Dorpen

‘We worden geboren in een wereld/ die al draait, schuiven aan bij een film/ die al begonnen is’, dicht Ton van ‘t Hof in Een lijn is een vore. Het is voor zijn doen een archaïsche titel en veel van de gedichten roepen een vroegere tijd op. De bundel leest op het eerste gezicht als een serie dagboekaantekeningen. Ze zijn alle genummerd. De opeenvolging suggereert dat hij circa zeventien van de 125 aantekeningen per hoofdstuk heeft opgenomen, van 01.001 tot 01.125. Het dagboek lijkt me gefingeerd: thematisch laat de bundel zich lezen als een logboek dat door de eeuwen heen is bijgehouden. Wie is er dan aan het woord? De goden die de eeuwigheid of de geschiedenis toespreken, zo lijkt het wel, of toch eenvoudigweg de dichter?

Een lijn is een vore is de zesde dichtbundel van Ton van ‘t Hof. Hij gaat snel. Eerder dit jaarbesprak ik zijn vierde dichtbundel, Hey! Are you suffering?, die alleen al met zijn titel een ander taalgebruik verried dan het plechtstatige karakter van zijn nieuwe bundel. En toch valt Een lijn is een vore niet buiten zijn oeuvre. In die vierde bundel stond de serie 'Aan de koene Nederlanders ene zee’, waarin hij de dwaze tocht naar Nova Zembla als scheepsjournaal in dichtvorm brengt.

Ton van ‘t Hof geeft zijn concept niet prijs, niet op de achterkant van Een lijn is een vore en ook niet voorin_._ Daar staat onder de titel de toevoeging 01-09, wat suggereert dat er ooit een vervolg op deze negen hoofdstukken zal komen. Veel plaatsnamen van dorpen in het noorden van Nederland komen in het boek voor: Wijnjouda, Bozum, Deersum, Den Hoorn, Wijwerd, Bierum, Ulsda, Blokzijl. Veel jaartallen ook, die per hoofdstuk verspringen: 1717, 1587, 1630, 1900, 2011. Veel feiten, getallen, nummers, opsommingen, krantenberichtjes, readymades. Het maakt de bundel er niet saai op, integendeel: in ieder erop volgend fragment staan weer fraaie regels. Iemand lijkt aan het denken in deze gedichten, poneert, probeert stellingen uit. 'lyriek is epiek onder één beding: noem namen,/ en alle vingers wijzen naar Jac van Hattum’. Namen komen ook veelvuldig voor in Een lijn is een vore, van Aristoteles tot Ashbery, en aan iedere naam wordt een gedachte ontleend. Dat maakt van de gedichten soms essayistische notities, maar nogmaals, het blijven waarachtige gedichten. Misschien dat ze voor essays ook veel te ongerijmd zijn, die gedachten, te springerig en grappig: ‘Scheikundig gezien zijn wij, credo ut intelligam,/ niet veel meer dan enkele emmers water in een vijgenblad.’

Door al die namen en die jaartallen ben je geneigd ook de uitspraken in de context van de spreker te lezen: ‘het wilde denken is zoveel ouder dan de rationele benadering’. Of: ‘Ik geloof dat de hemel symmetrisch is/ omdat hij roteert.’ Ze klinken als kleine uitvindingen, in deze reis door de tijd. Ze worden versneden met lyriek: ‘Kom naar buiten en zie/ de waarachtigheid van bloemen die bloeien/ in armoede.’ En waar ze het logboek niet stutten, leiden de citaten tot puntige, aforistische interrupties: ‘Alles wat vast is/ versmelt, zegt Marx,/ tot lucht.’ Stuttend zijn die fragmenten waar Van ‘t Hof eerst citeert en dan het citaat van een toevoeging voorziet:

Het bestrijden van het ongerijmde, zegt Confucius,

is waarlijk schadelijk. Observeer aandachtig

en zet droefenis opzij.

Een grote donkere vogel op een lichtbloei

Kan nauwelijks iets anders zijn, denk ik dan,

vogels geven namelijk zelden commentaar

op onze insluiting. (…)

Ik moet door de versificatie even denken aan Philippe Beck, de enige Franse dichter in de jaren negentig uit de school rond het tijdschrift Java die niet de l=a-n=g=u=a=g=e poëzie hoog in het vandaal droeg. Beck is erudiet en daardoor zwaarder van toon. Hij plaatst zichzelf al dichtend als filosoof tegenover het citaat, geeft antwoord op een gelijkwaardig niveau. Van ’t Hof gaat zwieriger aan de haal met de uitspraken die hij opdist. Het kan vanwege het kader zijn, dit boek, dit specifieke project, dat de lyriek een klassieke component heeft: 'Een lijn is een vore/ is een is een toegangsweg/ zo verleidelijk tussen haar dijen.’

Niet alles is even samenhangend. Een van de fragmenten bestaat uit de vertrektijden van alle bushaltes tussen Sellingen en Stadskanaal. Nu kunnen die namen van die haltes fraai zijn (‘Jipsingboertange De Lembarg’), maar als ze geen rol spelen in het logboek ogen ze te willekeurig. Even is er geen afstand meer tussen persoon en dichter Ton van ‘t Hof en de verteller: 'ik verlang nooit naar Afghanistan/ terug/ zo houd ik mezelf voor.’ In dergelijke passages is er opnieuw lyriek, een persoonlijke lyriek - en ik moet zeggen dat Ton van ‘t Hof mij daar ondertussen mee begint te raken. 'Het kwam vroeger nooit in mij op dat ik/ in mijn kop opgesloten ligt.’ Precies: als kind waren we vrij van de beckettiaanse ervaring dat onze schedel de grens is tussen de wereld en het ik, en ook ik ken heimwee naar die illusie van helderheid. Ton van ‘t Hof durft zich, readymades of niet, te laten gaan: 'Als ik uit mijn lichaam stap val ik uiteen/ in bloesem’.

In het negende hoofdstuk lijkt de dichter even de controle kwijt. Hij begint te roepen - daar lijkt het althans op na al het voorafgaande. Hij wordt expliciet: ‘Mijn devotie geldt de wereld/ die ik niet niet/ wondermooi vinden kan.’ Het hoofdstuk eindigt met een lang fragment, dat iets te veel als een nawoord begint en het concept van het boek een beetje tenietdoet. Hij spreekt, hij contempleert, hij vraagt zich af hoe poëten leven. Tot slot spreekt hij Ashbery toe: ‘Beste Jack,/ Als ik een gedicht van je vertaal kom ik woorden tegen/ die ik niet begrijp en dan gis ik altijd/ naar hun betekenis en heb onverbiddelijk gelijk.’ Het heeft even iets larmoyants - de dichter is ook vertaler - en toch ook niet. Als taal ‘onze hoedanigheid pover weergeeft’, als we geen gedichten nodig hebben om ons duidelijk te maken dat we alleen zijn binnen in die schedel, dan komen we uit een nulpunt. En het is op dat punt dat Ton van ‘t Hof terdege doorpraat. Ter afsluiting geeft hij de door hem vertaalde dichter nog even de eer, opnieuw met een ingehouden en fraaie lyriek: 'Je was even hier,/ tussen mijn kwellingen en borstweringen in./ Waarvoor mijn dank.’

Ton van ‘t Hof, Een lijn is een vore. Uitgeverij Stanza/Unibook , 96 blz., € 15,-

De bundel is ook te downloaden als pdf