Economie

Dorp

Wat het hoogtepunt van het parlementaire jaar had moeten worden, een plechtige viering van de Tweede Kamer als enige echte wetgevende macht, een feestelijke demonstratie van loepzuiver dualisme, werd een deprimerende oefening in parlementaire overbodigheid.

Premier Rutte vond alles best: geld voor kindregelingen, openhouden van mottige kazernes in provincieplaatsjes, exotische ambassades sparen voor bezuinigingen, vijfhonderd miljoen extra voor onderwijs en ander electoraal strooigoed. Prima, zolang er maar een ombuigingspakket van zes miljard uit kwam rollen, het maar een rottend nivellerend geurtje had en het Sociaal Akkoord werd gerespecteerd. Elke partij die het waagde zich te verliezen in vergezichten of zich waagde aan een crisisanalyse die niet strookte met die van het kabinet marginaliseerde zich daar op slag mee. En gelukkig voor Rutte en de zijnen houdt vooralsnog het politieke kartel van ‘weldenkende’ middenpartijen zich aan deze politieke marktafspraken en is het einde van zijn kabinet dus nog niet in zicht.

Nou wil ik niet suggereren dat het vroeger beter was. Onderzoek leert dat de discretionaire begrotingsruimte in democratieën als de onze al veel langer onder druk staat. Doordat financiële verplichtingen uit hoofde van het eigen ambtelijk apparaat, infrastructuur, defensie, rentebetalingen op schuld en – vooral – de programma’s van de verzorgingsstaat niet van de ene op de andere dag kunnen worden stopgezet, is er steeds minder budget beschikbaar voor nieuw beleid. Van veertig procent van de begroting eind jaren zestig tot minder dan tien procent in de 21ste eeuw. ‘Permanente ombuigingen’ noemde de Amerikaanse politicoloog Paul Pierson dat verziend in 1991.

Maar dat was vóór de crisis. En tijdens de lange schuldgedreven groeigolf van de jaren negentig en nul leken we ons voorzichtig aan deze boekhouderslogica te ontworstelen. Plotseling was er poen voor kinderopvang, leerkrachten, musea, metro’s, nieuwe stations, glasvezelkabels, hogesnelheidslijnen en nieuwe havens: leuke dingen voor de banken en de bouwlobby. Alsof er even geen budgettaire zwaartekracht meer was.

Nee, dat is geen populisme, dat is gezond verstand

Een financiële deconfiture, een Griekse hysterieaanval en een in de kiem gesmoord groeistuipje later is de budgettaire val alleen maar meedogenlozer dichtgeklapt. Door teleurstellende inkomsten en stijgende uitgaven is het vrij besteedbare budget vrijwel overal vorstelijk in de min geschoten. Vergezichten, stippen op de horizon, investeringen, nieuwe bruggen – vergeet de electorale beloften waar al die beroepspolitici de politiek voor zijn ingegaan en die de democratie haar sjeu gaven. Hogere belastingen, lagere uitgaven – meer smaken zijn er niet in de keuken van schraalhans.

Sinds 2012 is daar in de eurozone de dictatuur van de Buitensporige Tekort Procedure bij gekomen. Lidstaten die om wat voor reden dan ook niet aan de begrotingsnormen voldoen, zijn automatisch onderworpen aan verscherpt toezicht door de Europese Commissie. Aan de hand van een uitgebreide lijst van macro-economische indicatoren (‘scoreboard’) ontvangen zij bij monde van eurocommissaris Olli Rehn steeds gedetailleerdere ‘aanbevelingen’. En laat er geen misverstand over bestaan: die gaan niet alleen over de omvang van de ombuigingsinspanning (zes miljard voor Nederland in 2014), maar strekken zich ook uit tot gedetailleerde voorschriften over de gewenste inrichting van zorgstelsel, arbeidsmarkt, woningmarkt en pensioenstelsel. Met als leidend beginsel: minder bescherming, meer flexibiliteit, minder staat, meer markt. En wie zich er niet aan houdt, kan rekenen op forse boetes, uitsluiting van fondsen, institutioneel (geen nieuwe Europese instelling) en persoonlijk (geen nieuwe Europese toppost) ostracisme en andere vormen van ‘zachte’ dwang.

Terecht dus dat de doyen van de Duitse politicologie, Fritz Scharpf, in de zojuist verschenen onvolprezen bundel Politics in the Age of Austerity spreekt van een ‘constitutionele revolutie’: de ongekozen functionarissen van de Europese Commissie hebben het fundament van onze representatieve democratie, het gekozen parlement, stilletjes maar rücksichtslos aan de kant geschoven.

Als je één, twee en drie bij elkaar optelt, hou je een democratisch Potemkin-dorp over: gekozen parlementariërs die tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen een steeds vertwijfelder politieke dans rond een steeds miezerigere dooie mus uitvoeren. Leuk voor politieke antropologen als Tom-Jan Meeus en de zijnen, desastreus voor behoud (laat staan herstel) van het toch al zo geërodeerde electorale vertrouwen in democratie en politieke en bestuurlijke elite. Hoe kleiner de discretionaire begrotingsruimte, hoe meer het Haagse bedrijf een theater van de lach wordt met carnavalsprinsen en dansmariekes en hoe meer kiezers hun lot in eigen hand nemen; daar hebben ze die afgekloven participatiesamenleving echt niet voor nodig. En nee, dat is geen populisme, dat is gezond verstand. Maar wrang is het wel.