Het Migrantenmuseum

Doosje lucifers (kibrit kutusu)

‘Weet je zeker dat je alles bij je hebt? Straks is alle moeite voor niets geweest. Heb je alles bij je?’
‘Wat hebben we anders nodig dan een doosje lucifers, vastbeslotenheid en moed?’
‘Heb je ze bij je dan?’
‘Ja, natuurlijk.’
De twee zijn als schaduwen van de verrekening in dit donkerste uur van de nacht. Er hangt een vocht in de lucht dat stinkt naar het zweet van gastarbeiders. Ze sluipen door de stille straten van de stad waar het Migrantenmuseum staat. De grotere van de twee fluistert tegen zijn maatje: ‘We moeten alles uitroeien. Niet alleen de objecten, maar ook de gedachten. Ook alle herinneringen moeten we zien uit te roeien. Want hij zal niet van ophouden weten.’ Woorden die tegen de bakstenen van de rijtjeshuizen botsen en dood neervallen op de stoeptegels die nat zijn van de kortstondige regen die even geleden neerviel en als een dief weer verdween in de nacht.
Ze zijn resoluut, de twee. Zelfs de roetzwarte nacht kan hun vastberadenheid niet verbergen. Degene die ouder klinkt en aan zijn ademhaling te horen vele sigaretten heeft gerookt, zegt, overtuigd van zijn gelijk: ‘Als we niet nu ingrijpen en alles niet in de fik zetten, gaat hij nog meer objecten tentoonstellen. Het is in ieders belang dat alles weg is en dat deze geschiedenis vergeten wordt. Mocht het ons lukken om het hele verdomde museum in de as te leggen, dan kan iedereen weer verder. Het is voor hem ook het beste, geloof me.’
De jongeling naast hem geeft hem gelijk met zijn adem die niet weet wat nicotine is en ook niet van plan is om de smaak ervan te proeven. ‘Het is inderdaad voor iedereen het beste om een einde te maken aan deze onzin. Wat brengt het nou op, al dat blootleggen van de ziel door middel van objecten? Hoewel ik me wel afvraag welke objecten hij nog ging zetten in het Migrantenmuseum, moet ik eerlijk bekennen…’
Ze naderen in alle stilte het gebouw van het Migrantenmuseum. Het is te warm en te vochtig om enkel de reis van de twee te kunnen volgen. Vrouwelijk schoon komt even langs. De onbekende dame laat aan haar lippen proeven, kust dan de nek en glijdt vervolgens met dezelfde lippen naar beneden. Afgeleid door een optreden van een buikdanseres laat de gedachte de diensten van de dame voor wat ze zijn en gaat in de bergen van de kindertijd wandelen.
Als de twee na deze bergwandeling – die eindigt op de schoot van de oma die naar kaas ruikt – weer terug zijn op het toneel hebben ze opeens namen.
Het Verleden heeft inmiddels een peukje opgestoken. Hij kijkt streng naar zijn metgezel en vraagt met een vernietigende blik: ‘Waar is het doosje met de lucifers?’
De Toekomst antwoordt: ‘Ik heb de lucifers, de vastbeslotenheid en de moed. Maar ik ben vergeten jou te zeggen dat ik op mijn rug nog een ding draag dat zwaarder is dan alles bij elkaar. Het is de nieuwsgierigheid. Wat moet ik nu doen, Verleden?’
Geen enkele nacht is te vertrouwen. Dat weet het Verleden nu ook en probeert een besluit te nemen. Moet hij zijn nederlaag accepteren of zijn jonge compagnon het doosje lucifers dankzij zijn sterkere spieren afhandig maken en zelf de klus klaren?
Geen enkele nacht komt je op je wenken bedienen. De dame is spoorloos verdwenen, de laatste sporen van haar volle lippen op de buik achterlatend.
De schermutseling tussen het Verleden, dat werkelijk het beste voor heeft met alles en iedereen, en de Toekomst, die zelf ook weet dat de nieuwe objecten niets anders dan ellende zullen brengen, gaat van start. ‘Hij kwelt zichzelf door alles als een verrader tentoon te stellen. Heb jij het dan niet door, jij hufter…’ schreeuwt de ouwe, happend naar adem.
De jongeling maakt zich los uit de lelijke handen van het Verleden, zet het op een rennen en gooit het doosje met de lucifers in de rivier die langs het Migrantenmuseum loopt.
Nieuwe fase voor het Migrantenmuseum. Dit is de eerste gedachte van de nieuwe dag. De tweede generatie heeft haar eigen objecten, want de Toekomst heeft de lucifers in een dromerige rivier gegooid.