ik een sessie met Margriet de Moor. Kreeg ik slaande ruzie. Zij zat steeds maar te zeuren: “Ik wil in beweging worden gefotografeerd.” Waarop ik zei: “Dan hadden ze je naar een sportfotograaf moeten sturen.” Op een gegeven moment was ik het zó zat. Ik zeg: “Die foto die ik van jou maak, dat gaat over zó’n stukje van jou (houdt zijn vingers dicht bij elkaar), en dat andere stukje dat ben ík. Die foto gaat dus over ons.’ En het werkte. Ze werd opeens poeslief.’

Een sessie hoeft voor Breukel niet comfortabel te zijn. Integendeel: ‘Ik hou van strijd. Ik word daar niet zenuwachtig van. Wél recalcitrant. Vroeger had ik vaak ruzie met mijn model. Toen deed ik redactionele portretten: gehaast en stresserig werk. Ik vond het nooit erg als een persoon zich niet op zijn gemak voelde. Ik portretteerde veel captains of industry. Die staan vaak vloekend en tierend op de foto. Dan prikkelde ik ze verbaal, eromheen sluipen, beledigen. Zei ik tegen een topman die dringend naar zijn aandeelhoudersvergadering moest: “We gaan net zo lang door tot ook je moeder trots is op je jaarverslag.” Je probeert zo iemand toch op zijn plek te zetten.’

Hij lijkt zich te verlustigen aan de macht van de camera, maar dat is niet bewust: ‘Ik heb de spanning gewoon nodig om een goed portret te maken. Het beeld staat altijd voorop. Als daar psychologische terreur voor nodig is: het zij zo. Ik kan agressief zijn. Maar agressie is ook een vorm van intimiteit.’ De harde methode is nooit een doel op zich: ‘Er zijn ook momenten van grote tederheid. Zo’n Robert Frank ga je niet aanpakken. Die wil je juist troosten.’

Een voorkeur voor een bepaald soort hoofd heeft hij niet: ‘Doorgroefde koppen zijn makkelijk. Die leveren snel een sensationeel beeld op. Het is een grotere uitdaging om iemand met een babyface te fotograferen. En dan zo dat hij toch iets van zijn kleine geheimpje prijsgeeft. Ik ben altijd op zoek naar een kant die nog niet onthuld is.’

Heeft hij zelf het poseren inmiddels een beetje onder de knie? Twee jaar geleden beet hij in De Hallen in Haarlem een fotograaf, die hem vroeg een beetje te ontspannen, toe: ‘Ik ben niet ontspannen! Ik ben een neuroot!’

Hij kan het zich niet meer herinneren. Lachend: ‘Ik vind poseren niet per definitie vervelend. Het hangt af van de omstandigheden en van wie er achter de camera staat. Het is waar dat ik me fysiek niet snel geef. Als er nu een fotograaf binnenkomt die vraagt: “Mag ik je portret nemen?” en ik weet dat ik zo meteen nog tachtig werken moet ophangen – ja, dan komt de neuroot wel naar boven.’

Koos Breukel, Onder fotografen. Fotomuseum Den Haag, t/m 30 september