Doos

Er staat een man in de gang. Dat neem ik tenminste aan. Zijn gezicht is niet te zien omdat het schuilgaat achter de enorme doos waarmee hij zojuist is binnengestapt. Wel zie ik antraciet-grijze broekspijpen en glanzend zwarte herenschoenen. De handen die de doos omklemmen zijn harig. ‘Goedemiddag voor u’, klinkt het vanachter de doos. Een diepe basstem. De ‘u’ uitgesproken als een ‘oe’. ‘Goedemiddag’, antwoord ik. Ik probeer om de doos heen te kijken maar dat lukt niet. Het is, gezien mijn smalle gang, een beeldvullende doos. ‘Wat kan ik voor u doen?’ vraag ik. Op de doos staat niet wat erin zit. Wel is er een wijnglas op afgebeeld, waar voor alle zekerheid ‘breekbaar’ onder vermeld wordt, in diverse talen. Maar niet in de taal van degene die de doos uiteindelijk zal laten vallen, natuurlijk. Dat is poëzie. ‘Ik heb voor u de bonen!’ roept de onzichtbare man. Hij klinkt erg trots – alsof hij weet dat ik de bonen al weken hoop te krijgen. Alsof hij half Europa is doorgereden om mij op tijd van de bonen te voorzien. En nu is hij hier, vol triomf, in mijn gang. Met de bonen. Ik denk koortsachtig na. Verwacht ik iets wat met zo’n woord te omschrijven valt? Iets wat erop lijkt? Bommen? Bonnen? Bomen? Hoe waarschijnlijk is het dat ik een doos bomen heb besteld en die bestelling volkomen vergeten ben? ‘De bonen!’ roept de man nu opnieuw, hoorbaar verbaasd over het uitblijven van jubelkreten. ‘Heel fijn’, zeg ik zo blij mogelijk. ‘Maar ik weet eigenlijk niets van bonen.’ Het blijft even stil achter de doos. Dan klinkt, goed verstaanbaar maar stukken minder enthousiast, mijn straatnaam. Althans, de helft daarvan. ‘O’, zeg ik. ‘Nee, dit is de laan. Niet de straat.’ De harige handen hijsen de doos een stukje hoger. ‘Straat’, klinkt het bedachtzaam. ‘Zal ik een kaart halen?’ stel ik voor. Maar dat hoeft niet. ‘Dank voor u’, zegt de man. Dan schuifelt hij achterwaarts de gang uit en draait zich om. Een glimp van donker haar. Daar gaat hij. Met een doos vol bonen.