Doorzichtige luchtkastelen

Met zijn roman Quichot maakt Salman Rushdie eindelijk weer kans op de Booker Prize. Zijn variatie op Cervantes past perfect in onze onwerkelijke werkelijkheid. Maar hoe past de roman in Rushdie’s oeuvre?

Laat ik het zo zeggen: er was ooit iets heel anders aan de hand met Salman Rushdie. Normaal gesproken als het deze tijd van het jaar was en de dagen korter en natter werden, als de bladeren vielen en we wisten dat de Zweedse academie weer bij elkaar kwam, dan zoemde de naam Rushdie rond. Ooit, en dan heb je het niet eens over tien jaar geleden, gold Rushdie als een volkomen vanzelfsprekende aanwezigheid op de shortlist van de Booker Prize. Maar toen hij dit jaar met Quichot de shortlist haalde, was de algehele reactie in de Britse pers: Wat, Rushdie?! Bij de bookmakers waar je kunt wedden wie de Nobelprijs voor de Literatuur gaat winnen staat hij niet eens meer in de top dertig.

Of je dat Rushdie zelf kunt verwijten is de vraag. Je kunt stellen dat schrijvers, ook al houden ze een consequent niveau, in zijn en uit zijn. Ze worden voorbijgestreefd door jongere, hippere collega’s die aandacht en prijzen opeisen, schrijvers die aandacht krijgen simpelweg omdat ze nieuw zijn – en niets is zo aantrekkelijk als iets wat nieuw is.

Neemt niet weg dat als je de lijst met Rushdie’s romans bekijkt, je een ontwikkeling in onderwerpen ziet – en ook in urgentie. Hij brak door met het inmiddels gecanoniseerde Middernachtskinderen (Booker Prize 1981), een magisch-realistisch epos over een jongen die op het exacte moment van de Indiase onafhankelijkheid wordt geboren, op 15 augustus 1947, en bovennatuurlijke krachten bezit. Het boek verkocht alleen al in Engeland een miljoen exemplaren, terwijl Indira Gandhi het in India probeerde te verbieden. De daaropvolgende romans Schaamte en De laatste zucht van de Moor schetsten de culturele en politieke verschuivingen die India en Pakistan ondergingen in de decennia na hun onafhankelijkheid; portretten doordrenkt van mythes en popcultuur, met jongens die boksen met een misvormde hand en twee keer zo snel oud worden, of meisjes die zo mooi zijn dat mannen de sloot in rijden als ze passeren. Rushdie ontsloot het subcontinent literair – de successen van Arundhati Roy, Kiran Desai, Aravind Adiga, om een paar andere Indiase Bookerwinnaars te noemen, zouden zonder hem niet mogelijk zijn geweest.

En dan was er nog De duivelsverzen, een roman die nog steeds duizelingwekkend is om te lezen. In zijn schaduwvertelling over hoe de profeet Mohammed door een duivel op het verkeerde spoor wordt gezet, zitten zoveel verwijzen naar de heilige geschriften van de islam dat je bijna een korangeleerde moet zijn om ze allemaal te vinden. Helaas voor Rusdhie werd het boek ook door daadwerkelijke korangeleerden gelezen en sprak ayatollah Khomeini op 14 februari 1989, bij wijze van giftig valentijnscadeau, een fatwah over zijn leven uit. Het dwong hem om meer dan een decennium lang onder te duiken en maakte hem tot een spil in theorieën over botsende beschavingen. Die unieke positie eiste Rushdie op met Shalimar de clown, geschreven in 2005 toen Bush’s War on Terror zijn hoogtepunt naderde: de clown in kwestie is een geradicaliseerde man uit Kasjmir, die zijn trauma’s en frustraties botviert op een ondraaglijke elitair Amerikaans-Europees diplomatengezin, waarvan de dochter, nota bene, India heette.

Rond Shalimar werd voor het eerst opgemerkt dat het wel een beetje héél veel was met Rushdie. Dochter India was niet zomaar een boogschutter, nee, ze was een Olympische medaillewinnares. Vader Max was niet zomaar een diplomaat, nee, hij was een wereldberoemde causeur die in elke talkshow een graag geziene gast was. Shalimar was niet zomaar een terrorist, nee, hij was de meest gevreesde massamoordenaar die je kon vinden. Kortom, personages die in theorie konden bestaan, maar dat in de praktijk zelden doen – het was wat de Britse criticus James Wood ‘hysterisch realisme’ noemde.

Daar kon je twee dingen over zeggen. Allereerst dat Rushdies leven zelf nogal hysterisch realistisch was: het succes, de bedreigingen, ze waren van een formaat dat ongeloofwaardig zou zijn als je het zou verzinnen. Hij stond letterlijk met U2 op een podium en trouwde met Padma Lakshmi, het soort supermodel waarvoor je graag de sloot in rijdt. Daarnaast zat het megalomane altijd al in zijn werk, maar juist omdat hij dat koppelde aan de echte geschiedenis van India, voelde het niet megalomaan. Het voelde als een exotische zoetstof, waarmee hij de bittere geschiedenis aan je opdiende. Maar nu zijn romans steeds verder van India afdreven, werden ze wel heel zoet, zonder dat bitter.

