John Gray over democratie, nationalisme en de crisis in Europa

‘Doormodderen geeft stinkende wonden’

Dat we naast wetenschappelijke en technologische vooruitgang ook in ethisch en politiek opzicht vooruitgang boeken, is volgens de Britse politiek-filosoof John Gray een mythe. ‘De mens is daarvoor te onvolmaakt en ondeugdelijk.’

Kiezen tussen goed en kwaad? Een mythe, beweert John Gray. Volgens de Britse politiek-filosoof mocht de moderne mens willen dat hij deze keuze had. In zijn sombere visie bestaan er alleen maar dilemma’s, en wel tussen verschillende gradaties van ellende. ‘Politiek moet niet worden gezien als middel tot verlossing, of een manier om het menselijk leven een betekenis te geven, maar simpelweg als een opeenvolging van lapmiddelen om terugkerende kwaden te bestrijden.’

Bedford Square heeft de grootste dichtheid blauwe gedenkplaten in het Verenigd Koninkrijk. Aan dit statige pleintje in de Londense intellectuelenwijk Bloomsbury hebben onder meer de medicus/filantroop Thomas Hodgkin, ingenieur Harry Ricardo en de feministe Millicent Fawcett gewoond, terwijl leden van de prerafaëlistische broederschap om de hoek hun domicilie hadden gekozen. Met deze helden van het vooruitgangsoptimisme vers in gedachten voelt het afdalen naar de kelder van The Wylie Agency op nummer 17 als een reis naar de wachtkamer van de danteaanse hel. ‘Laat varen alle hoop, gij die hier binnentreedt.’ Daar zit immers John Gray, de 63-jarige emeritus-hoogleraar Europese ideeëngeschiedenis die dankzij stemmige traktaten als Straw Dogs: Thoughts on Humans and Other Animals, Heresies: Against Progress and Other Illusions en Black Mass: Apocalyptic Religion and the Death of Utopia faam heeft verworven als de Schopenhauer onder de politiek-filosofen.

Onderwerp van gesprek is ‘mythen’, en hoe schadelijk ze voor de volksgezondheid kunnen zijn wanneer ze ontsnappen uit kerken, tempels en moskeeën om zich als vleermuizen te vestigen in parlementsgebouwen, presidentiële paleizen en ministeries van buitenlandse zaken. ‘Op persoonlijk vlak kunnen mythen weinig kwaad’, zegt Gray, ‘een mens kan niet zonder. Het wordt problematisch als ze het fundament gaan vormen van politieke debatten en, erger, beslissingen. Goed, soms kan het geloof in mythen goed aflopen. Het afschaffen van martelen is mede te danken aan de verlichte ideeën van Montesquieu, Voltaire en Marie-Thérèse. Maar in het algemeen is het geloof dat we naast wetenschappelijke en technologische vooruitgang ook in ethisch en politiek opzicht vooruitgang boeken, een mythe. De mens is daarvoor te onvolmaakt en ondeugdelijk. Er hoeft maar iets te gebeuren, een epidemie, een revolutie of een oorlog, of we zijn weer terug bij af. De geschiedenis heeft dat al vaak aangetoond. Modern zijn biedt geen bescherming tegen misdaden. Dat moeten we onderkennen zodat we er rekening mee kunnen houden en we elkanders mallig­heden kunnen tolereren.’

De stemming zit er goed in.

Veel van Gray’s zinnen beginnen met de woorden ‘De geschiedenis heeft aangetoond…’ en ‘In werkelijkheid…’ Hij ziet zichzelf niet als een pessimist, maar als een realist, empiricus en scepticus in de beste Britse traditie. Zijn leermeester op Oxford was Isaiah Berlin, ‘de filosoof van de waardigheid’ zoals Gray hem noemt, over wie hij een boek heeft geschreven dat binnenkort opnieuw verschijnt. De Britse filosoof van Letse komaf heeft de gruwelen van de twintigste eeuw – communisme en nazisme - aan den lijve meegemaakt, wat heeft geleid tot scepsis jegens politieke mythen, utopieën en ver­gezichten. Bij Gray’s opsomming van mythen staat die van Marx bovenaan, gevolgd door Woodrow Wilsons droom van wereldvrede, de mythen van het nazisme en Francis Fukuyama’s voor­barige einde van de geschiedenis. ‘In de tijd dat ­Fukuyama zijn befaamde necrologie schreef, voorspelde ik dat de geschiedenis, na lange tijd te zijn bevroren, weer terug zou komen. De paradox was dat ik werd uit­gemaakt voor ruiter van de apocalyps en hij voor realist’, lacht Gray, voor wie altijd het gezegde ‘eerst zien, dan geloven’ geldt.

