Dorp aan de parelrivier

Vakbonden zijn er nauwelijks, werkwilligen daarentegen zijn er in overvloed. Een mekka dus voor kappitalisten, dat nieuwe China. Portret van Shafeng, een gespleten dorp in China’s rijkste provincie.
SHAFENG - Wanneer het dorp haar oorspronkelijk naam heeft teruggekregen, is onbekend. Shabei heette het tijdens de Culturele Revolutie. Nu heet het weer Shafeng. Maar er is, nadat China een nieuwe koers inzette, wel meer veranderd in het dorp aan de Parelrivier.

Shafeng is een rustig oord met ongeveer 15.000 inwoners. Het ligt in de delta van de Parelrivier, ten zuiden van Guanzhou. Shafeng is vooral een smerig dorp. Op braakliggende stukjes land ligt huis- en industrieel afval. De eendenvijver voor het net gerestaureerde voorouderlijke huis is een vuilnishoop. Het riviertje langs de marktstraat is zwart en stinkt. Een rioolsysteem heeft het dorp niet. Een vuilnisophaaldienst evenmin. Niemand die zich nog zorgen maakt over het collectieve welzijn.
Vroeger was dat wel anders. Toen waren de dorpsbewoners onder leiding van de lokale kaders van de communistische partij actief in frequente opruimcampagnes. Toen werd er ook toegezien op de hygiene in de prive-sfeer. De bordjes met ‘meest hygienische familie’ hangen nog boven de deuren van enkele huizen.
Shafeng wordt omringd door akkertjes en visvijvers. Op strategische plaatsen knippen de lokale kappers hun clientele in de open lucht. De hoofdstraat is een grote markt waar bejaarden de handel van hun kinderen op de grond hebben uitgestald. Groenten, vers geslachte kippen, vis en vele soorten reptielen. Elke ochtend trekt een lange stoet boerinnen naar de stad om daar de oogst van de vorige dag te verkopen. Onder de zware vracht die aan een bamboestok op hun schouder balanceert, huppelen de vrouwen meer dan dat ze lopen. Bij de aanlegsteiger van de pont die tussen de stad en Shafeng vaart, verveelt de plaatselijke jeugd zich of knutselt aan nieuwe brommers uit Japan en Korea.
De vooruitgang rukt op in Shafeng. Aan de horizon verrijzen nieuwe flats. Grote stukken land zijn al geegaliseerd en bouwrijp gemaakt. Er worden nieuwe villawijken gebouwd voor de rijke Chinezen die uit Hong Kong en Taiwan terugkeren. Een deel van het dorp gaat over twee jaar tegen de vlakte. De bewoners, hoofdzakelijk boeren, worden gedwongen te verhuizen naar de in aanbouw zijnde flats. Wat nu akkerland is, wordt industrieterrein.
HET BUSJE STOPT bij een braakliggend stuk land. Vijf mannen laden potten uit. Houwelen en manden met ganzen. Een van de mannen tekent witte krijtlijnen over het geegaliseerde land. Een ster. Dan worden er op regelmatige afstand van elkaar en precies op de lijnen diepe kuilen gegraven. Een voor een worden de ganzen bij de nek gegrepen en in de gaten geduwd. Het zand wordt goed aangestampt. Als alle ganzen, twintig in totaal, half onder de grond zitten, wordt er zwarte kalligrafie-inkt over de lijnen en de ganzen gegooid.
Chin Tong is een van de kunstenaars die aan het project deelneemt. De ster symboliseert het communistische regime. Het witte krijt en de zwarte inkt verwijst naar het pragmatisme van de leider achter de schermen, Deng Xiaoping. Een van diens meeste geciteerde uitspraken luidt: 'Het doet er niet toe of de kat wit is of zwart, zolang hij maar muizen vangt.’ De ganzen leggen natuurlijk de gouden eieren. De grote stad verderop, Guanzhou, wordt ook wel de Stad van de Gans genoemd.
Voor Chin Tong is het project een provocatie. De Chinese provo’s voelen zich geen politieke activisten, maar ze zijn wel maatschappelijk betrokken. Ze vergroten de dagelijkse realiteit van het volk uit en leggen het in een soort stilleven vast. In de provincie Guangdong kunnen mensen zoals hij zonder grote risico’s hun artistieke kritiek uiten. Beijing ligt ver weg en de nieuw verkregen rijkdom heeft ook voor een tolerantere overheid gezorgd.
