Martin Simek interviewt Martin Simek

Doperwtjes naar een olifant gooien

Martin Simek heeft in zijn jeugd achter het IJzeren Gordijn de clandestiene Tsjechische humorschool doorlopen, wat de enige manier was om het vol te houden. Er werden geen diploma’s uitgedeeld en in humor ziet hij ook geen onderwerp – zo vanzelfsprekend zit het in zijn bloed. ‘Wie om zichzelf lacht ligt onophoudelijk in een deuk.’

Hoe gaat het met u, meneer Simek?

Als Nederlander antwoord ik: ik heb niets te klagen. Als Tsjech zeg ik: ik klaag niet, ik zou niet weten bij wie.

Zijn er nog meer verschillen in mentaliteit?

Taxichauffeurs in beide landen nemen wel eens een onverantwoord risico. Ze rijden bijvoorbeeld door rood. Maar alleen de Tsjechische taxichauffeurs remmen af bij ieder verkeerslicht dat op groen staat. Wie weet, redeneren ze, komt een collega door rood aanscheuren. Een ander voorbeeld: in beide landen wordt wel eens korting geëist of gepretendeerd. Maar alleen in mijn geboorteland wordt degene die hem moet geven toegefluisterd: ‘Ik wil de korting natuurlijk niet gratis.’

Is dat corruptie?

Nee, humor. Alles blijft open, bespreekbaar. Alles kan met humor gepaard gaan. Het goede en het slechte. In mijn Calabrese dorp wilde een doodeerlijke chirurg burgemeester worden om het tegen de plaatselijke ’Ndrangheta op te nemen. Ik probeerde het hem tevergeefs uit het hoofd te praten. Ik vond hem te naïef om de klus te kunnen klaren. Aan de vooravond van de verkiezingen stond mijn vriend op winst. Gelukkig werd die nacht zijn peperdure waakhond van één meter schofthoogte uit zijn omheinde tuin gestolen terwijl hij en de familie sliepen. Het slot van de poort was niet eens geforceerd. De boodschap naar de dorpelingen toe was duidelijk: kiezer, wat verwacht u dat deze brave burger voor u kan betekenen? Laat hem maar chirurg blijven. En aldus geschiedde.

Uw definitie van de mens is: de mens is een grap die boos wordt als er om hem gelachen wordt. Wanneer hebt u voor het laatst om uzelf gelachen?

Ach, zo vaak. Wie om zichzelf lacht ligt onophoudelijk in een deuk. Velen kunnen zich niet voorstellen dat ik zonder tv kan leven, zonder bezoek van cabaretvoorstellingen, kortom zonder het voor ons bedachte vertier. Ik ben een hartstochtelijke verslinder van humor die op straat ligt en van alle keren dat ik de plank mis sla.

Voorbeeld graag.

Van de week zat een man met een masker van een paardenkop in de Leidsestraat in Amsterdam verdienstelijk te trommelen. Hij dacht vast twee vliegen in één klap te slaan. Zijn schaamte voor het bedelen te verbergen en tegelijkertijd een komisch effect te sorteren. Het tweede lukte in ieder geval, en toch gaven de passanten hem geen cent. Aan een bedelend neppaard voorbij gaan is kennelijk makkelijker dan aan een bedelend mens dat je in de ogen kijkt. Daar lach ik om, om zo’n misrekening. En als ik een wortel bij me had gehad, had ik die vast in de hoed van het paard gegooid om hem zo snel mogelijk op de harde realiteit te wijzen.