Enkele keren tijdens het interview brengt hij momenten ter sprake waarin hij aanvankelijk voor filosofische spelbederver werd uitgemaakt, om jaren later alsnog gelijk te krijgen. ‘In de jaren negentig liepen er op de faculteit veel geleerden rond die na de definitieve val van het sovjetcommunisme hoopvol spraken over marktsocialisme. “Waar we over moeten praten, is de politieke theorie van het tsarisme”, zei ik toen. En dat was zo gek nog niet. Natuurlijk is Rusland geen tsarenrijk, maar de mengelmoes van nationaal-autoritaire politiek, een semi-geprivatiseerde inlichtingendienst, ­staatscontrole over grondstoffen en de herrijzenis van de orthodoxe kerk heeft er wel kenmerken van. Geschiedenis is een aaneenrijging van black jokes.’

Een soortgelijk terugkeer in de geschiedenis voorziet hij nu binnen de Europese Unie, een mythisch project waar Gray niet over uitgepraat raakt. ‘Het ultieme resultaat van de huidige crisis en de politiek van Angela Merkel is dat we over tien jaar weer terug zijn bij het einde van de negentiende eeuw, een sterk Duitsland omringd door enkele welvarende staten met een kleine euro als de nieuwe D-mark. De as Berlijn-Parijs is tegen die tijd voltooid verleden tijd.’

John Gray is geen geboren euroscepticus. Zelfs in zijn thatcheriaanse periode zag hij het nut van de Europese gemeenschap in. ‘De EU is een kunstmatige constructie, opgezet na twee wereldoorlogen en nuttig tijdens de Koude Oorlog. Het zorgde voor welvaart en vrede, vooral dat laatste. Maar na de val van de Muur zijn Europese politici, doof voor kritiek, gaan lijden aan overmoed. Men wilde de unie verbreden en verdiepen. Dat kon natuurlijk niet. Neem alleen al de verschillen tussen Oost-Europese landen. Albanië is geen Polen en Polen is geen Slowakije. Over Turkije heb ik het niet eens. En nu is er de breuk tussen Noord- en Zuid-Europa. De echte problemen begonnen met het Verdrag van Maastricht. Toen al klonken er waarschuwingen. De Britse econoom Wynne Godley stelde dat een politieke unie zonder fiscale eenheid een doodlopende weg was. “Wat gebeurt er als een land – of een regio in een volledig geïntegreerde unie – met structurele problemen kampt?” vroeg hij. Wel, op deze vraag proberen Europese politici nu een antwoord te vinden. Joschka Fischer zei ooit dat elke crisis de Europese Unie versterkt, maar deze keer niet, vrees ik.’

Brussel staat nu voor een klassiek Gray-moment, een keuze tussen twee kwaden, lood om oud ijzer, een dilemma. ‘Ik weet dat het Europees lidmaatschap voor de Grieken een existentieel gegeven is. Ze willen erbij blijven, maar ik denk dat ze beter af zijn buiten de Unie. Nog meer bezuinigingen zal leiden tot een verloren generatie en nog erger, een verdere opkomst van radicale partijen. Het beste waar ze op kunnen hopen is een Argentijns scenario, waarbij opnieuw wordt begonnen, al besef ik dat Argentinië meer hulpbronnen heeft en een sterkere economie. Maar ik denk dat Europa zal kiezen voor doormodderen. Op korte termijn is dit minder pijnlijk, maar het geeft stinkende wonden. Er zal hogere inflatie komen, amper groei, en sociale onrust, niet alleen in de vorm van rellen, zoals in Athene, maar ook een herleving van het nationalisme. Wat er nu gebeurt in Hongarije vind ik erg beangstigend. Dat land heeft nu een semi-autoritair regime dat niet terugschrikt voor perscensuur en antisemitisme. Het is geen klassiek fascisme maar een postmoderne versie van oude tegenstellingen.’

De mythe die nu door de kredietcrisis is blootgelegd, bestaat volgens Gray uit het idee dat een feodaal systeem via de natiestaat langzaam vanzelf zal overgaan naar een boven­nationale staat, een soort Verenigde Staten van Europa. Amerika is echter ontstaan op een stuk continent dat, op Indianen na, vrijwel leeg was, geen geschiedenis had. ‘Daar tegenover staat een lappendeken van natiestaten in Europa. Begrijp me niet verkeerd. Ik verafschuw natio­nalisme en ben niet voor de natiestaat, maar deze blijkt nu het plafond van de democratie te zijn. Een bovennationale democratie werkt niet in Europa, simpelweg omdat er geen Europees volk is. Er is een gebrek aan identificatie. Kiezers in Glasgow hebben niets met politici in Athene en de Grieken op hun beurt hebben niets met de Zweden. In het verleden is de vorming van naties vaak gepaard gegaan met een bloedige strijd. We hebben dat nu achter ons en ik wil het niet nog een keer meemaken. De natiestaat is niet ideaal, maar het werkt. De verworven stabiliteit moeten we niet op het spel zetten door het najagen van een utopie, van een folly.’

