Doorvluchten twintig jaar iraanse revolutie

HET GESPREK wordt plotseling emotioneel. Niaz, een uitgeprocedeerde Iraanse asielzoeker, verlaat de kamer. Hij keert terug met een fles wasbenzine en een aansteker. Hamid, 21 jaar en al meer dan vier jaar in Nederland, stapt snel op hem af en ontneemt hem de aansteker. Na een treurige dialoog in het Perzisch schudt Hamid traag zijn hoofd en neemt ook de wasbenzine uit Niaz’ handen.

De mannen roken een sigaret. Plotseling neemt Hamid de wasbenzine en de aansteker van de tafel en houdt ze voor mijn ogen. ‘Stel dat wij de kamer en onszelf hier overgieten met benzine en het aansteken, ben je daar bang voor?’ 'Ja’, zeg ik. 'Ben je bang voor je leven?’ 'Nee, ik kan altijd nog uit het raam springen.’ Er valt een stilte. 'Dat hebben wij ook gedaan. Maar de Nederlandse regering wil niet geloven dat we wel moesten springen.’ NA DRIE UUR spreken over hun verleden in Iran en de slepende asielprocedure in Nederland blijven beide mannen gebroken achter in het onverbiddelijk moderne asielzoekerscentrum. Af en toe proberen ze te glimlachen, als verontschuldiging voor hun verslagenheid. Niaz is dichter, maar heeft zijn werk nooit gepubliceerd in Iran. Toen men werk van hem in een bundel wilde afdrukken, zag hij ervan af omdat anderen er gedichten in schreven die de islamitische revolutie loofden. Hij was toen al tweemaal gearresteerd. Tijdens de islamitische revolutie in 1979 weigerde hij als dienstplichtig soldaat om tegen de opstandige Koerden te vechten. Het kwam hem tijdens zijn ondervraging duur te staan, maar hij is er laconiek onder: slaan hoorde er nu eenmaal bij. Als student werd Niaz opnieuw opgepakt toen hij weigerde tijdens een tentamen een vragenlijst in te vullen over politieke en religieuze kwesties. Toen Niaz jaren later nog steeds niet werd toegelaten op de universiteit, probeerde hij een politieke groep op te zetten. Hij werd al snel verraden, dook onder en vluchtte naar Nederland. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) wil niet geloven dat Niaz werkelijk gevaar loopt. 'Duizend keer is me al gevraagd wat ik denk dat me te wachten staat in Iran. Maar iedereen kan toch lezen over de vermoorde schrijvers en intellectuelen. En in Iran hebben we allemaal de mensen zien hangen aan de hijskranen, of gestenigd zien worden in de straten terwijl het volk werd aangemoedigd te komen kijken.’ Hij gelooft dan ook niet in de oprechtheid van de IND. 'Er wordt altijd gezegd dat het Nederlandse overheidssysteem vrij van dwang is, maar ik zie soms voorbeelden van het tegendeel. Iemand van de IND kwam speciaal naar dit centrum voor een persoonlijk gesprek met mij. Een paar dagen later werd hij ontslagen. Na een paar maanden kwam ik hem tegen. Ik sprak hem aan, maar hij zei dat hij me niet kende en liep snel door. Dan kan ik niet geloven dat hier geen onderdrukking bestaat.’ DE DREIGENDE terugkeer naar Iran heeft zich in het karakter van Naiz vastgezet. 'De angst dat je terug moet is altijd bij je. Het is alsof er een plek in je nooit warm wordt. Ik weet nooit hoe mijn leven er over een paar maanden of een jaar uit zal zien. Misschien sterf ik wel volgend jaar. Dan heb ik de laatste jaren van mijn leven zo moeten doorbrengen. Als een onwezen.’ Hij heeft een tweede asielverzoek ingediend, nadat zijn eerste is afgewezen. 'Ik zal nooit terugkeren’, zegt hij. 'Als er geen kans is, steek ik me in brand of ga ik in hongerstaking. Als iemand sterft, staat Nederland op zijn kop. Maar blijkbaar is de regering niet gevoelig voor zwakkere middelen. Als wij niets doen, gebeurt er niets. Hoe lang kan een mens het volhouden om te moeten wachten, om niets te doen?’ Hamid, die als tolk meekwam, kan zich niet inhouden. 