Maar de communistische leiders uit Beijing zien ook veel door de vingers, omdat de Guangdong-provincie een ware goudmijn is. De provincie trekt ongeveer vijftien procent van de buitenlandse investeringen aan (ongeveer 35 miljard dollar) en is goed voor een kwart van de Chinese export. Het zijn met name de Hong Kong-Chinezen die met twintigduizend ondernemingen goed vertegenwoordigd zijn in Guangdong. De economie in Guangdong groeit jaarlijks met twintig procent. Twee keer zo snel als de hele Chinese economie. De inwoners van de rijkste provincie van China hebben ook het hoogste inkomen, ongeveer vijfhonderd Amerikaanse dollars.
Guangdong staat vooraan in de Chinese experimenten met de vrije markt. Dankbaar wordt gebruikt gemaakt van de nabijheid van de vrije steden Macau en Hong Kong. De relatie met de kapitalistische enclaves wordt getypeerd als 'store in the front and factory in the back’. Terwille van deze lucratieve relatie wordt buitenlandse en lokale ondernemingen geen strobreed in de weg gelegd. De vrije ondernemingen, met een vaak meedogenloos regime voor de arbeiders, bestaan naast bedrijven die als collectief eigendom van het proletariaat worden gerund. Het onverenigbare verenigd. Laissez-faire-kapitalisme met de dictatuur van het proletariaat.
DE LOKALE communisten in Shafeng hebben drie kleine kantoortjes. In twee daarvan wordt de dorpsadministratie verzorgd. In het derde kantoor heeft het hoofd van het dorpscomite, een soort burgemeester, zijn bureau. We worden door de lokale ambtenaren, kaders van de partij, haast naar binnen getrokken. Snoep, thee, mandarijnen en veel glimlachjes vallen ons ten deel. De dorpsboekhouder ondervraagt ons over Nederland. Of iedereen een auto heeft. Hoe duur een auto is. Hoe hoog het loon is. Veel vragen over vrij reizen. En over democratie. Hoe werkt de parlementaire democratie?
Op zijn beurt legt de administrateur uit hoe de democratie in Shafeng werkt. Kaders van de provincie peilen onder de bevolking wie van de bewoners op de meeste steun kan rekenen als hoofd van het dorpscomite. Over de meest favoriete kandidaat wordt dan gestemd. Bij elke verkiezing, eens per drie jaar, is er slechts een kandidaat.
Als we vragen naar de levensstandaard van de inwoners van het dorp, krijgen we te horen dat het jaarinkomen van een boer in Shafeng begin jaren tachtig ongeveer tweeduizend yuan bedroeg. Nu verdient hij ongeveer zeshonderd yuan per maand. Over de lonen in de industrie wil de boekhouder niet praten. Dat is een gevoelig onderwerp.
Onlangs heeft het lokale bestuur van Shafeng uit Beijing opdracht gekregen de groei van de economie af te remmen. Het landbouwareaal vermindert dramatisch waardoor de voedselvoorziening in gevaar komt. De bestaande plannen worden wel uitgevoerd. Met de bouw van een brug wordt over twee jaar begonnen. Hierdoor zal een groot deel van de vierduizend boeren brodeloos worden. Ze krijgen een compensatie voor het verlies van hun bestaansmiddelen. Desondanks zijn de boeren ontevreden. Ze worden gedwongen te verhuizen naar de in aanbouw zijnde betonnen flats en moeten uitzien naar andere middelen van bestaan.
LIANG GUI TIAN, een boerendochter uit een naburig dorp, woont bij haar schoonouders in. Ze heeft haar man, Mai Zhi Yan, leren kennen op de grote rotanfabriek aan de oever van de Parelrivier. Zijn familie heeft een rotanmattenbedrijf aan huis. De hele woning is volgestouwd met rotanstengels uit Indonesie. Het zijn Liang Gui Tain en haar schoonmoeder die het zware werk doen. De een ontvelt de stengels, de ander vlecht de matten. De schoonvader, een voormalige legerkok en gepensioneerde arbeider van het staatsbedrijf, meent dat ze te laat in zaken zijn gegaan. De meest vindingrijke dorpsbewoners zijn al medio jaren tachtig voor zichzelf begonnen: 'Die zijn nu rijk.’
