Ger Groot

DOORLEZEN

Langzaam lezen wordt door literaire kenners en boekensupplementen van harte aanbevolen. Je leest zoveel méér wanneer de zinnen woord voor woord het bewustzijn indruppelen, zo heet het dan. Onvermoede verbindingen, beelden en woordrijm worden zichtbaar. Echo’s uit de literaire traditie resoneren mee. Het is alsof de tekst – zoals in de eerste _gendarme-_film van Louis de Funès – zich razendsnel van zwart-wit tot kleur verrijkt.

Daar staan belangrijke nadelen tegenover. Hoe langzamer het lezen gaat, des te meer valt de tekst gemakkelijk in kruimels uiteen. In hun isolement verliezen die vaak net zoveel betekenis als ze er door hun uitvergroting bij krijgen. Die ervaring laat – of liet – zich misschien het best gelden tijdens de vertaallessen op de middelbare school. Regel voor regel door Molière’s L’avare heen zwoegend, raakte de scholier die ik ooit was geheid het plot, de zin en om te beginnen de humor van het stuk kwijt. Dat alles kwam pas weer terug toen ik het ooit opgevoerd zag, jaren later.

Datzelfde moeten duizenden gymnasiasten hebben ondergaan, terwijl ze zich vanaf het Mènin aeide thea voortsleepten door de onsterfelijke verzen van Homerus’ Illias. Overwoekerd door aroristi, duale vormen en eptheta, verdween het drama van Achilles’ wrok achter de grammaticale barrières. Ook daarvoor bleek een (Engelse) vertaling, lang na mijn eindexamen, pas een afdoende remedie. Chyseis en Bryseis, met wie mijn gymnasiale lezing van het epos ooit begon, staan me nog altijd oogverblindend voor de geest, maar pas sinds zij bij vlotte lezing van hun tegenspoed hun ware wulpse vormen gekregen hadden.

Langzaam lezen doe je dus liefst niet te snel. Met grammatica, homerisch Grieks of het Frans van het ancien régime heeft dat minder te maken dan met het natuurlijke leestempo dat een tekst vraagt. Hoe hoog dat is, is afhankelijk van het boek in kwestie, maar als vuistregel geldt de dikte als betrouwbare oriëntatie. Hoe dikker een boek, des te sneller moet het lezen gaan, wil het overzicht over het geheel niet geheel teloor gaan. Pas vanuit het zich gestaag vormende geheel van de plot interpreteren en begrijpen we een boek en blijven het daarmee boeiend vinden.

Langzaam lees ik de mooie, doeltreffend geschreven roman Take 7 van Vonne van der Meer, die met zijn 140 bladzijden eigenlijk een novelle is. Het trage ritme deert zelfs bij een eerste lezing niet, omdat het verhaal in zo’n beperkt aantal bladzijden is samengebald dat de spanning het respijt moeiteloos overbrugt. Het boek vraagt zelfs om een zekere traagheid, opdat de rijkdom ervan niet – uitgelezen in een vloek en een zucht – vervliegt met de luttele uren die de lezing vraagt.

De roman Fado Alexandrino van António Lobo Antunes las ik – noodgedwongen – in luttele etmalen. Met zijn ruim vijfhonderd bladzijden bleek het een meesterwerk dat juist dankzij dat tempo in volle glans kon schitteren. De vaart haalde het ritme van het boek, de interne samenhang, het ‘rijm’ van de alinea’s en episoden, en de dwingende vorm van het geheel briljanter naar voren dan enige trage analyse ooit had kunnen doen. De beperkte tijd maakte bij het lezen het geheel van het boek overzichtelijk – en dus pas zichtbaar.

In de daarop volgende maanden hoorde ik van nogal wat lezers dat zij in het boek vastliepen. Het zou te dik zijn, te onoverzichtelijk, te repetitief, en menigeen legde het halverwege terzijde. Ten onrechte, zo vind ik nog steeds, maar het misverstand is begrijpelijk. Dikke boeken vragen om dóórlezen, omdat ze anders ontbinden in factoren. De bèta in mij houdt het erop dat het leestempo moet toenemen met ongeveer het kwadraat van de dikte, gedeeld door twee.

Omvangrijke boeken zijn daarom geen geschikte bedlectuur – en niet alleen omdat ze boven de lakens zo lastig zijn vast te houden. Bedlezen is meestal kortlezen: enkele bladzijden voordat men in slaap valt. Onvermijdelijk moeten ze de daaropvolgende dag deels opnieuw worden gelezen, wat het tempo nog eens halveert. Alleen hardnekkig slapelozen kan bedlectuur worden aangeraden die de omvang van de novelle overschrijdt.

Daarom is er bij dikke boeken geen langzaam-lezen aan zonder dat er eerst dóórgelezen is. De gemiddelde negentiende-eeuwse (of hedendaagse Amerikaanse) roman vraagt niets anders. Lezen-als-poëzie is voor hem even dodelijk als het ogenscannen voor het gemiddelde gedicht – ook al wordt zelfs dát door de lezer vermoedelijk eerst razendsnel overzien. Pas daarná begint het echte lezen – dus vooral niet te snel. Het trage tempo kan niet zonder de haast van de eerste verkenning. Het vliegt, net als de wijsbegeerte en Athene’s uil, pas uit tegen de avond.