'Als de regering niets wil doen, vragen we het aan de burgers. Maar we kennen de Nederlanders na vier jaar. De mensen zijn aardig, maar dat is niet genoeg. We komen uit een land waar je niet eens je haar kunt kammen zoals je wil. Hier zien veel mensen ons als economische vluchtelingen. Maar wij zijn veroordeeld tot niets doen. Ik zie mensen met acht diploma’s nog steeds thuis op de bank zitten. Ik wil graag werken, al was het voor niets. Maar het wordt me verboden iets anders te doen dan te zitten en steun te trekken. Als ik dit asielzoekerscentrum binnenstap, verkrampt mijn hart. Hoe lang kun je zo'n onzekerheid, zo'n vernedering verdragen? Ik verlang naar momenten waarop mijn hoofd leeg is, dat ik nergens aan denk. En soms verlang ik naar de dood. Want wat is dit voor leven? Ik ben 21 jaar, maar ik ben een oude man.’ DE VERVELING heeft Behzad Semi niet in zijn greep gekregen. Sinds zijn aankomst in Nederland, vijf jaar geleden, werkt hij als vrijwilliger voor VluchtelingenWerk in het asielzoekerscentrum (AZC) Alkmaar. Hij studeert daarnaast internationaal recht aan de Universiteit van Amsterdam. Sinds een paar dagen heeft hij de Nederlandse nationaliteit. Hij woont zelfstandig en beschikt over een auto. Naar het schijnt heeft Semi een veilig en comfortabel leven, maar toch wil hij weg. Naar Canada, want daar wordt Engels gesproken. Hij kwam per ongeluk in Nederland terecht, omdat het vliegtuig van Turkije naar Canada een tussenstop maakte op Schiphol. De douane liet hem niet meer gaan en hij kwam in het Nederlandse asielzoekerssysteem terecht, tot zijn spijt. Maar met zijn nieuwe nationaliteit kan hij simpelweg emigreren. Voor de vluchtelingen met wie hij werkt is het wachten de grootste vijand. 'Psychologisch is het heel zwaar om in een AZC te moeten wachten. Je kunt niets doen. Je kunt niets aan je leven veranderen, je moet altijd wachten. Zes of zeven Iraniërs hebben zichzelf al in AZC’s gedood. Dertig procent loopt bij het Riagg, denk ik. En ik denk dat wel negentig procent medicijnen neemt. Wat dat betreft verschilt een AZC nauwelijks van een Iraanse gevangenis. Ik heb gezien hoe een op de drie mannen in de gevangenis in Iran gek werd.’ Vier jaar bracht Semi door in de gevangenis. Hij werd in 1984 gearresteerd vanwege lidmaatschap van een communistische, anti-monarchistische groep ten tijde van de sjah. Men vermoedde dat hij daarna actief was gebleven in de linkse beweging. Hij werd opgesloten in een gevangenis met uitsluitend linkse gevangenen, die strafvermindering kregen als ze elkaar verraadden. Hoewel verschillende mensen hem kenden, gaf niemand hem aan. 'Ik kan niet uitleggen hoe het was in de gevangenis. Vreselijk. Mensen werden na hun arrestatie uren geslagen. Ik zat in een klein hok, soms wel met 65 mensen boven op elkaar. Drie keer per dag mochten we er twintig minuten uit om naar de wc te gaan. Je mocht er dan maximaal 40 seconden op. ’s Nachts werden we verplaatst naar een slaapruimte, waar we met touwen aan handen en voeten werden vastgebonden.’ Voor Semi was de revolutie een gedroomde kans om af te rekenen met het regime van de sjah. 'Hij was niets dan een wrede dictator, een Iraanse Saddam of Pinochet. Mensen werden gearresteerd voor het lezen van buitenlandse schrijvers. Marx natuurlijk, maar ook Jack London of Maxim Gorki. Denken was verboden. Toen de revolutie kwam, dacht iedereen dat het beter zou worden. Het werd echter stap voor stap slechter. Eerst was niets verboden, toen werd bepaalde muziek verboden, vervolgens bepaalde boeken. Zo ging het steeds verder.’ In het verloop van de revolutie ziet Semi de hand van de Verenigde Staten en Engeland. 'In 1978 begonnen de media in de wereld opeens te praten over Khomeini. Het idee was om rond de Sovjetunie een ring van Amerikaansgezinde islamitische staten te leggen. In Guadeloupe kwamen de VS, Frankrijk, Engeland en Duitsland bij elkaar om de machtsovername door Khomeini voor te bereiden.’ Maar de sjah was toch pro-Amerikaans en Khomeini niet? 'Iran moest de leiding krijgen van een islamitisch blok. Het document heeft onlangs nog in de krant Nimroz gestaan.’ DE COMPLOTTHEORIE wordt ook aangehangen door Amir Bahmani, die al sinds 1986 in Nederland is. 'Er is een document waarin staat dat de CIA geld gaf aan Khomeini tijdens de revolutie.’ Bahmani is tegenwoordig lid van de Arbeiderscommunistische Partij van Iran. 