De familie kan niet concurreren met de vele honderden kleine bedrijfjes die door voormalige fabrieksarbeiders worden gerund. De familie van Mai Zhi Yao maakt een winst van 3000 yuan per jaar. Dat is niet veel, maar wel meer dan ze in de fabriek zouden verdienen. Ze hebben al een motor en sparen nu voor andere luxe. Rotan, zo verzekert de schoonvader, is slechts een overbrugging voor de toekomst. Als straks de nieuwe wijken gebouwd zijn voor de mensen uit de grote stad, opent de familie een restaurant en geeft ze het rotanwerk op.
Nog niet zo lang geleden woonden in Shafeng drie soorten mensen: boeren, arbeiders van de staatsbedrijven en kaders van de communistische partij. Maar het pragmatisme van Deng Xiaoping heeft in Shafeng een geruisloze omwenteling veroorzaakt. In het dorp wonen nu ook rijke mensen, buitenlanders uit Hong Kong en Taiwan. Boerenarbeiders werken in buitenlandse bedrijven. Het dorp telt een toenemend aantal kleine zelfstandigen, gelukzoekers, maar ook werklozen.
Voor 1980 was iedereen even arm. De communistische kaders hadden de leiding in de fabrieken, leidden de vakbonden en vormden het lokale bestuur. Hun voornaamste taak was het herverdelen van de opbrengsten van het land en fabrieksarbeid. De hierarchie van de macht in Shafeng was georganiseerd op drie niveaus van collectiviteit. Op het land en in de fabriek was de commune het hoogste niveau, daarna kwamen de brigades en tenslotte de produktie-teams. De teams, de kleinste eenheid, bestaande uit twintig tot dertig huishoudens, bewerkten het land dat eigendom was van de commune. Alleen een team kon claims leggen op de opbrengst van het land.
DE EERSTE hervorming van de voormalige leider Deng Xiaoping in 1982 was het afschaffen van het communesysteem en invoering van het huishoud-verantwoordelijkheidssysteem. Individuele huishoudens kregen de status van pachter van het land en konden steeds grotere delen van de opbrengst op de vrije markt verkopen. Het huishouden werd zogezegd de kleinste economische eenheid.
In Shafeng zijn veel produktieteams uit de periode van voor Deng Xiaoping blijven voortbestaan. Een aantal teams functioneert als het ware als landbouwcooperatie, terwijl andere teams zich op de produktie van exportprodukten hebben gestort. In Shafeng zijn dat vooral rotanprodukten. Dergelijke collectieve dorpsondernemingen zijn het beste te omschrijven als een mengsel van staatsbedrijf en prive-onderneming. De dorpsonderneming is geen staatsbedrijf pur sang waarbij de bureaucratie eenzijdig de leiding over de produktie en inkomsten heeft. Maar aan de andere kant is er ook geen sprake van een klassieke vorm van prive-eigendom van de produktiemiddelen. Het succes van de onderneming wordt niet alleen afgemeten aan de winst- of verliescijfers. Het bedrijf heeft ook sociale en ideologische belangen.
In Shafeng wordt een derde van de industriele output verzorgd door de dorpsbedrijven, een derde door de staat en een derde door prive-ondernemingen. Vergeleken met de rest van China zijn die cijfers heel opmerkelijk. De staatssector is voor heel China nog steeds goed voor vijftig procent van de industriele produktie, terwijl de collectieve dorpsbedrijven veertig procent voor hun rekening nemen.
Het dorp in de delta van de Parelrivier kent echter nog andere eigendomsverhoudingen. Zo bestaat er een systeem van contract responsibility, waarbij een ondernemer met de lokale overheid een overeenkomst sluit om tegen een bepaald bedrag gebruik te maken van de produktiefaciliteiten die als eigendom beheerd worden door de gemeenschap. Collectieve dorpsbedrijven kunnen ook met buitenlandse investeerders joint ventures opzetten. Het gaat daarbij vooral om arbeidsintensieve bedrijven voor de export: confectie, speelgoed en in het geval van Shafeng een grote schoenenfabriek.
Bij de portiersloge van de rotanfabriek doen twee vrouwen de was. Mannen hangen tegen de hekken van de toegangspoort. Verschoten vlaggen versieren het eerste gebouw van het enige staatsbedrijf van Shafeng. Bedrijfsmanager en kaderlid van de communistische partij Lee komt op de fiets aangereden en heet ons welkom. Lee is een tengere, verlegen man. 'Ik ben al twintig jaar in dienst bij het bedrijf’, is de eerste uitspraak die we kunnen optekenen.