In 2009 werd mijn radioprogramma Simek ’s nachts beloond met de prestigieuze Zilveren Reiss-microfoon en tegelijkertijd werd het programma me ontnomen door een Hilversumse bureaucraat. Jammer, maar ik sprak mezelf moed in met de spreekwoordelijke andere deuren die open zouden gaan. En ja hoor, daar was er al een: in een oneindig lange ziekenhuisgang zie ik op een kleine zestig meter afstand Joop van den Ende naderen. Hij is niets veranderd, flitst door me heen. Na 33 jaar nog dezelfde tred. In de jaren zeventig gaf ik hem als student economie tennisles in Badhoevedorp. Hij is de enige leerling die me ooit geld schuldig is gebleven. Aanvankelijk heb ik hem met twee, drie telefoontjes helpen herinneren dat ik nog vijfhonderd gulden van hem kreeg, halverwege de jaren zeventig veel geld voor een gevluchte student. Ik weet nog dat ik mijn aanmaning altijd koppelde aan een felicitatie met een van zijn nieuwe successen die ik uit de krant had vernomen. ‘Sorry Martin, je hebt gelijk. Ik maak het morgen over’, zei Joop dan altijd. Dat morgen is nooit gekomen. Het was vast geen opzet. Hij was op een gegeven moment te groot om in kleingeld te denken. Ergens in 1978 belde ik hem voor het laatst: ‘Joop, je krijgt van mij een rode kaart. Je mág niet meer betalen. Ik ben geen student meer, ik heb het niet meer nodig. Dat is je straf.’

Humor, dacht ik. Een beetje plagen, waarom niet. Toen ik zeventien jaar later een eigen programma, eerst op de radio en later op de televisie, kreeg, dacht ik wel eens als mijn telefoon ging: ‘Het is vast Joop, om me te feliciteren: Martin jongen, hoe heb je hem dát nou geflikt!’ Maar dat telefoontje kwam niet. Later kreeg mijn redactie nul op het rekest toen ze hem om een interview vroegen. Joop van den Ende spreekt nooit over privé-zaken, gaf zijn rechterhand vriendelijk de reden door.

Maar nu wij elkaar hier in de ziekenhuisgang inmiddels op tien meter waren genaderd zou mijn gevoel voor humor eindelijk beloond worden, dat wist ik zeker. Joop zou mijn toekomst oplossen met één telefoontje. ‘Hoe gaat het?’ vroeg hij. ‘En met jou?’ vroeg ik. Hij bracht een bezoek aan een zieke vriend. Ik vertelde hem wat me in Hilversum was overkomen. Hij bleek er al van op de hoogte en zei: ‘Martin, vol vertrouwen voorwaarts. Jij hebt zoveel talent, jij bent niet klein te krijgen!’ En hij schudde me de hand. Dat is nu vijf jaar geleden, maar ik lach nog iedere keer als ik eraan terugdenk.

Dus uw gevoel voor humor heeft u geld gekost?

En het erge is: het is mogelijk niet eens aangekomen, want om een ander in zijn trots te raken, moet zijn definitie van trots dezelfde zijn als de jouwe.

Naar de Nederlandse maatstaven is meneer Van den Ende de winnaar, want wie het laatst lacht, lacht het best.

Mee eens. Mijn Italiaanse vrienden bestempelen mijn plaagstootjes als doperwtjes naar een olifant gooien. En toch, zolang ik raak gooi, beleef ik er plezier aan. Het gaat mij om het raak mikken. Een dikke huid, daar ga ik niet over. Dat je in plaats van doperwtjes ook bommen kunt gooien, begrijp ik ook wel. Maar grappenmakers en terroristen zijn per definitie niet dezelfde mensen. Fanatiekelingen zijn humorloos en bloedserieus.

Bestaat er zoiets als Tsjechische humor?

Onmiddellijk schiet me de dood van mijn geliefde schrijver Bohumil Hrabal te binnen. Toen de levenslang levenslustige Hrabal uiteindelijk in het ziekenhuis terechtkwam met het finale oordeel dood behield hij zijn goede humeur en zocht naar kleine geneugten van het leven binnen zijn situatie. Hij begon duiven te voeren. Dagen, weken, achter elkaar. Iedere keer boog hij, rekte hij, zich iets verder uit het ziekenhuis­raam op de vijfde verdieping, tot hij er op een dag uitviel. Een ongelukje? Zelfmoord? Niemand kan het zeggen. Fantasie en humor tot in de dood.