Het pragmatische idee ‘beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald’ komt naar voren in Gray’s nieuwe boek The Silence of ­Animals: On Progress and other Modern Myths. Daarin is een belangrijke rol weggelegd voor Arthur Koestler, de Brits-Hongaarse ­schrijver die bekend werd met zijn roman Darkness at Noon. ‘Koestler heeft altijd een parochiale, typisch Britse kritiek ontmoet. “Waarom moest hij zo utopisch en radicaal zijn?” luidde de vraag, “waarom was hij niet gewoon liberaal, en gematigd?” Wel, in het hart van Europa tijdens het interbellum kón dat niet. De samen­levingen waren te sterk gepolariseerd. Er was geen ruimte voor geleidelijke vooruitgang. Koestlers besluit om zich bij de communisten aan te sluiten was rationeel en verdedigbaar. Hij begreep dat er voor gematigde vooruitgang gevestigde instituties nodig waren, een sterke middenklasse en een maatschappelijke balans. Koestler deed als communistische agent vreselijke dingen in de Oekraïne. Maar hij was bereid om de politieke mythe waarin hij geloofde achter zich te laten nadat hij met eigen ogen de menselijke prijs had gezien.’

Uiteindelijk ging Koestler, na te hebben gediend in het Vreemdelingenlegioen en samen met Walter Benjamin dodelijk gif te hebben ingenomen (Koestlers lichaam bleek echter te sterk), naar het vrije Groot-Brittannië, waar Winston Churchill net aan de macht was gekomen om de strijd aan te gaan met nazi-Duitsland. Ook dat was een dilemma, een keuze tussen twee kwaden. ‘Churchill had goed gezien dat vechten beter was dan de vredespolitiek. De dreiging van de nazi’s was reëel, het te vriend houden van Hitler was een mythe. Dat klinkt nu heel logisch, maar Churchill ontmoette indertijd veel weerstand.’

Over de hedendaagse interventies is Gray aanmerkelijk sceptischer. Ingrijpen op de Balkan had zijn zegen omdat er volgens hem een concrete dreiging was dat Europa volgens oude lijnen zou splijten, christelijk en islamitisch. De Irak-oorlog, daarentegen, heeft veel in hem losgemaakt. Tijdens het interview komt hij er regelmatig op terug, op het moment bijvoorbeeld dat de Amerikaanse diplomaat Paul Bremer in zijn countryclub-blazer in Bagdad uit het vliegtuig stapte. ‘Dat moment symboliseerde de neocon-mythe dat democratie een soort afhaalmaaltijd is.’

Maar ook het idee dat een verandering van een regime de bestaande situatie verbetert, beschouwt Gray als een mythe. ‘Goed, de Koerden en de sjiieten zijn erop vooruit gegaan in Irak, maar de vrouwen? De christenen? De homoseksuelen? Hetzelfde geldt voor Libië en nu voor Syrië. Tirannie is vreselijk, maar is een burgeroorlog niet erger? Biedt democratie altijd meer vrijheid? Is Egypte erop vooruit gegaan met de Moslimbroederschap? De mythe is dat er meer vrijheid komt zodra de tiran verdreven is.’

Na een kleine twee uur is het hoorcollege ‘De wereld volgens Gray’ voorbij. Maar waar staat hij zelf in de politieke woestenij? is de resterende vraag. ‘Een politicus moet zo realistisch, voorzichtig en sceptisch mogelijk te werk gaan. Hij moet weten dat het invoeren van wetten, hoe goedbedoeld ook, niet per se leidt tot een betere wereld’, zegt hij ontwijkend. ‘Wist je dat Francis Bacon, de schilder, Conservatief stemde? Hij zei dat Conservatieven het beste maken van een bloody bad job. Maar de Britse Tories zijn gek geworden en hebben wilde ideeën over vooruitgang. Nee, ik stem tactisch, op de partij die zich het sterkst kan verzetten tegen de grootste dreiging. Dit in lijn met mijn denken.’


John Gray geeft op 21 september de zesde SPUI25-lezing, over mythe en fictie in de hedendaagse politiek