Doorzonvader

ALMERE-BUITEN - ‘Blub, blub, bluppie, ’t is weer tijd voor Guppie.’ Op het tv-scherm verschijnt een blondine die kegels en ballen manipuleert voor een peuterpubliekje. Het is half zeven ‘s ochtends. De journalist en zijn twee zoontjes ontbijten in de L-vormige woonkamer van hun comfortabele doorzonwoning met openbare voorzieningen op loopafstand.

Daan (acht maanden) ligt in zijn wipstoeltje en lurkt aan een flesje pap. Nils (drie jaar) volgt vanaf een Ikea-bank de verrichtingen van de blondine terwijl hij een boterham met pindakaas bedachtzaam uitsmeert over zijn wangen. De journalist hangt onderuit met tranende ogen van vermoeidheid. Hij probeert een gesprek aan te knopen met Nils, maar die vindt de blondine interessanter. In een poging een krant open te vouwen, laat de journalist een toastje met marmelade omgekeerd op de grond vallen. Daan begint te krijsen als een opgewonden biggetje, zijn speentje is uit zijn mond gefloept. De journalist vloekt, wil opstaan en glijdt uit over het toastje. Nils lacht onbedaarlijk. Papa is toch leuker dan de blondine.
Zulke kwaliteitsmomenten zijn zeldzaam in een bestaan dat aan elkaar hangt van deadlines, vergaderingen en afspraken. Om het waar te maken, moet ik mijn dierbaarste bezit opofferen: de uren tussen tien uur ’s avonds en twee uur ’s nachts. Dat zijn mijn productiefste uren. In die tijd schrijf ik een volledig artikel of ik lees een boek van tweehonderd pagina’s. Maar de enige uren die ik dagelijks kan vrijmaken zijn de vroege ochtenduren. Dus ga ik om elf uur naar bed en probeer verwoed te slapen, in afwachting van het moment, ergens tussen vijf en zes uur, waarop de oudste mij wekt. Tot acht uur ben ik dan met beide kinderen in de weer. Dit matineuze vaderschap is voor mij het maximaal haalbare, afgezien van een dagje vrij of een middag vroeg thuis. Voor Almeerse begrippen is dit trouwens een ongekende luxe. Vaders zijn hier namelijk overbodig verklaard.
ALMERE IS EEN legbatterij. De traditionele taken van de vader zijn door een monsterverbond van overheid en particuliere sector overgenomen. Het kinderleven verloopt computergestuurd. De kleine is nog niet geboren of daar stopt het knalrode Peugeootje van de felicitatiedienst al voor je deur, gevolgd door een telefonische uitnodiging van de peuterzaal om eens kennis te maken. Eigen initiatief is overbodig, je glijdt vanzelf in de driedimensionale kaartenbak. Elke wijk heeft een eigen gezondheidscentrum met jonge artsen die de verantwoordelijkheden heel modern naar elkaar afschuiven, een apotheek zonder witte jassen, een wijkverpleegkundige die je kind altijd helemaal uitkleedt om te zien of je het niet misbruikt en een gebruinde deeltijdtandarts die de beugeltjes op een rij heeft liggen als je binnenkomt. Verder beschikt elke wijk over precies hetzelfde assortiment net-niet-zwarte scholen van alle gangbare denominaties, een busbaan die automobilisten tot waanzin drijft en een speelplaats met één klimrek en drie autobanden per honderd peuters. Het postkantoor heeft voor alle eventualiteiten een folder over een cursus of praatgroep.
Over alles is nagedacht en toch is deze stad mislukt. Hij is gebouwd voor modale gezinnen met jonge kinderen, elke vierkante meter is te verantwoorden met taakstellingen, maar de ziel ontbreekt. Neem de gezondheidscentra. Die zijn na vijf uur dicht; dan ben je aangewezen op een dokterstelefoon die wordt bediend door een verpleegkundige en een arts op een niet nader aangeduide plaats. Als je al door de wachtrij komt, moet je in drie woorden vertellen wat er aan de hand is. Vervolgens stelt men een diagnose waarvan niet meer wordt afgeweken. Je kunt niet naar ze toe omdat je niet weet waar ze zitten en als je wilt dat ze bij jou langskomen, moet je minstens een epileptische toeval simuleren. Hetzelfde bureaucratische minimalisme kenmerkt al die openbare voorzieningen op loopafstand, van peuterzaal tot zwembad. Geen wonder dat kinderen hier op hun zestiende geroutineerde vandalen zijn. Niemand is werkelijk in ze geïnteresseerd.
VOLGENS DE IDEOLOGEN van het moderne vaderschap loop ik echter hopeloos achter. De jongste profeet is psycholoog Vincent Duindam. Zijn boek Modern vaderschap (1997) predikt een blijde boodschap van onthaasting, ont-gendering en gelijke taakverdeling. In Duindams ogen betekent ‘vaderen’ dat je afdaalt naar de wereld van je kinderen, dat je samen met ze op de grond gaat zitten, door de zandbak rolt en met de blokken speelt. De zorgvader deelt alle huishoudelijke taken met zijn partner, hij is 38,2 jaar oud, zijn partner is 36,6 jaar oud en samen hebben zij 1,9 kind van onder de zes jaar. Als ik Duindam moet geloven, heeft die man een betere band met zijn kinderen, een betere relatie en een rijker leven dan ik.
