Essay - Over de cultuur van geven en nemen

Doorlopend krediet

De mens overleeft door relaties aan te gaan met anderen, door deel uit te maken van een samenleving. Maar die relaties nemen volgens Arnon Grunberg altijd de vorm aan van schulden die afbetaald moeten worden. In hoeverre zijn wij nog vrij?

Medium doorlopend krediet blauw

Niemand heeft om dit leven gevraagd. Het is ons gegeven en hoewel er tradities bestaan waarin het leven als een straf wordt gezien, denk aan het boeddhisme dat stelt dat het beter is om bijvoorbeeld als wortel te reïncarneren dan als mens, is in de westerse cultuur, tegenwoordig graag de ‘judeo-christelijke cultuur’ genoemd, het leven iets waarover wij verheugd dienen te zijn.

Hoewel de christelijke cultuur leunt op de opvatting dat het ware leven na de dood komt, staat wat wij nu judeo-christelijk noemen betrekkelijk los van die traditie. Sterker nog, zij die zich beroepen op die judeo-christelijke cultuur lijken dikwijls niet te weten waarop zij zich beroepen.

Ons leven is hoe dan ook geen straf meer. Al heeft iedereen mee moeten spelen in de genetische loterij en ook al zijn er sociale factoren, eveneens een soort van loterij, waardoor sommige mensen met een achterstand aan het leven beginnen, toch mag dit niet het plezier verpesten dat het leven hoort te zijn.

Niet verwonderlijk dat de opvatting dat wij de effecten van sociale achterstand zoveel mogelijk moeten neutraliseren, ondanks de crisis waarin de sociaal-democratie verkeert, nog altijd een vrij onomstreden geloofsartikel is in West-Europa. Iedereen dient met min of meer gelijke kansen aan dit leven te beginnen. Wie het dan toch nog verpest, moet het op z’n minst gedeeltelijk aan zichzelf te wijten hebben.

De vraag of wij ook de effecten van de genetische loterij dienen te neutraliseren ligt ingewikkelder. Het taboe op genetische modificatie is intact, zeker als het om mensen gaat, en ook wensen wij niemand a priori het recht op leven te ontzeggen. Geen ouder wordt tot abortus gedwongen, zelfs al zijn de levensverwachtingen van het embryo laag.

Dit is een van de erfenissen van het gezichtsverlies van het fascisme; de samenleving beschouwt mensen niet meer zo graag als levensonwaardig, althans zolang het om haar eigen burgers gaat. Wij bestrijden de effecten van de genetische loterij, daar waar de medische wetenschap ons in de steek laat, uitsluitend verbaal. Zo merkt de filosoof Peter Sloterdijk in zijn boek Je moet je leven veranderen op dat in Amerika mensen met dwerggroei ‘verticaal uitgedaagde mensen’ worden genoemd.

Kortom, het leven is een aan ons gegeven uitdaging die voor sommigen een iets grotere uitdaging is dan voor anderen.

Maar aangezien het ons gegeven is, is het iets waarover wij verheugd dienen te zijn. Een gegeven paard kijk je niet in de bek, of het nu gaat om een verjaardagscadeau of om de eigen existentie.

Wie een andere mening is toegedaan moet maar antidepressiva slikken of in therapie gaan, bij voorkeur een combinatie, dat schijnt de beste resultaten op te leveren, om zo spoedig mogelijk weer in het gareel te lopen. Dat gareel kan in de volksmond aardig worden aangeduid met het credo: ‘Altijd blijven lachen.’ Ofwel genieten. Genieten, dat is in onze cultuur al geruime tijd een moreel imperatief. Denk aan de dooddoener: de zin van het leven is de zin ín het leven.

In Prediker valt te lezen dat het genot is voorbehouden aan de jongeling. Wij weten kennelijk al heel lang dat het ware genot aan de jeugd toebehoort, maar de dwang om ook daarna te blijven genieten is vermoedelijk nog nooit zo groot geweest. Het verlangen de jeugd te rekken en de ouderdom zo lang mogelijk uit te stellen zal alleen al gezien de uitspraken in Prediker langer hebben bestaan, maar de moeite en het geld dat wij tegenwoordig investeren in het jeugdig lijken kan men wellicht ten dele verklaren doordat het genieten in de westerse wereld een moreel imperatief is geworden.