Mijn vader is Hrabal voorgegaan. Ik mocht hem van het toen nog communistische regime op voorspraak van een hoge partijfunctionaris op zijn sterfbed bezoeken. Heel bijzonder, voor een politieke vluchteling. Het was 1980. Veertien dagen mocht ik in de Tsjecho-Slowaakse socialistische republiek zijn, geen dag langer. Een paar dagen voor we definitief afscheid van elkaar moesten nemen moet mijn vader gedacht hebben: het zou leuk voor Martin zijn als hij me ook nog kan begraven.

De dag daarop, het was midden in de winter, liepen mijn moeder en ik met volle boodschappen­tassen naar huis en vonden vader in de garage in zijn Fiatje 600. Bij min vijftien was hij door de sneeuw in de tuin naar de garage gelopen, slechts in pyjama en op pantoffels. ‘Wat doe je hier in godsnaam?’ riepen we in koor. ‘De motor moet af en toe draaien’, legde hij geduldig uit. Het waren zowat zijn laatste woorden. En zo kon ik de dag voor mijn vertrek zijn kist naar het graf dragen, samen met mijn twee oudere broers en een kraai.

De kraaien hadden onderling bijna gevochten om de vierde man te mogen zijn. Mijn broer Slávek was ’s lands bekendste komiek, aan wie ik de gunst van de hoge partijfunctionaris te danken had. Het was een eer om naast of achter Slávek Simek te mogen lopen, met zijn vader op de schouders. De kraai liep achter hem, en naast mij. Al snel hoor ik hem sissen: ‘Psst, psst, maestro.’ Mijn broer fluisterde: ‘Niet nu, alsjeblieft.’ Hij wist kennelijk wat hem te wachten stond. Aan komieken worden vaker te pas en te onpas moppen verteld. De kraai antwoordde: ‘Hij is maar kort, maestro.’ En hij vervolgde: ‘Weet u waarom de communisten in Polen geen verstoppertje meer spelen?’ – het was ten tijde van Solidarnosc. ‘Niemand zou ze zoeken!’ En hij begon zo te lachen dat de doodskist met mijn vader op onze schouders danste. Het voelde of mijn vader meelachte. Mijn broer was zo boos dat hij niet meer in staat was boven het graf te spreken en snel vroeg hij of ik het wilde doen. Hij wilde de man wurgen. Ik zei achteraf: ‘Maar Slávek, het kon toch niet mooier! Onze vader heeft 32 jaar onder het regime geleden, bestempeld als vijand van het volk. En vandaag heeft een man van het volk een anticommunistische grap bij zijn uitvaart verteld.’ ‘Zo heb ik het niet bekeken’, zei mijn broer, en hij ontspande.

Dat was vast niet de enige anticommunistische mop die u in Praag in die dagen hebt gehoord.

Zeker niet. De beste metafoor voor de uitzichtloze periode van de normalisatie na de inval van de Russen in 1968 was de volgende grap:

De kameraad-directeur van het Tsjechische staatscircus wordt benaderd door een man die beweert een ongeëvenaard nummer voor hem te hebben. Zijn zelfverzekerdheid wekt de nieuwsgierigheid van de directeur. ‘Vertel’, zegt hij.

‘Stelt u zich voor’, zegt de man, ‘het circusorkest speelt een opbeurende arbeidersmars, terwijl in de lege piste mijn assistenten een vier meter hoge springtoren installeren. Daaronder plaatsen zij een badkuip. Mijn assistenten lopen af en aan met emmers vol stront en vullen het bad tot aan de rand. Nu verandert de muziek van karakter: hij krijgt iets triomfantelijks. Het werk is volbracht. Een van de assistenten beklimt de toren en neemt plaats op de springplank. Onder tromgeroffel maakt hij zich klaar voor de sprong. Hij veert wat op en neer, zet af, maakt een salto en landt in de badkuip. De stront spat alle kanten op; het publiek zit helemaal onder. De muziek zet een treurmars in.’

