Sport

Dorp

Oranje in Peking. Aflevering 1: Robert maakt het gezellig.
Het Olympisch Dorp in Peking is geopend en de eerste atleten zijn gearriveerd. Kanovaarder Robert Bouten was de eerste Nederlandse atleet die voet zette in het tijdelijk verblijf van de grootste sporters van de wereld.
Een gedenkwaardig moment. Meedoen aan de Spelen is het hoogste voor een sporter. Wekenlang verblijft hij in een ver land, en bereidt zich voor op die ene geweldige prestatie. Daarvoor is cruciaal dat hij zich zo veel mogelijk ‘thuis’ voelt. Dat hij ‘lekker in zijn vel zit’. Dus het belangrijkste is de sfeer. Voor Nederlanders betekent dat dat het wel een beetje gezellig moet worden. Dus Robert gaat aan het werk.
Het is niet voor niets dat het dorp heet, en niet stad. Er kunnen in totaal zeventienduizend sporters en begeleiders wonen, dus dat is wel groter dan een dorp. Alle voorzieningen zijn er: restaurants, internetcafé, kliniek, tennisbanen, sportschool, postkantoor, kapper, gebedsruimten en een bibliotheek. Maar het gaat om de dorpssfeer. Een dorp, waar iedereen elkaar kent. Waar men groet als men iemand tegenkomt. Waar auto’s nog afremmen voor een oranje licht. Waar de dominee, de arts en de notaris in hoog aanzien staan. Waar er elk jaar kermis is op het veldje naast dokter Timmer. Waar alle kinderen naar één school gaan. Waar men graag ouderwetse spreekwoorden bezigt om over het leven te praten.
Het dorp, waar de gordijnen dicht zijn maar daarachter iemand zit te gluren. Waar – hé, psst, psst, heb je het al gehoord – niemand ontkomt aan de blik van een ander. Waar je je fiets niet op slot hoeft te zetten. Waar het normaal is om iemands planten water te geven als die een paar dagen weg is en de poezen eten te geven en hun bak te verschonen. Waar, kortom, nog aardige mensen wonen, die elkaar niet de hele tijd proberen af te zeiken.
Dat denkt Robert Bouten ook als hij op weg gaat naar zijn appartement. Hij kiest een kamer, een tweepersoonskamer, en is benieuwd wie er straks in het andere bed zal liggen. Dat wordt keten! Robert grinnikt bij het vooruitzicht. Hij heeft een schoolkampgevoel, inclusief spanning in de duisternis van de slaapzaal, en schrik wanneer de zaklamp van meester Van der Bank plotseling om de hoek schijnt. Maar vooral een gevoel van opwinding, opwinding over iets dat misschien helemaal niet gaat komen, zoals wanneer je voelt dat je goud kunt winnen.
‘Goh’, zei hij toen hij het dorp binnenkwam. ‘Wat een mooi dorp. Maar we moeten het wel een beetje gezellig maken. Als thuis. Want zoals het klokje thuis tikt, tikt het nergens. Oost west, thuis best, zeg ik altijd maar.’
Eerst gaan er gebloemde kleedjes op de tafels in de gemeenschappelijke ruimte. Aan de muur hangt hij posters van de Ikea, met een grote rode roos erop, of een kussend stel in Parijs. In de keuken bevestigt hij een groot schoolbord aan de muur en krijt er ‘Heden mosselfeest!’ op. De radio gaat aan, met Jan Smit die zingt.
‘Zoo-oo’, zegt Robert langgerekt en traag en gaat zitten. ‘Even zitten. Even de benen omhoog. Van werken wordt een mens maar moe.’
‘Maar rust roest en ledigheid is des duivels oorkussen, zeg ik altijd maar’, zegt hij hardop en staat op.
Hij organiseert een bingo-avond op elke woensdag. Heeft video’s meegenomen met Eén van de acht met Mies Bouwman en de driedubbel-dvd met de benefietavond Open het Dorp!, ook met Mies Bouwman. Hij verkneukelt zich op oud-Hollandse wijze.
En zo wordt het Olympisch Dorp geleidelijk een Nederlands dorp. In de relaxruimte kunnen mensen klaverjassen en op zaterdag is er braderie. Met wedstrijden vlegelhangen en klootschieten en zaklopen.
Hij bouwt een winkelstraatje, een heel klein straatje in de gang tussen de appartementen, met de vertrouwde gevels en uithangborden van Blokker, C&A, Hema en Kruidvat.
In de kast een stapel spellen, voor in de avond als er niks op teevee is: Halma en Mens-erger-je-niet. Een boekje van Toon Hermans en een boekje van Youp van ‘t Hek. In de ijskast flesjes Heineken.
Groots en meeslepend als ze lijken, die Olympische Spelen, zo klein en knus en gezellig wordt het Dorp. Atleten uit het buitenland kijken misschien wel even vreemd op, maar al snel vinden ze het ook knus en gezellig. Dankzij Robert.
In de gemeenschappelijke ruimte, zo meldt de krant, zat Robert die avond achter een bord spaghetti met een salade. ‘Dat eet ik thuis ook’, vertelde hij. ‘Je kunt hier inderdaad van alles krijgen, ook McDonald’s. Maar pas als ik klaar ben met mijn wedstrijd kan ik eens wat exotische gerechten proberen.’
Dat is mooi, dat Oranje-gevoel in Peking.