Dat haalt je de koekoek. Duindam verrichtte zijn 'onderzoek’ onder 182 zorgvaders die hadden gereageerd op een oproep in Opzij. Natuurlijk waren die allemaal tevreden. Ze lijden aan een andere vorm van minimalisme: de liefde voor het kind vertaald in zorguren.
Een weerzinwekkend symptoom hiervan is het Sire-spotje op televisie waarin een jongetje (plakhaar, spencertje) toekijkt hoe zijn vader een rollade aansnijdt en in voice-over vraagt: 'Wie is toch die man die op zondag altijd het vlees komt snijden?’ Ik begrijp heel goed dat het een karikatuur is, daarom vind ik het zo beledigend. Die man is mijn vader en van mijn vader moet Postbus 51 afblijven. Mijn vader was overdag en ’s avonds meestal afwezig - al kwam hij wel thuis eten - en sloot zich vaak in het weekend in zijn werkkamer op. Mijn moeder en ik wisten waarom hij dat deed: om geld te verdienen teneinde ons een goed leven en mij in het bijzonder een gelukkige jeugd te bezorgen, met een eigen kamer in een groot huis, pianolessen, sportclubs, boeken en elpees, zeilvakanties en reizen door Europa. In voorkomende gevallen sneed hij onberispelijk en met kennelijk genoegen rollades aan.
En inderdaad, als hij niet aan het werk was, zat hij vaak achter de krant. Mijn moeder en ik ook, dus wij hadden aan tafel nimmer gebrek aan conversatie. De complete Vietnamoorlog is aan onze ontbijttafel becommentarieerd.
Ik weet precies wat voor soort voorlichters dat spotje heeft bedacht. Het zijn quasi-creatieve vrijgestelden die het kind in zichzelf hebben ontdekt, die aan de rat race kunnen ontsnappen omdat ze financieel binnen zijn en in zeeën van quality time verdrinken. Het soort vaders dat zich met zijn kind identificeert in plaats van andersom. Ik kan zo een tv-spotje over ze maken: een achtjarig jongetje kijkt wantrouwig naar een veertiger in tuinbroek en gympen die schaapachtig lachend naast hem hurkt. Off-camera fluistert het jongetje: 'Wie is toch die lul in kinderkleren die zo nodig “vriendjes” met me wil zijn?’
Mijn vader was nooit vriendjes met me, hij was een voorbeeld van loyaliteit, zelfbewustzijn en oudtestamentische hardheid. Mijn beste herinnering aan hem is klassiek: achter op de fiets tijdens een onweer, mijn armen om hem heengeslagen. Hij was er altijd als we hem nodig hadden en dat is nog steeds zo. Als ik van iemand de ware betekenis van het begrip zorgplicht heb geleerd, dan is het van hem - en dat gaat verder dan luiers verschonen en chocolademondjes afvegen. Ik heb besloten dat ik mijn kinderen datzelfde rotsvaste vertrouwen wil inboezemen.
Ik ben er niet vaak, maar ik zorg dat ik er ben als dat nodig is. De rest is flauwekul. Ik heb nooit de dwingende behoefte gevoeld om hun eerste stapjes, eerste woordjes of eerste schooldag mee te maken, wel om te weten wat er ten diepste in ze omgaat. Over de zieleroerselen van de jongste, die momenteel de wereld ontdekt door overal in te bijten, maak ik me geen illusies. Het zal hem een biet wezen wie zijn luier verschoont of zijn papje aanreikt, zolang het maar oordeelkundig en op tijd gebeurt. Maar de oudste beseft tot mijn genoegen dat ik hem volledig serieus neem. Als hij bang is of zich bezeert, komt hij even gemakkelijk bij mij om zich te laten troosten als bij mijn vrouw.
Dankzij die slopende ochtenduren ken ik al zijn humeurtjes. Als hij huilt, hoor ik of het van pijn, angst of verveling is. Als hij de slappe lach heeft, weet ik of het van plezier is of van oververmoeidheid. Als ik hem een verhaal voorlees waarin een boze beer in een boom voorkomt, en twee dagen later vraagt hij achteloos waarom er zoveel bomen om ons huis staan, weet ik genoeg. Ik heb de geruststellende woorden al klaar voor als hij midden in de nacht ontwaakt: 'Een beer! Papa, d'riseenbeerinhuis!’ Maar ik huil nooit met hem mee en ik laat hem altijd voelen dat ik ouder, sterker en wijzer ben dan hij. En gaandeweg maak ik hem duidelijk dat in elk huis, hoe veilig ook, onzichtbare beren loeren, vaak op plekken waar je ze het minst verwacht.