Het Amerika waar Quichot doorheen reist is het land van Alles-Is-Mogelijk

Na een paar romans die onder de radar bleven, verscheen nu Quichot. De link met Cervantes’ zeventiende-eeuwse oerroman Don Quichot is niet te missen, met als openingszin een evidente pastiche op Cervantes: ‘Er woonde eens, op een reeks tijdelijke adressen her en der in de Verenigde Staten van Amerika, een reiziger van Indiase komaf, gevorderde leeftijd en afnemende geestelijke vermogen, die, vanwege zijn hersenloze televisie, een veel te groot deel van zijn leven in het gele licht van smakeloze motelkamers had doorgebracht met onmatig tv-kijken, en als gevolg daarvan een merkwaardige vorm van hersenbeschadiging had opgelopen.’

Waar de verstrooide hidalgo van Cervantes zich door ridderromances het hoofd op hol liet brengen, laat de van oorsprong Indiase Ismail Smile (oftewel ‘Smile Smile’) dat doen door reality-tv, waarvan we weten dat die weinig ‘reality’ bevat. Dus zo vreemd is het niet dat hij zichzelf ervan overtuigt dat Salma R, een presentatrice van een Oprah-achtig programma, als een prinses in een toren op hem zit te wachten. Ook al hebben ze elkaar nooit ontmoet. Het kost hem zijn baan als verkoper bij het pharmaceutische bedrijf van zijn neef, maar dat lucht hem alleen maar op. Hij begint aan een roadtrip door de Verenigde Staten vergezeld door Sancho, een zwart-wit-jongetje dat bestaat bij de gratie dat Quichot – zoals hij zichzelf noemt – hem heeft verzonnen. Het Amerika waar ze doorheen reizen is het land van Alles-Is-Mogelijk. ‘Oude vrienden konden nieuwe vijanden worden en traditionele vijanden konden je nieuwe besties of zelfs geliefden worden. Het was niet meer mogelijk het weer, of de kans op oorlog, of de uitslag van de verkiezingen te voorspellen.’

Dus komen ze een pratend pistool tegen, een krekel die Italiaans spreekt en gaan ze op de koffie bij zijn zus De Menselijke Trampoline (een verwijzing naar de lyrics van Paul Simons ‘Graceland’) die de geschiedenis opdeelt in V.G. en N.G, ofwel Vóór Google en Na Google. Het ‘monster dat internet heet’ heeft ieder discours onmogelijk gemaakt, zegt ze, alle woorden explosief gemaakt, de deuren opengezet voor de verspreiding van haat en de ondermijning van waarheden. Het mag duidelijk zijn dat de verwarring niet alleen die van Quichot is; Rushdie wil het hebben over deze tijd van fake news en onbegrensde technologische mogelijkheden, waarin alles – van ideologie tot gender – fluïde is, waar in spel en amusement de instituten hebben vervangen en waarin het presidentschap een realityshow is geworden. Woorden verliezen hun waarde, zegt Quichot tegen Sancho, ze zijn ‘nog louter geluiden met verloren betekenissen’. Op zulke hysterie is gekte niet zo’n vreemde reactie.

Punt is natuurlijk dat dat al wel heel vaak is opgeschreven. Voegt Rushdie daar iets aan toe? Plezier, op de eerste plaats. Quichot leest alsof het met een daverend schrijfplezier is geschreven – vooral de stukken waarin een alwetende verteller de personages ironisch beziet. Al leest het soms alsof Rushdie zijn eigen grapjes nog wel het grappigst vindt. Wanneer hij lyrisch vertelt hoe Sancho zijn schildknaap is ‘als Hutch van Starsky; Spock van Kirk; als Mulder van Scully; als BJ van Hawkeye; als Robin van Batman!’ en zo lang doorgaat (‘als Niles van Frasier; als Arya van The Hound!’) lijkt hij even te vergeten dat het om series gaat die allang van de buis zijn. Je betrapt hem er vaker op. Waarom zou Salma R, wanneer ze een drug gebruikt, denken dat het is alsof ze van zwart-wit naar kleur overstapt, van Mansfield op Monroe, terwijl ze te jong is om ooit zwart-wit-tv te hebben gekeken, of om Mansfield en Monroe te hebben meegemaakt?

In de flurry van verhaallijnen is die van Sancho vreemd genoeg het aangrijpendst, of het aandoenlijkst, omdat hij nep is, dat weet, en net als Pinokkio echt wil zijn. Wat als Quichot dood neervalt, denkt hij, houd ik dan ook op te bestaan? En nep is dubbel nep, want er is ook nog het verhaal van auteur Sam DuChamps die na zijn middelmatige spionageromans nu aan een experimenteel boek werkt… over een verkoper die denkt dat hij Don Quichot is.

Don Quichot ging over een man die de wereld weigerde te zien zoals hij was, en die zijn fictionele romantiek verkoos boven de werkelijkheid. Oftewel: een man van deze tijd. Dat heeft Rushdie goed gezien. Maar Don Quichot projecteerde op het heden een helder, rechtlijnig verleden. Wat nu wordt geprojecteerd is zelden helder en rechtlijnig. Waar Rushdie voorheen zijn hysterische fantasie aan de zware werkelijkheid van India koppelde, koppelt hij nu zijn hysterische fantasie aan de ongrijpbare, luchtige onwerkelijkheid van de VS van Donald Trump – een land waar, om Peter Pomerantsev te parafraseren, ‘niets waar en alles mogelijk’ is. De luchtkastelen waren nog nooit zo doorzichtig als nu, Don Quichot op zijn paard met zijn lans nog nooit zo ongevaarlijk als nu.


De winnaar van de Booker Prize wordt op 14 oktober bekendgemaakt