'De radicaalste die er is, radicaler dan wij bestaat niet’, meldt hij trots. In Iran was hij lid van de Unie van Militante Communisten, een radicale splintergroep van de communistische beweging. Hij werd voor korte tijd opgepakt in de zomer van 1981, toen het islamitische regime een grote campagne begon om tegenstanders uit de weg te ruimen. Hij dook onder tot hij in 1985 naar Pakistan vluchtte. Evenals Semi kwam Bahmani per ongeluk in Nederland terecht. 'Ik probeerde naar Duitsland te komen of Canada. De handelaar zei dat ik kon kiezen tussen Denemarken, Zweden of Nederland. Ik koos Nederland omdat ik dacht dat er Duits gesproken werd.’ Hij heeft de Nederlandse nationaliteit verkregen en heeft in de afgelopen jaren een studie Duits gedaan. Hij overweegt emigratie naar Duitsland. Bahmani heeft een verklaring opgesteld voor de buitenlandse organisatie van de Arbeiderscommunistische Partij van Iran, afdeling Nederland. Daarin valt onder meer te lezen dat Nederland asielzoekers opsluit in 'gevangenissen die asielzoekerscentra worden genoemd’, en ze daarna 'deporteert’ naar Iran. Er is daarom 'geen verschil te zien tussen de politiek van de Nederlandse regering en die van de moordenaars van de Islamitische Republiek’. Is dat laatste niet wat overdreven? Bahmani: 'In propaganda moet je overdrijven. De manier waarop Justitie te werk gaat is alleen te vergelijken met goebbelsiaanse leugens. Dingen die mensen zeggen, worden omgedraaid. Mensen vinden in hun dossier dingen terug die ze nooit gezegd hebben. Wat de regering doet is het tegenovergestelde van humanitair. Tot 1994 kregen Iraanse asielzoekers automatisch een voorlopige verblijfstoestemming. Daarna kwam Paars, dat economisch contact zocht met Iran. Mensen zitten vier tot vijf jaar zonder sociale voorzieningen en rechten. Dat is onmenselijk. Ik sluit niet uit dat we hardere maatregelen zullen nemen om de Nederlandse regering op andere gedachten te brengen. Tot nu toe schreven we alleen brieven naar gezagsdragers. Met echt harde taal, wat ongebruikelijk is in Nederland. En twee keer hebben we een zitstaking gehouden in het parlementsgebouw. Misschien komt er nu een confrontatie. Zoals bij Faisah Rafsanjani, de dochter van de Iraanse leider, die we verhinderden te spreken toen ze in Nederland was. In Duitsland hebben we handlangers van het regime in elkaar geslagen. Ik sluit niet uit dat dat in Nederland ook gebeurt.’ HARDHANDIG verzet is een luxe die Arash Alawi zich niet kan permitteren. Hij studeert economie en heeft na vijf jaar verblijf in Nederland nog steeds geen status. Zijn asielverzoek is afgewezen, maar zijn advocaat ziet nog de mogelijkheid om door te procederen. Tijdens de revolutie was hij nog maar een klein kind, later werd hij politiek actief op de universiteit. Hij maakte deel uit van een groep die de terugkeer van het koningshuis voorstond en schreef pamfletten. Twee keer werd hij van de universiteit gestuurd vanwege politieke problemen. Na zijn vlucht zette een mensensmokkelaar hem op een vliegtuig naar Nederland. De procedure bleek eindeloos. 'Altijd zijn er weer nieuwe vragen, nieuwe regels. Hoorzittingen, interviews, negatieve beslissingen, nieuwe interviews, wachten. Om de zes of zeven maanden doet zich een ontwikkeling voor in mijn procedure of komt er een nieuwe wet. De rest is wachten. Telkens wordt me gevraagd hoe ik na vijf jaar nog steeds zeker weet dat Iran onveilig is. Maar ik ken het islamitische regime. Als ik word gearresteerd, is het op politieke gronden. Dat is zo goed als een doodvonnis. Maar ik ben een onbekend persoon. Waarschijnlijk word ik niet eens gearresteerd. Ik zal gewoon verdwijnen.’ De enige keren dat hij nadenkt over wat hem te wachten staat in Iran, zijn tijdens de bezoeken aan het IND. Zodra hij er aan denkt, voelt hij een bodemloze angst. 'Ik heb geen idee wat ik moet doen als ik uitgewezen word. Ik probeer het me soms wel voor te stellen, maar ik kan het niet, ik kan het echt niet.’ Om uiteenlopende redenen zijn sommige namen van geïnterviewden veranderd.