‘doorhakken en omspitten, scheur je los’

Adriaan van Dis, Indische duinen. Meulenhoff, 317 blz., f39,90, gebonden f54,90
‘IK LOOP BIJ vijfenveertig’, biecht een van de zussen van de ik snotterend op in het tweede hoofdstuk van Indische duinen. Ze is in behandeling bij Centrum ‘45 waar ze contact heeft met andere ex-kampkinderen, waar ze met de oorlog, die onderhuids altijd is doorgegaan, in het reine probeert te komen. De hulpverlenerscliches rollen uit haar mond: 'Onverwerkt leed openleggen… lang verdrongen schrikbeelden die naar boven komen… Indische identiteit hervinden… na vele jaren oorlog nog steeds op zoek naar bevrijding.’

De ik reageert geirriteerd en cynisch. Welja, nu de werkelijke oorlogsslachtoffers dood zijn of dementeren, worden hun kinderen door de hulpverleners omhelsd. Geen gaten in de agenda’s van de welzijnswerkers! The show must go on. Nadat hij haar leven kort heeft samengevat - mislukte schildersloopbaan, getrouwd met rijke maar sullige man, elke zomer uithuilen bij haar moeder, zenuwthee en de I Tjing als troostmiddelen, dan toch weer terug haar ongelukkige huwelijk in - concludeert de ik sardonisch: ‘Allemaal de schuld van de oorlog.’
NATUURLIJK IS DE ergernis waarin Van Dis zijn pen heeft gedoopt vermengd met zelfspot. Want ook hij probeert in zijn ontegenzeglijk autobiografische roman zicht te krijgen op zijn 'onverwerkte’ verleden, de 'verdrongen’ familiegeschiedenis te ontrafelen, dat deel van zijn identiteit te 'hervinden’ dat met het familieverleden is verknoopt. Hoe grimmiger hij zich van zijn familie afkeert - 'Doorhakken en omspitten, scheur je los van die gekken, spoel je geheugen met ongebluste kalk en vergeet ze voorgoed’ - hoe meer de woeke rende herinneringen als een gezwel ruimte eisen. Zijn obsessieve poging het verleden te reconstrueren lijkt dan ook onvermijdelijk. Zoals zijn tante Edmee wijs debiteert: 'Uiteindelijk zoek je toch je roots, familie, weet je.’
EEN DEEL VAN ZIJN roots legde Van Dis tien jaar geleden al bloot in zijn debuut Nathan Sid. Met de verbaasde blik van een klein jongetje beschreef hij daarin zijn jeugd in een uit Indie gerepatrieerd gezin dat in een voormalig koloniehuis in de Noordhollandse duinen was gevestigd. Indie was overal: in de bolle koekepannen, in de Balinese vrouwenbustes van hardhout, de kris op de schoorsteenmantel, de geur van de rijsttafel die zijn vader kookte. En in de Indische tantes die met hun rinkelende armbanden, rollende rrr-en, frambozengeur en lippenstift een paar keer per jaar het huis vulden.
In Indische duinen keren de fa milieleden uit Nathan Sid terug: de tirannieke vader, een Knil-miliair die zijn zoon opvoedt met de liniaal binnen handbereik; de zweverige, spiritistische moeder; de drie donkere halfzusjes en het bleke, ziekelijke zoontje dat in Indie is gemaakt, maar er niet is geboren. De toon van de 'reprise’ is echter fundamenteel anders. De verwondering heeft plaats gemaakt voor woede en bittere spot, de elegante, lichtvoetige stijl voor veel kalere, registrerende zinnen. Het wat afstandelijke kinderperspectief is vervangen door het gezichtspunt van een betrokken, in de wirwar van de geschiedenis verstrikte ik. Het zintuiglijke, poetische verhaal van een jeugd door een pijnlijke zoektocht.
Ergens in het midden van Indische duinen, tijdens een imaginair gesprek tussen de ik en de vader boven een gigantische rijsttafel, memoreert de ik zijn boek over zijn jeugdjaren aan zee. Veel van het leven van zijn vader was hem bij het schrijven daarvan onbekend, maar de familiemythen en -leugens waren hem wel zo aangenaam. 'Ik lieg graag met je mee als ik je leven navertel.’ Pas nu, tien jaar later, probeert hij zich van die leugenwereld te ontdoen, probeert hij het verzwegen leed te achterhalen. Hij laat zich niet meer door de sterke verhalen van zijn vader om de tuin leiden: 'Mijn pen en ik zijn hier de baas.’
Indische duinen is bovenal een Vatersuche. Na de dood van zijn zuster Ada, die in het eerste hoofdstuk uitgebreid wordt opgedist met alle kolderieke begrafenisrituelen en esoterische Schwarmerei van dien, beseft de ik dat hij vooral om zijn vader rouwt. In de relatie tot zijn vader was haat het houvast geweest, de ik had hem begraven onder 'zoden van cynisme’. Nu ont snapte hij uit zijn graf en bedenkt de ik hoe slecht hij zijn vader eigenlijk kent.