‘En dan?’ vraagt de verbijsterde kameraad-circusdirecteur.

‘En dan betreed ík de piste. He-le-maal in het wit.’

Ik ken geen Tsjech die om deze grap niet onmiddellijk moest lachen. En geen buitenlander die niet om uitleg heeft gevraagd. De Tsjechen van mijn generatie en die na mij hebben geleerd in geheimtaal te communiceren. Als in het Westen iemand over het water loopt, moet het een God zijn. Bij ons was het een communist die niet kon zwemmen.

Wint humor aan kracht bij ellende?

Wijlen mijn landgenoot Gabriel Laub, een Tsjechische journalist die in ballingschap een vooraanstaande Duitse humorist en satiricus is geworden, zegt in een van zijn aforismen: alle nationaliteiten hebben dezelfde mate van gevoel voor humor. Alleen sommige hebben hem meer nodig om te overleven. Wat moeten Zwitsers met een grap? Het gaat ze toch al goed.

Gaat iets… u wilde nog wat zeggen?

In Tsjechië, voornamelijk in Praag, leefden Tsjechen, joden en Duitsers eeuwen naast elkaar. Tsjechen en joden delen een lange traditie van onderdrukking. In Praag hebben ze elkaars humor beïnvloed. Duidelijke Tsjechische invloed bespeur ik in de volgende joodse anekdote: Kohn, Roubícek (een typisch Tsjechisch-joodse naam – ms) en Polak zitten in het concentratie­kamp. Polak zegt: ‘Als ik Göring te pakken zou krijgen, zou ik een mes in die dikke pens van hem steken. Dat zou me een wraak zijn!’ Zegt Roubicek: ‘Ik zou Goebbels die leugenachtige tong van hem bij de wortel willen afsnijden en dan een paraplu diep in zijn reet stoppen. Dat zou me een wraak zijn!’ Maar Kohn zegt: ‘Heren, ik zie het heel anders. De oorlog is voorbij. Ik zit in café Urban, drink koffie met slagroom, rook een Havana en leest het Prager Tagblatt. Tegenover mij zit Hitler. Als ik de krant uit heb vraagt hij verlegen: “Herr Kohn, is het Tagblatt nu vrij?” Dan sta ik op, scherm met mijn wijsvinger vlak voor zijn neus en met een stem die het hele café kan horen zeg ik: “Vrij?? Voor u niet! Voor u nooit, meneer Hitler!”’

Het is een van mijn lievelingsgrappen. Een overwinning van de menselijke waardigheid op de holocaust.

Allicht vindt u hem mooi. Hier wordt met doperwtjes gegooid.

Als je dat kunt nadat je het concentratiekamp hebt overleefd, dan heb je ook trauma’s overwonnen.

Gaat iets boven humor?

Een lach die geen reden nodig heeft, die van binnen komt. Die van een kind, bijvoorbeeld. Maar zodra de onschuld verloren gaat hebben we een katalysator nodig om nog spontaan te kunnen lachen. Die katalysator is humor. Een kind komt stralend te laat, want een kind kan nooit te laat komen. Het kent geen klok. Wij wel, dus worden we met lange gezichten geconfronteerd. Om de situatie te redden zeggen we dan zoiets als: ‘Ik heb niet eens een excuus. Ik was zo laat dat ik geen tijd had om er een te bedenken.’

Een zeer Tsjechisch excuus.

Ja? Zie je: ik merk het niet eens.


In 1978 begon Martin Simek voor NRC Handelsblad te tekenen onder het pseudoniem AnoNe, wat Ja/Nee in het Tsjechisch betekent. Vanaf 1986 staat zijn cartoon wekelijks in De Groene Amsterdammer. Op 10 november 2013 viert hij met de voorstelling Cartoonist en de presentatie van zijn cartoonboek in theater Carré zijn 65ste verjaardag