Het is een kleine minderheid die de judeo-christelijke traditie waarop politici zich zo gaarne beroepen als meer ziet dan een echo uit het verleden of een vaag gerucht. Voor die minderheid is het genot geen moreel imperatief en het is logisch dat deze gelovigen zich blijven verzetten tegen de euthanasiepraktijk. Zij menen dat de gever iets over de gift te zeggen heeft, waardoor men niet helemaal vrijelijk over het aan ons gegeven leven kan beschikken.

Degenen die minder religieus zijn, dat wil zeggen mensen die er alternatieve geloofsartikelen op nahouden, ook het secularisme kent immers geloofsartikelen, zijn in principe van mening dat het geschenk volledig van ons is en dat wij daarom met goede redenen ermee kunnen doen wat we willen.

Let op die goede redenen. Dat wij frivool omspringen met het geschenk dat het leven is, bijvoorbeeld door Russisch roulette te spelen, is ook voor de gemiddelde atheïst onaanvaardbaar. Ook voor hem is het leven heilig, zij het dat hij niet zo snel kan uitleggen waarom een mensenleven heiliger is dan het leven van een mier. Maar gelukkig hoeft dat ook zelden. Aan de heiligheid van het mensenleven twijfelt, zeker in theorie, niemand. Tegenwoordig zijn zelfs de heiligheid van de koe, het lammetje, het paard, de hond en de kat, een neveneffect van het beschavingsproces en de welvaart, steeds vanzelfsprekender geworden.

Wat de dierenliefde overigens zo aantrekkelijk maakt is dat die liefde het onderwerpen van de dieren legitimeert zonder dat wij daar een slecht geweten aan hoeven over te houden. Ik vermoed dat ook onze liefde voor de medemens in totale onderwerping van die medemens zou uitmonden als ons geweten, praktische bezwaren en vooral tegenwerking door het object van de liefde, daar geen stokje voor zouden steken.

Het leven, zoveel is zeker in onze cultuur, is het grootste cadeau dat men kan krijgen, al was het maar omdat het alle andere cadeaus mogelijk maakt.

Dat leven is natuurlijk niet af, wij zijn meer dan speelballen van het noodlot, wij leggen ons niet neer bij de gedachte dat wij gedetermineerd zijn.

Het zijn prestaties waardoor je dat leven kunt vervolmaken. Ook kun je wanprestaties leveren, waarmee in extreme gevallen de heiligheid van dat leven teniet wordt gedaan. Ik denk dan aan de bijvoorbeeld in Nederland populaire opvatting dat pedofielen de doodstraf zouden moeten krijgen. Het aan ons gegeven leven blijft slechts heilig onder bepaalde, strikte voorwaarden.

Samenvattend kan ik nu dus zeggen dat het leven een aan ons gegeven cadeau is, het is een uitdaging – met dat woord camoufleren wij onder andere de effecten van de genetische en sociale loterij – en het is heilig, mits wij ons houden aan de spelregels van de samenleving waarin we terecht zijn gekomen.

De vraag die zich opdringt is, daarvoor hoef je niet eens in God te geloven, of wij wel de eigenaar zijn van dat leven en of het woord ‘eigendom’ wel het juiste woord is om de relatie van het individu met zijn eigen bestaan te omschrijven. Maar als wij niet de eigenaar zijn van het eigen leven, wie dan wel?

Misschien is het goed om althans wat deze samenleving betreft voorlopig te stellen dat het leven een doorlopend krediet is dat wij bezig zijn af te betalen en dat het pas echt van ons wordt op het moment dat wij sterven.

Zowel een lening als een cadeau brengt immers verplichtingen met zich mee, zij het dat de verplichtingen van iemand die iets geleend heeft meestal duidelijk omschreven zijn terwijl de verplichtingen van de ontvanger van een geschenk nogal vaag zijn.

Wij betalen onze lening, onze schuld, af door bepaald gedrag te vertonen, waaronder verstaan moet worden: sociaal wenselijk gedrag. Eerst doen wij ons best op school, later op de universiteit, vervolgens in het bedrijfsleven en tot slot in het bejaardentehuis. Zo sluiten wij het aan ons gegeven leven zelf af. De cirkel is rond, de schuld is afbetaald.

