Dora Van Der Groen, 10 maart 1927 – 8 november 2015

Haar werk is niet toneelspelers opleiden. Daar is ze altijd zeer beslist over geweest. ‘Ze zijn namelijk al acteur. Ze weten het alleen nog niet. Het moet ontdekt worden. Door henzelf natuurlijk. En door hun leraren.’

Het is voorjaar 2002. Dora Van der Groen wordt 75. De Belgische televisie maakt een portret. De man die de beeldresearch doet, heeft een korte film uit 1947 uitgegraven, van de jonge Dora met haar toneelleraar, Herman Teirlinck (1879-1967). Die vraagt haar voor de klas een volksliedje te dansen. Touwtje springend zingt Dora Van der Groen: ‘Ik heb zo deerlijk gedroomd vannacht/ Dat mijn vader een koekenbakker was/ En de pan viel om/ En de koeken waren krom…’ – en dan geeft de leraar een teken dat ze, pats, naar een lyrische scène toe moet. De ‘serene geweldenaar’ (die typering is van Van der Groen) leert zijn studenten te schakelen in het toneelspelen. Dora Van der Groen leert later haar toneelleerlingen op die manier ‘knippen’, ‘monteren’ van emoties. ‘De acteur moet krachtige signalen uitzenden, iedere zin een hoogstpersoonlijke invulling meegeven, en daarin razendsnel schakelen.’

Dat ‘knippen’ komt ook voor in Landschappen tussen alles of niets, een roman uit 2011, over de dunne scheidslijn tussen leven en acteren, geschreven door de toneelspeler Steven Van Watermeulen, ex-leerling van Dora Van der Groen. Zij komt daar als lerares in voor, onder de bijnaam ‘Oma Kip’. De jonge acteur moet Hippolytus spelen in Phaidra, waarin zijn stiefmoeder op hem verliefd is. ‘Oma Kip’ vindt zijn toon niet goed. Na een knetterende ruzie met de lerares breekt de jonge toneelspeler plots open: ‘De tranen beginnen in dikke druppels over mijn wangen te rollen. Oma Kip kijkt me scherp aan. Ze zegt: Doe de scène nu, gebruik je verdriet! Ik volg gedwee Haar raad op. De tranen blijven komen, maar de woorden klinken doorleefd als nooit tevoren. Ik schrik me kapot, is er een toneelspeler in mij wakker geworden?’

Ziehier een klein bouwsteentje van de ‘methode Van der Groen’.

Dora Van der Groen, geboren Antwerpse, heeft een gelukkige jeugd in een kunstzinnig gezin. Vanaf 1943 neemt ze toneellessen bij Joris Diels, ze danst bij Lea Daan en hoort tot de eerste lichting afstudeerders van Studio Herman Teirlinck. Ze staat daarna alles bij elkaar nog geen zes jaar onder contract bij een Vlaams toneelgezelschap. Voornaamste reden: avond aan avond op een toneel staan en kinderen opvoeden, dat gaat niet samen. In 1962 heeft ze er ondertussen drie, uit twee (toneel)huwelijken. Ze neemt ontslag en werkt vooral voor de Vlaamse radio en televisie, speelt in oneindig veel hoorspelen en series – daaraan dankt ze een groot deel van haar immense populariteit bij het Vlaamse publiek.

In 1978 wordt ze artistiek leider van de toneelafdeling van het Koninklijk Vlaams Muziekconservatorium in Antwerpen, een opleiding die uiteindelijk haar naam zal dragen en waar ze tot 2000 in de leiding blijft, en erna nog lang les geeft. Veel Vlaamse toneelspelers en regisseurs hebben onder haar straffe leiding de eerste ‘herboren’ stappen (sommigen spreken echt van een ‘wedergeboorte’) op de planken gezet. Van Chris Nietveld, Dirk Tanghe en Lukas Vandevost tot Warre Borgmans, Els Dottermans, Jolente de Keersmaeker, Luk Perceval en Katelijne Damen.

Van onder de wijde vleugels van Dora Van der Groens opleiding ontstonden voorts de meest uiteenlopende Vlaamse toneelgroepen. Van de Blauwe Maandag Compagnie (Luk Perceval), De Tijd (Lukas Vandevost), tot de toneelspelerscollectieven STAN en De Roovers. Een regisseur als Ivo van Hove heeft altijd benadrukt hoezeer hij schatplichtig is aan zijn lerares. Toen hij zijn eerste Nederlandse toneelensemble ging leiden (het Zuidelijk Toneel in Eindhoven), verleidde hij Van der Groen tussen 1991 en 1997 tot een aantal spraakmakend blijkende regies. Ze keerde zelfs in een piepklein rolletje terug op het toneel: een cameo-optreden als tuinkabouter in Hugo Claus’ Thyestes.

Zoals de meeste goede leraren laat Dora Van der Groen veel kwaliteiten na in de persoonlijkheden van haar leerlingen. Acteur/regisseur Lukas Vandevost: ‘Dé les van Dora is, dat je elke keer, op ieder moment moet kunnen stoppen. Het doek moet elk ogenblik kunnen vallen. Het kan ieder moment gedaan zijn. De concentratie van de toneelspeler ligt steeds op de vorige zin, nooit op de volgende.’ Goed toneelspelen is immers altijd denken en reflecteren, nooit vooruit lopen, anticiperen.

Acteur/regisseur Luk Perceval: ‘Dora vormt geen acteurs. Dora legt hun kunstenaarsziel bloot – zij ontdekken die ziel in een door haar gecreëerde, relatieve rust. Relatief, omdat de kern van het lesgeven bij Dora altijd is: het proces van ontdekken versnellen. En daarna je eigen weg zoeken. Je losscheuren van haar. Daardoor kon het ook gebeuren dat er zulke totaal verschillende toneelspelersgroepen opgebloeid zijn uit de leservaringen bij Dora Van der Groen.’

De lijst met mensen die gillend gek, dan wel geestelijk gebroken uit de ontmoetingen met de lerares zijn gestrompeld, is overigens ook vrij groot. Ze kon bikkelhard zijn, wreed, meedogenloos, niet te volgen in haar aanwijzingen en beweegredenen. ‘Er zijn twee manieren om bomen te laten groeien’, zei ze ooit. ‘Je kunt ze ruim bemesten. En je kunt ze grof snoeien.’ Bij Van der Groen in het leslokaal bestond een gerede kans dat je eerst tot aan de grond toe werd afgebroken, om daarna stukje bij beetje weer te worden opgebouwd. Dat was onderdeel van het hoofdstuk pijn, uit haar beroemde P’s: poëzie, persoonlijkheid, plezier en perversie.

Dora Van der Groen: ‘Iedereen wordt met een flink pak wreedheden geboren. Om te overleven, vermoed ik. Ook de acteur is een wandelende voorraadkamer van vreselijkheden. Die moet je zorgvuldig wakker schudden. Ik kan dat.’ En dat was waar. Dora kon dat.

‘Je kunt bomen ruim bemesten en je kunt ze grof snoeien’


Beeld: Gert Jochems / De Morgen