Doorleven

Ik liep in de duinen bij Schoorl domweg nogal gelukkig te zijn, toen er een boswachter op mijn pad kwam. Letterlijk op mijn pad: uit een iets hoger gelegen struikgewas kwam hij te voorschijn, met hoed en al, hij daalde af tot mijn pad en kwam toen tegenover me tot stilstand. Ik wist dat ik in de problemen zat toen ik zijn gezicht zag. Weggetrokken lippen, grote tanden. Blijft u maar even staan, zei hij, en dat deed ik, al had het me wel een show geleken me gewoon om te draaien en weg te rennen.

Wat is het leven toch ongewoon, dacht ik terwijl de boswachter zijn identiteitskaart te voorschijn haalde, ongewoon, ongewoon. Vlak daarvoor dacht ik er nog aan hoe fijn het was dat ik al een paar uur niemand had gezien, en nu dit figuur dat als een Cheshire Cat uit het niets te voorschijn was gekomen om me te vertellen hoe het zat. Weinig glimlach, wel.

Laat twee mensen op elkaar af lopen, en je krijgt conflict. Of niet. De bloedmooie theatervoorstelling Als vrouwen vrienden zijn, geschreven door Hannah van Wieringen (en op het lijf geschreven van de twee actrices, Janneke Remmers en Eva Marie de Waal), gaat juist uit van de gedachte dat het hele idee van conflict, in verhalen, maar eigenlijk in de hele cultuur, altijd veel belangrijker wordt gemaakt dan wenselijk. ‘Ik weet bijvoorbeeld van alles over hoe een moeder haar eigen kinderen kan vermoorden, maar niet over wat er daarna gebeurt’, zegt het personage J tegen haar vriendin EM, ‘zeg maar het doorleven, het samen doorleven. Waar toch beduidend meer van is.’

Dertien scènes lang doorleven, dus. Twee vriendinnen die met elkaar praten over grote en heel kleine dingen: de opwarming van de aarde, verliefdheid, taart, stofzuigende robots, racisme, octopussen, Plato, vertrouwen, onrecht, Sigrid Kaag. Aan het begin zijn ze vriendinnen en aan het eind nog steeds, ze hebben geen ruzie gemaakt, niet naar iets onmogelijks gestreefd, elkaar niet tegengewerkt of onderuit gehaald. Wat niet wil zeggen dat er niets is gebeurd. Integendeel.

Ik zeg sorry tegen de boswachter. Ik ben dan wel bang voor zijn tanden, maar in principe heeft hij gelijk en ik niet. Er staat een heel duidelijk bord, zegt hij. Ja, zeg ik, sorry, ik was aan het dromen. Omdat ik niet lieg, klinkt het als een leugen.

Ik zou willen zeggen: waarom moet u weten wie ik ben om me te redden?

Ik zou willen zeggen: niet elk verhaal hoeft een conflict te zijn (meneer). Zonder conflict blijkt er ineens ruimte om na te denken, te praten, te luisteren, ja, zelfs te lachen. Maar hij is al ijverig in zijn bonnenboekje aan het schrijven (die hoed, niet lachen, denk ik. Een Coen-brothers film, dat is het! Niet lachen nu in godsnaam). Dan kijkt hij op: ik had, zegt hij, ook graag even uw identificatiebewijs gezien.

De waarheid is dat ik over het leven aan het nadenken was, dat van mezelf maar dan als onderdeel van de hele categorie. Er is zoveel mogelijk, dacht ik ineens, ik kan ook in een houten hut gaan wonen en alles leren over eetbare planten. Het is ongelofelijk wat een beetje frisse wind en een waarachtig landschap, toegegeven: het mooiste van Nederland, met een stadsmens kunnen doen. (Vorig jaar trokken de ouders van mijn beste vriendin met een camper door IJsland. Ze zijn helemaal high on geluk, zei mijn vriendin, die het ene na het andere lyrische bericht van ze ontving, straks gaan ze er nog aan dood.)

Ik heb het helaas niet op zak. Nee, ook geen rijbewijs. De boswachter zegt dat hij me hiervoor een extra bekeuring kan geven. Dan begint hij aan een verhaal over mijn veiligheid. Stel, zegt hij, dat u iets overkomt, en ik tref u aan. Hoe moet ik dan weten wie u bent?

Ik zou willen zeggen: waarom moet u weten wie ik ben om me te redden? Ik zou willen zeggen: het lijkt me heerlijk om daar dan gewoon te blijven liggen en een beetje naar de lucht te staren.

De boswachter overhandigt me een kopie van het proces-verbaal, maar het waait hard en het vliegt mijn hand uit. De boswachter heft zijn hand op in een halt-teken, loopt met grote passen naar de plek in het hoge gras waar het papiertje is terechtgekomen, raapt het op en overhandigt het me opnieuw. Ondanks alles, zegt hij, toch een fijne dag gewenst. Ondanks alles, denk ik, hebben we dit allebei toch maar weer mooi overleefd. Ik wandel het verboden gebied uit, bereken de prijs van iedere stap, en op de een of andere manier voel ik me alsnog prima, echt prima.