De rotanfabriek is aan de oever van een van de zijarmen van de Parelrivier gevestigd en bestaat uit tientallen gebouwen en gebouwtjes, opgetrokken uit rode baksteen. In de produktiehallen lijkt het alsof de tijd heeft stilgestaan. Mannen en vrouwen zitten op de grond stoelen en bijzettafeltjes te vlechten. Kinderen spelen rondom de werkende moeders. Veel stof. Het zonlicht dringt in bundels door de kleine raampjes.
Het bedrijf telt nog een paar duizend arbeiders. Dat waren er begin jaren tachtig veel meer. De vrije markt dwong het lokale communistische kader tot drastische maatregelen. Een groot deel van de produktie wordt nu buiten de deur gedaan. Lee schat dat in de wijde omgeving ongeveer tienduizend mensen afhankelijk zijn van de orders van zijn bedrijf. Hij en de andere kaderleden zijn naarstig op zoek naar kapitaal. Het liefst van een buitenlandse investeerder. Volgens Lee is zijn fabriek een goed investeringsobject. De rotanfabriek kreeg immers al in een vroeg stadium - sinds 1958 - vrijheid in het exportbeleid. Ook de economische ontwikkelingen in China en de bestuurlijke autonomie in de provincie Guangdong maken dat de fabriek - weliswaar een staatsbedrijf - zich kan meten met de besten op de vrije markt. De produkten vinden al sinds de jaren vijftig hun weg naar de overzeese markten. De rotanfabriek, zo pocht Lee, is de grootste in haar soort en heeft veel prijzen in de wacht gesleept vanwege de kwaliteit.
Halverwege de rondleiding nodigt Lee ons uit voor een kop thee. De zaal waar normaliter het management bijeenkomt en contracten worden gesloten met afnemers is geheel opgetrokken uit rotan. De muren, de vloer, het plafond, het meubilair, zelfs de deuren zijn van rotan. Als we meters van elkaar verwijderd van onze thee nippen, legt Lee uit hoe het loon is samengesteld. De vaste krachten krijgen een basisloon van 160 yuan per maand. Daarbovenop komen de premies en de bonussen. Gemiddeld krijgt een arbeider ongeveer 650 yuan per maand. De werktijden zijn streng geregeld, omdat er een afdeling van de Confederatie van Chinese Vakbonden actief is in het bedrijf. Leden van het managementteam hebben zitting in het afdelingsbestuur van de vakbond. Lee: 'We leven in een socialistisch land. Arbeiders en ondernemers hebben een historische missie: het socialisme verder ontwikkelen. Dat kan alleen als er stabiliteit en harmonie bestaan. En ik kan u garanderen dat die bestaan. In een socialistische samenleving voelen de arbeiders zich mede verantwoordelijk voor het bedrijf.’
HET STAATSBEDRIJF in Shafeng werkt enkel met vaste krachten. Contractarbeiders worden nog steeds buiten de deur gehouden. De vraag is hoe lang nog. Het bedrijf gaat gebukt onder een enorme financiele last. De loonkosten nekken het bedrijf. Omdat de rotanfabriek niet tot de strategische sectoren van de Chinese economie behoort, zal de staat vandaag of morgen de subsidies in de vorm van goedkope leningen stopzetten, daarmee in feite toegevend aan de selectiemechanismen van de vrije markt.
Flexibilisering van de produktiekosten en investeringen uit het buitenland moeten ook de rotanfabriek in Shafeng van de ondergang redden. Flexibilisering betekent met name het afschaffen van de drie ijzeren zekerheden voor de vaste arbeidskrachten: werk en inkomen; gratis onderwijs, gezondheidszorg en huisvesting; en de zekerheid dat ze nooit ontslagen zullen worden.
Met de invoering van de markt heeft het management van de rotanfabriek drastische maatregelen moeten nemen. In de tweede helft van de jaren tachtig is gekozen voor uitbesteding. Vaste krachten zetten hun oude werkzaamheden voort als kleine zelfstandigen, toeleverend aan het staatsbedrijf. Hiermee sloeg het management van de rotanfabriek twee vliegen in een klap. De produktiviteit vloog omhoog, de loonkosten daalden en aan de andere kant kon beter ingespeeld worden op de marktontwikkelingen.
Maar tien jaar later blijkt dat het staatsbedrijf de zelf geinitieerde vrije markt niet kan weerstaan. De concurrentie van de nieuwe ondernemingen dwingt tot een volgende saneringsronde. In Shafeng wordt nu openlijk gesproken over ontslag van de vaste arbeidskrachten.