Doorlezen

Doorlezen

Ook op vakantie wordt de columnist of hij het wil of niet geconfronteerd met die harde realiteit die literatuur heet. Of hij nu reist naar Timboektoe, gaat fietsen in Frankrijk of een trektocht door de Malinese bergen maakt, het is onmogelijk de dagelijkse praktijk van het normale Nederlandse leven af te schudden. En die van zijn vak van letterknecht en stukjesschrijver.

Dat moest ik concluderen na de afgelopen week. Mijn vakantieweek. Ik was thuisgekomen na een stevige wandeling door de bossen op de bergen achter ons huisje aan de waterval die uitkomt in het meer dat door een rivier in verbinding staat met de zee, die uitkomt op een hagelwit zandstrand. Over het eenzame landweggetje dat onze voordeur verbindt met de diepe wouden sjokte ik moe maar voldaan in de richting van het terras, waar de kinderen (ze zijn zo lief dezer dagen!) al een licht souper hadden bereid.

«Papa, papa!» renden ze me tegemoet.

Ik tilde ze op en gooide ze omhoog. Ze flonkerden in de stralende zon, tegen die wonderlijke hemel, die eerst grijs, dan wit en dan blauw is dezer dagen.

«Papa, de krant heeft gebeld. Of je nog aan je stukje denkt.»

Of ik nog aan mijn stukje dacht. Ja, ik had nog aan mijn stukje gedacht. Natuurlijk had ik aan mijn stukje gedacht. De columnist die in den vreemde verblijft denkt de hele tijd aan het stukje dat hij elke week schrijft in zijn krant. Over de harde werkelijkheid van de Nederlandse literatuur.

Maar er is hier nauwelijks Nederlandse literatuur.

Dacht ik.

«Papa, papa, er is bezoek!»

Ik zette mijn kinderen weer op de grond, alle vier, waarbij de druppels transpiratie van mijn voorhoofd vielen.

«Wie dan, jongens?»

«Twee meneren.»

«Twee meneren?»

«Nee, drie. Drie meneren.»

«Drie meneren?»

«Ja, drie meneren.»

«En wie zijn dat dan wel?»

«Dat hebben ze niet gezegd, maar het is wel belangrijk. Ze lieten hun ding zien aan ons. Alledrie.»

«Zo zo, lieten ze zomaar hun ding zien aan jullie?»

En ik tilde de kleine schatten weer op, jongleerde even met ze en vleide ze voorzichtig in het gras.

Achter de heg zag ik de vrouw staan die in het huisje naast het onze zit. Ze is buitengewoon mooi, maar er is iets vreemds aan haar. Zo staat ze naar mijn idee iets te vaak over de heg te kijken naar wat wij aan het doen zijn. Of we nu rond de barbecue zitten, of gezellig Doktertje spelen, mevrouw De Sousa houdt haar oogje in ons zeil.

Eerst vond ik het wel grappig.

Toen het steeds vaker gebeurde, overtuigde ik mezelf ervan dat het onschuldig was.

Maar inmiddels weet ik beter, na wat er gisteren is gebeurd.

En we zitten hier nog twee weken.

(wordt vervolgd)