Wat volgt is een heuse speurtocht. Met behulp van herinneringen van familieleden, getuigenissen van voormalige oorlogsmakkers, dagboekaantekeningen van Ada, notariele paperassen, brieven en foto’s kan de ik langzaam maar zeker de legpuzzel van zijn familie completeren. En met de nieuwe feiten rijpt het begrip voor de tucht van de vader. 'Een vader zonder gevoel? Kon begrip haat verdringen?’ vraagt de ik zich af. Het antwoord is ja, want de roman lijkt wel degelijk met berusting te eindigen. De last van zijn vader, die hij als een 'kornak op zijn nek’ draagt, is aan het eind onmiskenbaar lichter geworden.
INDERDAAD IS VEEL 'de schuld van de oorlog’. De werkelijkheid achter de stoere verhalen van de vader is veel gruwelijker dan de ik ooit heeft vermoed. In de schipbreuk bij Pakan Boeroe, in het krijgsgevangenenkamp en bij het aanleggen van de spoorlijn in Sumatra heeft zijn vader zijn kameraden bij bosjes zien sterven. Behalve gevangenschap en dwangarbeid heeft hij ook de nodige martelingen moeten weerstaan. Daar kunnen nog zijn opvoeding door een kokette, volmaakt onverschillige moeder, de zelfmoord van zijn vader en valse familie-intriges na de oorlog bij worden opgeteld. Met de zoektocht naar de geschiedenis van de vader tilt de ik de deksel van een ware doos van Pandora. En al ziet hij niks in de toevlucht die zijn zus Saskia neemt tot de hulpverlening, hij komt wel tot een soortgelijk inzicht: 'Het heeft anders ook mijn leven bepaald.’
Indische duinen is, zoals gezegd, bovenal een Vatersuche. De delen van de roman die over de relatie tussen de ik en de vader gaan, zijn dan ook het meest overtuigend. Het groeiende inzicht, de ambivalente gevoelens voor hem - de keerzijde van de haat is uiteraard liefde - de onbekendheid met de vader en de grote gelijkenis die hij onwillekeurig met hem heeft, Van Dis weet het allemaal beklemmend op te roepen. Maar Indische duinen blijft niet beperkt tot de verhouding met de vroeg gestorven vader, Van Dis heeft een veelomvattender familieroman willen schrijven. Grote stukken van de tekst handelen over de halfzussen van de ik en over de moeder. De lezer zit uitgebreid aan bij twee sterfbedden - twee van de zusters bezwijken jong aan kanker -, is getuige van ellenlange dialogen met familieleden, wordt vergast op de occulte waanzin waarin moeder en zusters zich vol overgave hebben gestort, wordt met het neefje van de ik meegevoerd naar een spijkerhard rockconcert, et cetera.
HELAAS KRIJGT DE literaire verbeelding in de passages die zich onomwonden in het heden afspelen, minder de loop. In de dialogen is de uitleg mij vaak iets te expliciet, van de buitenaardse gekte wordt net iets te slapstickachtig afstand genomen, de gebeurtenissen worden net te 'gewoon’ realistisch verteld.
Daar waar Van Dis over zijn vader schrijft, krijgt de verbeelding wel de vrije loop. Het vijfde hoofdstuk, 'Driftzand’, waarin hij uitvoerig blijft stilstaan bij de jeugd van de ik en waarin hij schetst hoe hij tegen de tucht in telkens weer het respect van zijn vader wil afdwingen, is prachtig.
Het meest geslaagd zijn de stukken waarin Van Dis heden en verleden, waarheid en leugen en last en verlichting in elkaar laat overlopen. Zo zijn er een paar scenes waarin de ik door de duinen loopt, in zijn geboortedorp en op het Amerikaanse Cape Cod, en de zee en het duinzand hem onherroepelijk terugvoeren naar wandelingen met zijn vader. De confrontatie met de vader wordt daarin bijna lijfelijk. En zo is er midden in de roman de rijsttafelscene - 'We bestelden de grootste rijsttafel van de kaart’ - waarin zijn al lang en breed overleden vader letterlijk in hem is gekropen. Hij snoert zijn vader daarin voor het eerst de mond en gaat hem met diens eigen verhalen te lijf: 'Hebbes, ik pak je bij je tong. Hoor! je praat in mij, je kiest mijn woorden, je stem klinkt luid in de klankkast van mijn geheugen.’
'Familie, ze maken je kapot’, noteerde Van Dis in het begin van de roman. In de loop van Indische duinen krijgt de ik, nadat hij zich een weg door een oerwoud van leugens heeft gebaand, greep op zijn familie.