Dat wij geschapen zijn, heeft, zoals ik hiervoor aanstipte, slechts voor het ruwe materiaal gezorgd, wij scheppen onszelf, zij het wederom binnen de grenzen die de cultuur ons stelt. Althans, dit is de essentie van de ‘Amerikaanse droom’, die eigenlijk ook, misschien in een net iets andere verschijningsvorm, de Europese droom is. Wij zijn ons eigen product, wij zijn zowel de pottenbakker als de bloemenvaas die door ons vormgegeven, gebakken en geglazuurd is. Om deze mythe in stand te houden veinzen wij dikwijls dat er geen geschenk is, dat er geen sprake is van een krediet dat afbetaald dient te worden.

Dit denken in schulden, de onderverdeling van mensen in schuldeisers en debiteuren, wat onze cultuur kenmerkt, heeft ertoe geleid dat berusting een Fremdkörper is geworden. Je schulden afbetalen, en iedereen heeft schulden af te betalen, betekent immers dat je niet mag berusten.

Sterker nog, de berusting heeft een uitgesproken negatieve connotatie. Wie berust in zijn lot mag eigenlijk verder geen hulp verwachten als er grote moeilijkheden optreden. Iemand die berust, heeft opgegeven; wie berust is een verliezer. Hoe kun je namelijk jezelf vervolmaken als je denkt dat het noodlot zoveel macht over je heeft?

Wij zijn in West-Europa allemaal middenklasse, er is geen ontkomen aan.

In onze cultuur zijn ook de onder- en de bovenklasse nog middenklasse, waarmee ik bedoel dat zij zich de geloofsartikelen en het denken van die middenklasse eigen hebben gemaakt. Dat wil zeggen het geloof in opwaartse sociale mobiliteit en de angst voor neerwaartse sociale mobiliteit, die zich uit in een chronische angst voor ontmaskering. Men veinst altijd meer te zijn dan men is, desnoods door te doen alsof men meer heeft dan men bezit.

Vrijwel niemand is meer automatisch iets door zijn geboorte, dat wil zeggen door afkomst. Afkomst biedt geen vanzelfsprekende rechten meer, geen vanzelfsprekende privileges, enkele uitzonderingen daargelaten. Niet voor niets bestrijden wij, ten minste in theorie, de effecten van sociale achterstand. Afkomst mág geen rol spelen.

Ondanks die erkenning dat er mensen zijn die meer uitgedaagd worden dan anderen en die natuurlijk een handje geholpen moeten worden blijft de cruciale mythe in onze cultuur, zelfs al wordt er nog maar door weinigen werkelijk in geloofd, de genoemde mythe van de krantenjongen die zelfstandig, dat wil zeggen op eigen kracht, miljonair wordt; nooit kunnen wij helemaal zeker weten of we nou met een krantenjongen of met een miljonair te maken hebben.

Geld is zo belangrijk omdat het sociale mobiliteit mogelijk maakt. Niets is zo democratisch als geld, qua aard en toepassing, geld is wellicht de essentie van democratie. Met hetzelfde geld dat de maffia ontvangt na middenstanders te hebben afgeperst betalen wij onze pindakaas. En het is goed mogelijk dat het bankbiljet dat u in een collectebus stopt voor malariabestrijding een dag eerder in een bordeel is gebruikt, het geld dat aan Artsen zonder Grenzen geschonken is om oorlogsgewonden mee te helpen kan gebruikt zijn om de wapens te kopen waarmee die slachtoffers zijn beschoten.

Geld egaliseert en suggereert dat iedereen die van dat geld gebruik maakt in gelijkwaardige verhouding tot elkaar staat. Of beter gezegd, geld suggereert dat aan ongelijkheid een einde kan worden gemaakt.

Geld vermomt de macht, geld onttrekt die aan het zicht. Omdat wij met geld betalen wordt de indruk gewekt dat die macht voortdurend een klein beetje van eigenaar wisselt. De baas die de loonarbeider zijn loon betaalt wekt daarmee de indruk ook een beetje van zijn macht aan de loonarbeider te geven.

In deze cultuur van de middenklasse, de cultuur van het geloof in de sociale mobiliteit, is kredietwaardigheid dan ook essentieel. Kredietwaardigheid staat gelijk aan eerbiedwaardigheid. >

Wie zijn de kredietverstrekkers?

