Doorlezen

Doorlezen

Dat ik me afvroeg: Wat exact is mijn artistieke roeping?

Dat weet u nog.

Dat ik aarzelde: Waarom heeft de muze mij uitverkoren?

Dat weet u ook nog.

Dat ik twijfelde: Welk eeuwig licht zal schijnen door mijn pen?

U herinnert het zich. Ik mijmer u al enkele weken toe vanaf mijn vakantieadres.

En ik heroriënteer mij op mijn schrijverschap.

Hier, in dit arcadische landschap, nu ik net ben thuisgekomen na een stevige wandeling door de bossen op de bergen achter ons huisje aan de waterval die uitkomt in het meer dat door een rivier in verbinding staat met de zee, die afgolft op een hagelwit zandstrand, heroriënteer ik mij de dag door. De lange lome dagen door. In mijn hoofd is het benauwd.

Heroriënteerde, moet ik zeggen. Verleden tijd. Onvoltooid maar toch voltooid. Nee, andersom: voltooid maar toch onvoltooid verleden tijd.

Want. Er. Is. Iets. Gebeurd.

Iets groots.

En. Er. Is. Iets. Gaande.

Iets nog groters.

De drie mannen.

U weet het nog.

Dat ik bezoek kreeg: hier, in dit arcadische landschap kreeg ik bezoek van drie mannen. U herinnert het zich. «Drie meneren», zeiden mijn kinderen. Het was «belangrijk. Ze lieten hun ding zien aan ons. Alledrie.»

En daarna kwamen ze naar mij toe. Die drie mannen.

Opnieuw werd ik geconfronteerd met die werkelijkheid waar ik hier zo ver van verwijderd dacht te zijn, die harde realiteit die literatuur heet.

Want de drie mannen waren hier naartoe gekomen met een missie. Ze hadden een verzoek aan mij. Of eigenlijk hadden ze een opdracht voor mij.

Het was in het belang van de Nederlandse literatuur, zeiden ze. En nu ik eraan terugdenk, weet ik dat ze gelijk hadden.

Als ik heb gedaan wat mij is opgedragen, zal de Nederlandse literatuur veranderd zijn. Anders. Nooit meer hetzelfde.

De Nederlandse literatuur zal worden opgestoten in de vaart der literaturen. En zij zal de wereld veroveren. Niet over tien jaar, niet over honderd jaar, nee, binnenkort. Zeer binnenkort.

Ik voel me… ik voel me plechtig, geloof ik. En uitverkoren. Trots. En blij.

Natuurlijk bemerk ik ook enige onzekerheid in mijn hart: kan ik het wel aan? Ben ik in staat te doen wat de Mannen mij hebben opgedragen?

Maar ik moet wel. Ik kan nu niet meer terug. Het lot van de Nederlandse literatuur, van onze literatuur, ligt in mijn hand.

(wordt vervolgd)