Doorzichtige complexiteit

Ed Leeflang
Gaandeweg. Nagelaten gedichten
De Arbeiderspers, 70 blz., € 18,95

Vorig jaar overleed, 78 jaar oud, de dichter Ed Leeflang. Hij debuteerde pas op latere leeftijd, hij werkte in de journalistiek en vervolgens in het onderwijs, voordat in 1979 zijn debuut De hazen en andere gedichten verscheen. De bundel werd lovend ontvangen en bekroond met de Jan Campertprijs voor poëzie.
Hoewel Leeflang pas op late leeftijd met zijn gedichten naar buiten kwam, schreef hij al veel langer. Scherp en geestig vertelde hij daarover aan de Vlaamse journalist Piet Piryns: ‘Een tijd geleden was ik op de tentoonstelling van Breitner in het Stedelijk. Ik zei toen tegen mijn compagnon dat ik de begintijd van Breitner niet zo bewonderde. ‘Niemands begintijd is goed’, zei zij. ‘Behalve de mijne’, antwoordde ik. Dat is het voordeel als je zo laat debuteert.’
Leeflang trad niet graag op de voorgrond. Dat zijn poëzie desalniettemin vele lezers vond, was te danken aan het werk zelf. Hij gaf als docent lange tijd les in Zeeland en in Amsterdam en zowel het werk als leraar als het Zeeuwse landschap vond een plek in zijn poëzie. Zo verwerkte hij in Op Pennewips plek (1982) ervaringen uit het onderwijs. Hoewel een zekere anekdotiek er niet vreemd aan is, stijgen Leeflangs gedichten vrijwel altijd boven het persoonlijke uit door zijn heldere taalgebruik, en de strakkere vorm die vooral de gedichten in latere bundels krijgen. Geen moeilijkdoenerij. ‘Je kunt in je gedichten veel neologismen, ongebruikelijke syntaxis en verwarrende metaforen binnenhalen – er is geen poëtische wetgeving die dat voorschrijft of verbiedt’, zei hij tegen Piryns, ‘maar ik heb in de loop der jaren een aantal van die stijlmiddelen verworpen omdat ze mij te nadrukkelijk zijn. Ik val op sobere interieurs. Wat ik nastreef is een soort doorzichtige complexiteit.’
Hij publiceerde zo’n acht bundels, waaronder Bezoek aan het vrachtschip (1985), Late zwemmer (1992) en Liereman (1996), waarin zijn grote liefde voor muziek tot uiting kwam. En nu is er, ruim een jaar na zijn overlijden Gaandeweg. De dichter werkte eraan tot aan zijn dood, samen met Judith Herzberg. Het zijn nagelaten gedichten, waarvan een groot aantal eerder werd gepubliceerd in tijdschriften of bibliofiele uitgaven.
Herzberg voorzag de bundel van een beknopt nawoord waarin ze toelicht dat Leeflang zelf al de keuze van de gedichten bepaald had, evenals de volgorde ervan. Maar wat te doen met aantekeningen, of vragen in de kantlijn van gedichten? Herzberg heeft, zo schrijft ze, zo veel mogelijk de knopen doorgehakt zoals Leeflang dat zelf gedaan zou hebben. Er staan enkele gedichten in handschrift in, daarbij is het interessant te zien welke wijzigingen de dichter aanbracht. Gaandeweg, het is een onnadrukkelijke en tegelijk mooi meerduidige titel. De bundel opent meteen treffend, met de woorden: ‘Dood ben ik niet’. Het gedicht over ‘Alcyone’, een van de dochters van windgod Aeolus, die door haar vader wordt veranderd in een ijsvogel, besluit: ‘Onder mijn veren steekt zo jong de wil/ geil en met open armen terug te keren.’
Het is bijna een poëticaal gedicht, of anders is het even goed te lezen als wens om er als dichter nog te zijn. En dat is Leeflang ook. De gedichten in Gaandeweg staan onder spanning, ze zijn beheerst en strak. Die beteugelde vorm, geholpen door het opvallende soepele rijm, houden een soort kolkende lust in toom. Vooral de eerste gedichten zijn sterk erotisch geladen.
Ook de losse, maar doordachte structuur van de bundel valt op. Van een opstanding uit de dood treedt via opzwepende levenslust uiteindelijk verstilling in. De gedichten slagen erin de tijd stil te zetten. Soms doet zich daarbij iets als een Droste-effect voor: een beschrijving van een geschilderd stilleven wordt bij Leeflang een stilleven in taal, waarbij de vanitas van het doek pregnant in woorden wordt omgezet. Het is een amodieus soort poëzie, maar niet ouderwets of buiten de wereld staand. In dezelfde nauwgezette vorm zien we ook kleine dwarsdoorsneden uit het dagelijks leven, scènes van de straat, vervuilende reclamebillboards in een landschap. Nauwelijks leesbaar zo pijnlijk is Breuk, over een jongetje dat zonder ouders achterblijft. Tot nadenken stemt Hadden, over straatmuzikanten. Leeflang zei ooit dat hij hoopte dat er iets bemoedigends van zijn werk zou uitgaan: ‘Ik houd van schrijvers die tegenover het lot een houding vinden van een zekere onverzettelijkheid en waardigheid. Wat mij aanspreekt is het werk van iemand die van het leven houdt, ook al lijdt hij eraan.’ Die woorden zijn ook op Gaandeweg ten volle van toepassing. In de bundel wordt volop geleefd in het zicht van een naderend afscheid. Judith Herzberg rept in haar nawoord van stapels gedichten die er nog zouden liggen. Het is te hopen dat die ooit in een dikke bundel mogen verschijnen.

[gedicht]

Reclames in landschap

Zo kom je ertoe je af te vragen
wat kost de kraai boven het bietenveld
wat is de trage fietser waard
die nadert op de polderweg
tussen de laagstam appelbomen.

Zo kom je ertoe te denken over
de prijs van zijn bril, zijn schoenen,
het ruiten hemd, korting en koersen
waarvan hij wie weet wakker ligt.

Zo kom je ertoe te raden naar
de premies die hij moet betalen
tegen blik- en waterschade.

Zo zou je het hoofd nog breken
over het tarief van zijn zes dragers.