Om te beginnen de ouders.

Het geloof in sociale mobiliteit kwam altijd tot uiting in de overtuiging dat de kinderen het beter moeten hebben dan hun ouders, iets waarvoor de ouders zich gaarne doodwerken en in de schulden steken, tot voor kort een onbetwistbaar ideaal van de burgerlijke samenleving. Bij gebrek aan een tastbare messias had het kind die rol op zich genomen, het kind was de drager van onze hoop geworden. Tegenwoordig horen wij echter van alle kanten dat dit geloofsartikel onhoudbaar dreigt te worden, de kinderen zullen het niet beter hebben dan de ouders.

Ook in deze schijnbare uitbesteding van het genot zien wij de verhouding tussen schuldeiser en schuldenaar. Denk aan de moeder die tegen haar kind zegt: ‘Papa en mama werken zich uit de naad, zodat jij op handbal, judo, vioolles en tennissen kan, maar dan verwacht ik dat je wel een beetje je best doet’, zegt feitelijk tegen dat kind: ‘Betaal je schulden af.’

Het kind is een debiteur bij uitstek. Juist door de extreme afhankelijkheid van het kind ten opzichte van zijn ouders of beschermers leert het al van jongs af aan wat het is om een debiteur te zijn. Een debiteur bestaat bij de gratie van zijn schuldeiser. De opvoeding, dat wil zeggen de harde lessen die het kind leert dat het leven niet uitsluitend het bevredigen van verlangens is maar dat het veelal neerkomt op het uitstellen van die bevrediging, dat immers is de essentie van opvoeding, kan gezien worden als rente die het kind betaalt op zijn schuld. Het kind wordt in de mal van de debiteur gegoten, het leert wat het is om in leven te zijn: je schulden af te betalen. In eerste instantie aan zijn ouders, in de tweede instantie aan de plaatsvervanger van die ouders, meesters, juffrouwen, oppassers en andere autoriteiten, uiteindelijk aan de samenleving zelf.

Ik gebruik hier de woorden ‘schuld’ en ‘morele verplichting’ door elkaar, maar het mag duidelijk zijn dat een schuld vrijwel altijd een morele verplichting is en dat de morele verplichting in praktijk dikwijls de vorm aanneemt van een schuld.

In zijn boeiende boek over de geschiedenis van de schuld, Debt: The First 5,000 Years schrijft de antropoloog David Graeber dat een van de cruciale kenmerken van een slaaf is dat hij geen geld kan lenen omdat hij feitelijk al dood is, een slaaf is als het ware een levende dode. De vrije burger heeft juist wel de vrijheid om zich in de schulden te steken. Al kon het niet terugbetalen van die schulden ertoe leiden dat de schuldenaar slaaf werd, een praktijk die overigens ook nu nog niet geheel is verdwenen.

Ook stelt Graeber dat ‘vrijheid’ van oudsher een woord is dat werd gebruikt om datgene aan te duiden wat slavernij niet is, vrijheid krijgt pas betekenis in relatie tot slavernij. Maar wat betekende die vrijheid? Onder andere die mogelijkheid om schulden te maken die er vervolgens toe kon leiden dat de vrije burger, als hij niet aan zijn verplichtingen voldeed, een slaaf werd.

Kortom, dit aan ons gegeven leven dat wij zelf moeten vervolmaken, binnen de strikte grenzen van onze cultuur, is feitelijk de poging onszelf vrij te kopen.

Graeber stuit op de ironie dat als wij van onszelf zijn, de gever wordt immers doorgaans buiten beschouwing gelaten, wij eigenlijk met onszelf een verhouding hebben die omschreven moet worden als de verhouding tussen een meester en een slaaf.

Ik denk dat het in deze tijd beter is om te spreken over de verhouding tussen een baasje en het huisdier; wij hebben onszelf gedomesticeerd, wij zijn ons eigen huisdier.

Een huisdier dat zich vrij kan kopen is een onmogelijkheid, die vrijheid zal pas werkelijk aanvangen met de dood. Mooi geïllustreerd in de film Sans toit ni loi van Agnès Varda, over een jonge vrouw die geen enkele machtsrelatie wil aangaan, die met andere woorden vrij wil zijn van alle schulden en letterlijk doodvriest.

De mens overleeft door relaties aan te gaan met anderen, door deel uit te maken van een samenleving, maar die relaties nemen altijd de vorm aan van schulden die afbetaald moeten worden.

Ons eigen overleven maakt ons onvrij, althans minder vrij dan we zouden willen.

We mogen het gegeven paard wel niet in de bek kijken, wat niet wegneemt dat we goed beschouwd iets hebben gekregen waarom wij niet gevraagd hebben. Hoe moeten wij ons revancheren voor dat ongevraagde cadeau? De mogelijkheid bestaat het gegevene als gegeven te beschouwen, als een cadeau dat geen enkele tegenprestatie veronderstelt, maar zoals gezegd staat de berusting in onze cultuur in laag aanzien.

Als het om de seculieren gaat, kan de natiestaat als godheid beschouwd worden. Karel van het Reve schreef een beroemd essay over de ongelooflijke slechtheid van het opperwezen, maar wie de geschiedenis van de natiestaat bestudeert, zal concluderen dat die het qua slechtheid nauwelijks onderdoet voor de slechtheid van het opperwezen.

De staat heeft de rol op zich genomen van de mysterieuze gever van het leven, de staat bepaalt dan ook wie burger is. En wie geen burger is, is in praktijk vogelvrij verklaard. In die zin is de staat meer dan een symbolische gever van leven. Daarom betalen wij onze schulden af aan staat en samenleving.

In augustus van dit jaar liet demissionair staatssecretaris Zijlstra weten dat studeren ‘de best mogelijke investering in jezelf’ is. Om daaraan toe te voegen: ‘Een studie opent enorm veel deuren, naar een mooie baan en een aantrekkelijk inkomen.’

Een investering veronderstelt om te beginnen een risico, maar dat risico wordt meestal discreet verzwegen en de aandacht wordt op het mogelijke rendement gelegd. Dat doet de demissionair staatssecretaris dan ook, hij heeft het immers over een mooie baan en een aantrekkelijk inkomen.

Ook zijn wij volgens hem ons eigen product waaruit een aantrekkelijk rendement kan voortkomen, mits wij maar genoeg in onszelf investeren. Daar waar het rendement tegenvalt, kan worden beweerd dat er niet genoeg geïnvesteerd is.

Kennisoverdracht, de universiteit, zijn slechts middelen om een goede baan met een redelijk inkomen te verwerven, anders gezegd zijn het instituten die het mogelijk moeten maken om een schuld aan de samenleving af te betalen, aldus de demissionair staatssecretaris.

Of kennis die niet tot zo’n mooie baan met aantrekkelijk inkomen leidt nog wel kennis kan worden genoemd is, als wij de demissionair staatssecretaris serieus nemen, een gerechtvaardigde vraag. Zoals een kerncentrale ook kernafval produceert, zo zou een universiteit kennelijk wetenschappelijk afval produceren, te weten al die kennis die niet tot begerenswaardige banen met dito salaris leidt.

En in welke verhouding zou in deze constructie eigenlijk de student tot de docent komen te staan? Wordt de student niet verleid zijn docent als een loonslaaf te zien die hij met behulp van de staat en enkele andere partijen heeft ingehuurd om voor wat kennisoverdracht te zorgen? Wat voor gevolgen heeft een dergelijke houding voor de kennisoverdracht?

De gedachte dat de universiteit een fabriek is die ervoor moet zorgen dat de arbeiders, oftewel de studenten, in ruil voor een aantrekkelijk salaris hun schuld kunnen terugbetalen aan de staat die leven geeft, een fabriek met andere woorden die ertoe bijdraagt dat de burger zich verhoudt tot de staat als een schuldenaar tot de schuldeiser, is volgens mij een symptoom van verval, van decadentie.

Kennis heeft ook altijd zand in de machinerieën van de samenleving gestrooid. Niet alleen kapitalisme, ook kennis is creatieve destructie.

Wie meent dat kennis gelijkstaat aan vooruitgang moet wel een uiterst benauwde kijk op kennis hebben, nog afgezien van de vraag wat wij precies mogen verstaan onder vooruitgang.

Deze tekst werd uitgesproken bij de opening van het academisch jaar aan de Radboud Universiteit Nijmegen

zie groene.nl voor

Dossier Arnon Grunberg